id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.647 Rolnummer: A. 133079/XII-5376 Zaak: Arrest 188647 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 09/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-15 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 09:30 Fiche Arrest nr 188.647 van 9 december 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.647 van 9 december 2008 in de zaak A. 133.079/XII-
- In zake : Lut CONINGS, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-72 tegen : de HOGESCHOOL GENT, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3 R. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lut Conings op 17 februari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van het besluit van het College van Beroep inzake Evaluatie van de Hogeschool Gent van 12 december 2002, [...] waarbij haar beroepen (van 7 oktober 2002 en van 4 november 2002) tegen de beslissing van het departementshoofd HABE van de Hogeschool Gent van 27 september 2002, waarbij bij hoogdringendheid beslist werd haar functioneren als ‘onvoldoende’ te evalueren en haar beroep (van 20 november 2002) tegen de beslissing van de departementsraad HABE van de Hogeschool Gent van 7 november 2002 waarin gezegd wordt dat de beslissing van het departementshoofd genomen bij hoogdringendheid ‘niet wordt herroepen noch gewijzigd’, ontvankelijk worden verklaard maar worden afgewezen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoekster; XII-5376-1/16 Gelet op de beschikking van 8 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor verzoekster, en van advocaat E. Bral, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De voorgaanden
- Bij besluit van 24 januari 2001 wordt verzoekster door de algemeen directeur van verwerende partij met ingang van 1 februari 2001 tot 30 september 2001 aangesteld in de vacante betrekking van verantwoordelijke studentenadministratie op het departement HABE. Op 1 oktober 2001 stelt het departementshoofd, F. Naert, voor haar -als “een duidelijke aanzet tot verbetering van het functioneren”- te evalueren als “evolueert naar onvoldoende”. De departementsraad zou het voorstel op 12 november 2001 gevolgd hebben.
- Met een beslissing van 3 oktober 2001 beslist de algemeen directeur verzoekster her aan te stellen in de vacante betrekking van verantwoordelijke studentenadministratie op het departement HABE, voor de periode van 1 oktober 2001 tot 30 september
- Op 26 september 2002 stelt het departementshoofd aan de departementsraad voor om haar functioneren als onvoldoende te evalueren. XII-5376-2/16 Het departementshoofd beslist op 27 september 2002 bij hoogdringendheid het functioneren van verzoekster als onvoldoende te evalueren en die beslissing ter bekrachtiging aan de departementsraad voor te leggen. De departementsraad neemt op 7 november 2002 akte van de beslissing van 27 september 2002 en besluit de beslissing “niet te herroepen noch te wijzigen, na kennis te hebben genomen van het integrale voorstel tot evaluatie dat in bijlage als motivering van huidige beslissing wordt gevoegd”. Verzoekster tekent op 7 oktober 2002 bezwaar aan tegen het voorstel van evaluatie van 26 september 2002, stelt op 4 november 2002 beroep in tegen de beslissing van 27 september 2002 van het departementshoofd, en dient op 20 november 2002 beroep in tegen het besluit van 7 november 2002 van de departementsraad om de beslissing van het departementshoofd niet te herroepen of te wijzigen. De drie beroepen als één geheel beschouwend en behandelend, bevestigt het college van beroep inzake evaluatie (hierna: college van beroep) op 12 december 2002 de beslissing van 27 september 2002 en het besluit van de departementsraad om die beslissing van 27 september 2002 niet te herroepen noch te wijzigen. Daartoe wordt inzonderheid vastgesteld : “dat de evaluatie ‘onvoldoende’ en de evaluatiebeslissing ‘onvoldoende’, die door de Departementsraad HABE werd bevestigd, gerechtvaardigd zijn op grond van - de inhoud van het evaluatieverslag en de door prof. Naert verstrekte bijkomende toelichting; - de ernstige verwittiging die begrepen is in de evaluatie ‘evolueert naar onvoldoende’ van 12.11.
- en waarvan de draagwijdte blijkbaar niet heeft aangespoord tot remediëring; - er derhalve niet kan worden betoogd dat er in de evaluatie geen doorlopende lijn is geweest, wat overigens wordt bevestigd door het aanleggen door mevrouw Conings van een dossier over de incidenten tijdens het voorbije jaar; - het feit dat de inhoud van de evaluatie door de verzoekende partij niet werd ontkracht maar dat bepaalde elementen daarvan werden toegegeven als juist, alvast het veelvuldig telefoneren voor persoonlijke doeleinden tijdens de kantooruren (het gebruik van een eigen GSM-toestel is terzake niet relevant, wel het gebruik ervan tijdens de kantooruren) en het bestaan en blijven bestaan van een probleemsituatie op het departementssecretariaat van HABE; - van oordeel dat het goed fungeren van mevrouw Conings bij haar vorige werkgever haar tot eer strekt maar niet relevant is voor de behandeling van het door haar ingestelde beroep; - het feit dat de verzoekende partij geen getuigen ter ontlasting heeft opgeroepen en haar verzoek haast uitsluitend op procedurele kwesties heeft toegespitst”. XII-5376-3/16 II. De grond van de zaak A. Eerste middel Stelling van verzoekster
- Verzoekster leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 77 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna: het hogeschooldecreet) en van de motiveringsplicht. In een eerste onderdeel voert zij aan dat, enerzijds, artikel 77, § 3, van het hogeschooldecreet het hogeschoolbestuur ertoe verplicht een college van beroep inzake evaluatie op te richten dat “ab initio [moet] kunnen beschikken zowel over de beroepen beslissing(en), als over het volledig evaluatiedossier van de betrokkene”, wijl, anderzijds, uit artikel 16, § 2, van het evaluatiereglement van 23 januari 2002 volgt dat het college van beroep alleen toegang heeft tot de evaluatiedossiers ingeval het een bijkomend onderzoek instelt met betrekking tot de evaluatie van de betrokkene. Naar de mening van verzoekster leidt de redactie van artikel 16, § 2, van het evaluatiereglement ertoe “dat het beoordelende college slechts reglementair toegang heeft tot de evaluatiedossier(s) in geval van voorafgaandelijk bevolen bijkomend onderzoek”. De “ongerijmdheid in voorliggend evaluatiereglement is aldus ten alle tijde bron van een niet haalbare conforme beslissing”. Volgens een tweede onderdeel moet het college van beroep, gelet op artikel 77, §§ 3 en 4, van het hogeschooldecreet, volle rechtsmacht hebben en in voorkomend geval kunnen zeggen dat de evaluatie “onvoldoende” wordt verworpen en haar eigen evaluatie in de plaats stellen van de evaluatie-instantie van de hogeschool. In strijd hiermee beperkt nochtans het evaluatiereglement de bevoegdheid van het college “door, in het geval van verwerping van de evaluatie ‘onvoldoende’, de mogelijkheden van het college te limiteren tot enerzijds het ongedaan maken van de evaluatie ‘onvoldoende’ zonder meer, anderzijds de terugzending voor nieuwe evaluatie naar het hogeschoolbestuur, met uitsluiting van de mogelijkheid de eigen evaluatie van het college in de plaats te stellen van de beroepen evaluatie”. XII-5376-4/16 Luidens een derde onderdeel werden de twee vorige onderdelen ook opgeworpen voor het college van beroep, dat hieraan in het besluit van 12 december 2002 geen enkele aandacht heeft besteed. Verzoekster roept daaromtrent de schending van de motiveringsplicht in. Beoordeling
- Het eerste onderdeel gaat ervan uit dat het college van beroep inzake evaluatie ab initio over het volledig evaluatiedossier moet kunnen beschikken. Of het evaluatiereglement dat nu al dan niet toelaat en of het, zo niet, op dat punt dan wegens onwettigheid -strijdigheid met het hogeschooldecreet- buiten toepassing moet worden gelaten, doet niet ter zake. Wat er immers ook van zij, het is niet betwist dat het college van beroep effectief van meet af aan verzoeksters evaluatiedossier ter beschikking had. Niet ten onrechte is de verwerende partij van mening dat verzoeksters belangen “dan ook op geen enkele manier werden geschonden”. Het middelonderdeel wordt verworpen.
- Blijkens de uiteenzetting van het tweede onderdeel is de onwettigheid die erin wordt aangeklaagd alleen problematisch “in het geval van verwerping van de evaluatie ‘onvoldoende’”. Het is een hypothese die te dezen niet aan de orde is. Ook het tweede middelonderdeel wordt afgewezen.
- Het is niet zo dat de verwerende partij in de formele motivering van de bestreden beslissing volledig is voorbijgegaan aan de bezwaren waarover het derde onderdeel gaat. Meer bepaald heeft het college van beroep erop geantwoord dat het “van oordeel [is] dat het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, het Evaluatiereglement en het Huishoudelijk reglement van het College van Beroep inzake statutaire Evaluatie van Hogeschool Gent correct werden toegepast”. XII-5376-5/16 Die weerlegging mag dan kort zijn, zij is ook afdoende, inzonderheid gelet op wat hiervóór, bij de bespreking van het eerste en tweede onderdeel van het middel, in verband met de betrokken bezwaren is gezegd en waaruit blijkt dat die bezwaren niet ter zake dienend zijn. Het derde onderdeel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster leidt een tweede middel af uit “de schending van Hoofdstuk 5 van het evaluatiereglement van 23 januari 2002 Hogeschool Gent en het beginsel van behoorlijk bestuur (wat betreft de samenstelling van het College van Beroep)”. In het middel neemt verzoekster in essentie op de korrel dat op de eerste zitting van het college van beroep -op 22 oktober 2002- drie effectieve leden van het college niet aanwezig waren, terwijl geen enkel stuk bewijst dat zij “niet konden aanwezig zijn op een zitting van het college te houden ten laatste op 29 oktober 2002” en ofschoon het belang van het verschil tussen de effectieve leden van het college en de plaatsvervangende leden reglementair vaststaat. Bijkomend wordt opgemerkt dat het college van beroep ook op 22 november 2002 onregelmatig was samengesteld, doordat het in dezelfde samenstelling zetelde als op 22 oktober 2002 en 4 november 2002 “zonder dat werd vastgesteld dat dezelfde drie effectieve leden verhinderd waren”. Beoordeling
- Om te voldoen aan artikel 16, § 1, van het evaluatiereglement van 23 januari 2002 moest het college van beroep verzoekster, met betrekking tot haar bezwaar van 7 oktober 2002 tegen de evaluatie van 26 september 2002, oproepen voor een zitting die plaatsvond uiterlijk op 29 oktober
- Naar uit het proces- verbaal van de zitting van 22 oktober 2002 blijkt, werden voor die zitting “eerst de vijf effectieve leden van het College van Beroep gecontacteerd. De heren L. Veny, J. De Groof en D. Defoor konden niet aanwezig zijn. Geen andere datum binnen de gestelde termijn van 29 oktober 2002 werd door hen geschikt bevonden. Vervolgens werden de eerste drie plaatsvervangende leden uitgenodigd”. XII-5376-6/16 Stukken 19 tot en met 21 van het administratief dossier staven dat de drie voornoemde effectieve leden op 22 oktober 2008 niet in de mogelijkheid waren om aanwezig te zijn. Verzoekster wijst geen enkel voorschrift van hoofdstuk 5 van het evaluatiereglement aan dat de regelmatigheid van de samenstelling van het college van beroep ingeval sommige effectieve leden vervangen worden door plaats- vervangende leden, afhankelijk zou maken van het bewijs dat de afwezige effectieve leden ook niet op een andere, nog nuttige dag aanwezig konden zijn. Wat het genoemd hoofdstuk 5 wel voorschrijft, is dat het college van beroep dient te zijn samengesteld uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden, waarbij het hogeschoolonderhandelingscomité moet instemmen met drie van de vijf leden en drie van de vijf plaatsvervangende leden (artikel 20, § 1), dat het onder zijn effectieve leden een voorzitter aanduidt en enkel rechtsgeldig zetelt wanneer benevens de voorzitter drie leden effectief aanwezig zijn (artikel 22), en dat het college van beroep zijn eigen huishoudelijk reglement opstelt dat onder andere de modaliteiten regelt voor de vervanging van een effectief lid door een plaatsvervangend lid bij verhindering tot het bijwonen van de zitting (artikel 23). Aan al die voorschriften is voldaan, weze het dat het huishoudelijk reglement pas op 22 oktober 2002 is aangenomen. Evenmin volgt uit dit huishoudelijk reglement waarvan artikel 17 bepaalt dat de beroepen ingediend vóór de goedkeuring ervan “geacht worden in overeenstemming te zijn met dit huishoudelijk reglement” of uit enig “beginsel van behoorlijk bestuur” dat de vervanging van een verhinderd effectief lid alleen dan regelmatig is wanneer wordt bewezen dat het effectief lid evenmin op een andere nuttige dag de zitting kan bijwonen. Het middel is ongegrond in zoverre het de onregelmatige samenstelling van het college van beroep op 22 oktober 2002 aanvoert.
- Omdat op de zitting van 22 oktober 2002 niet het volledige dossier aan alle partijen bekend was, besluit het college van beroep “om de zitting te verdagen naar een later te bepalen datum”. Op die datum -4 november 2002- wordt besloten “om het dossier verder te behandelen in een volgende zitting op 22 november 2002”. XII-5376-7/16 Alsdan stelt het college van beroep vast dat ondertussen verzoekster ook een beroep op 4 november 20002 en 20 november 2002 heeft ingesteld, waarna het college van beroep beslist “de 3 ‘beroepen’ ingediend door mevrouw Conings als één geheel [te] beschouwen en [te] behandelen”. In de gegeven omstandigheden betoogt verwerende partij op goede grond : “Dat het [...] voor de goede rechtsbedeling én rechtszekerheid toch maar logisch naar voren komt dat het College in dezelfde samenstelling de zaak ook verder afhandelt en uiteindelijk beslecht. Dat de datum die determinerend is ter beoordeling van de rechtsgeldige samenstelling de aanvangsdatum is en derhalve de vaststelling welke leden wel en welke leden op deze eerste zitting niet aanwezig kunnen zijn, doch dat eens de samenstelling een feit is, het uiteraard aan deze samenstelling toekomt de zaak ook verder af te handelen en uiteindelijk (vaak hoedanook op een later ogenblik) te beslissen”. Het middel is evenmin gegrond wat de beweerde onregelmatige samenstelling van het college van beroep op 22 november 2002 betreft. C. Derde middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster put een derde middel uit “de schending van artikel 4, 4/ en 5/ van het procedurereglement van 22 oktober 1998 en van 1 mei 2002 en artikel 4, 9/ van het procedurereglement van 1 mei 2002 en de motiveringsplicht”. In een eerste onderdeel zet verzoekster allereerst uiteen dat de beslissing van 27 september 2002 van het departementshoofd, bij hoogdringendheid genomen, met de in het middel aangevoerde bepalingen strijdig is, waardoor ook het besluit van 7 november 2002 van de departementsraad aangetast is: niet het departementshoofd maar de departementsraad is inzake verzoeksters evaluatie bevoegd; hoogdringendheid verandert daar niets aan; de hoogdringendheid is door het eigen stilzitten van verwerende partij veroorzaakt; de algemene reglement- bepalingen met betrekking tot delegatie en hoogdringendheid zijn niet toepasselijk op de specifieke materie van de evaluatie. Verzoekster betoogt voorts dat het college van beroep niet rechtsgeldig de evaluatie van verzoekster kon overdoen; zulks XII-5376-8/16 vereiste immers dat het daartoe bevoegde orgaan van de hogeschool, zijnde de departementsraad, haar ten laatste op 30 september 2002 zou hebben geëvalueerd. Verzoekster wijst in een tweede onderdeel erop dat zij de argumentatie in het eerste onderdeel ook opgeworpen heeft voor het college van beroep, maar dat het college er geen aandacht aan besteed heeft in de bestreden beslissing, zodat de motiveringsplicht geschonden is. Beoordeling
- Verzoekster werd bij beslissing van 3 oktober 2001 van de algemeen directeur heraangesteld in de vacante betrekking van verantwoordelijke studentenadministratie voor de periode van 1 oktober 2001 tot 30 september
- Volgens het in het middel aangevoerde artikel 4.9 van het procedurereglement van 1 mei 2002 -en daargelaten de precieze juridische waarde van dat zogeheten reglement, uitgaande van de algemeen directeur- dienen alle tijdelijke statutaire personeelsleden, die voor minstens elf maanden werden aangesteld in een vacante of niet-vacante betrekking, aan het einde van hun aanstelling geëvalueerd te worden. Dit is in het geval van verzoekster ook gebeurd. Kennelijk gebruik makend van de delegatie in artikel 28, § 1, van het organiek reglement van de departementsraden, heeft het departementshoofd op 27 september 2002 bij hoogdringendheid het functioneren van verzoekster als onvoldoende geëvalueerd. Overeenkomstig hetzelfde artikel 28, § 1, heeft daarna de departementsraad op 7 november 2002 akte genomen van de beslissing bij hoogdringendheid, en besloten om deze beslissing niet te herroepen noch te wijzigen. Er blijkt dus wel degelijk een evaluatie van verzoekster vóór eind september 2002 te zijn. Evenwel is deze niet herroepen noch gewijzigde ongunstige evaluatie van 27 september 2002 ondertussen -ten gevolge van de devolutieve werking van verzoeksters beroep en van de toepassing van de beroepsprocedure inzake statutaire evaluatie- uit het rechtsverkeer verdwenen en vervangen door de bestreden beslissing. XII-5376-9/16 In dit licht doen de in het middel aangevoerde onwettigheden waarmee de oorspronkelijke ongunstige evaluatie van verzoekster beweerdelijk behept is, niet meer ter zake. Het eerste onderdeel van het middel kan niet worden aangenomen.
- Ook het tweede onderdeel moet worden afgewezen. De verwerende partij is immers niet verplicht op elk afzonderlijk bezwaar dat door verzoekster tijdens de beroepsprocedure werd geopperd een antwoord te geven, vooral niet wanneer het gaat om bezwaren die relevantie missen. Nu het college van beroep uitdrukkelijk de beroepen van verzoekster ontvankelijk verklaarde en op grond van zijn eigen bevoegdheid zelf tot een nieuw onderzoek van de toe te kennen evaluatie overging, hoefde het niet meer expliciet stil te staan bij bezwaren die het, zoals hiervóór gezien, voor achterhaald mocht houden. D. Vierde middel Standpunt van verzoekster
- Een vierde middel doet de schending gelden van “de artikelen 4, § 2 en 5, 4/ van de evaluatiereglementen van 23 oktober 1997 en van 23 januari 2002 en van de artikelen 4, 4/ en 4, 8/ [van] de procedurereglementen van 22 oktober 1998 en van 1 mei 2002, alsmede van de motiveringsplicht, zorgvuldigheidsbeginsel, flair-play beginsel”. In een eerste onderdeel licht verzoekster hoofdzakelijk toe wat volgt : “
- Gedurende de evaluatieperiode (die volgde op een periode afgesloten met een evaluatie ‘evolueert naar onvoldoende’, dewelke door het Hogeschool- bestuur nochtans niet werd aanzien als een regelmatige evaluatie, en aan de verzoekster overigens nooit, voorafgaand aan de huidige procedure, werd medegedeeld, zie randnummers 1 en 2) werd door het departementshoofd, en dat wordt door de bestreden beslissing niet tegengesproken, een jaar lang ten opzichte van de betrokkene niets ondernomen. Nochtans bepaalt het evaluatiereglement, in het art. 4, §2 (zo de oude als de nieuwe versie) dat, in het kader van de kwaliteitszorg, door de hogeschool een permanente individuele opdrachtsbegeleiding van het personeelslid zal worden voorzien, met als doel het functioneren van het personeelslid te begeleiden, te verbeteren en zo nodig bij te sturen of te remediëren en zegt art. 5, 4/ van datzelfde reglement dat het evaluatiedossier eventueel (d.i. wanneer er zich individuele maatregelen opdrongen) bevat : de documenten die opgesteld XII-5376-10/16 werden in het kader van individuele maatregelen ter bevordering van de kwaliteit van het functioneren [...]. Evident is dat precies een evaluatie ‘evolueert naar onvoldoende’ (of deze nu regelmatig was of niet) de overheid, tijdens een volgende evaluatieperiode, verplicht tot dergelijke individuele maatregelen van begeleiding, verbetering, bijsturing en remediëren, terwijl dit alles in casu volkomen achterwege bleef. Het procedurereglement van 22 oktober 1998 (dat op de betrokkene toepasselijk was tot 1 mei 2002 [...]) sluit naadloos op het voorgaande aan waar in art. 4.8 gesteld wordt : ‘Voor personeelsleden met een evaluatie ‘onvoldoende’, ‘evolueert naar onvoldoende’ en met een evaluatie waaruit blijkt dat er ernstige problemen zijn t.a.v. minstens één van de evaluatiecriteria, moet een schriftelijk advies voor het verbeteren van het functioneren worden opgesteld. Dit schriftelijk advies wordt opgenomen in het evaluatiedossier. Het personeelslid tekent dit advies voor kennisname en ontvangt een kopie.’. Deze bepaling, die geen uitzondering duldt, heeft zelf geen begin van uitvoering (bv. een functioneringsgesprek) gekregen.
- Wil een overheid tot een evaluatie ‘onvoldoende’ komen dan is vereist dat ze enerzijds gedurende de evaluatieperiode ingrijpt, c.q. bijstuurt en anderzijds dat ze een hoge mate van zorgvuldigheid aan de dag legt bij haar eindbeoordeling. - In de vaste rechtspraak van Uw Raad heet het, wat het eerste aspect betreft, dat wanneer een evaluatieperiode zich over het gehele evaluatiejaar uitstrekt, de concrete verwachtingen vooraf in samenspraak met de geëvalueerde moeten worden bepaald, de prestaties van de geëvalueerde gedurende de evaluatieperiode moeten worden opgevolgd en zo nodig moeten worden bijgestuurd en dat ervoor moet worden gezorgd dat de evaluatie aan het einde van het evaluatiejaar geen verrassingen inhoudt (arresten nrs. 96.582 en 96.583 van 18 juni 2001, inzake Van Cauteren en Stroobant). In casu ligt niets van dit alles voor. Wat meebrengt dat moet worden aangenomen (ook wegens de afwezigheid van het schriftelijk advies waarvan sprake onder randnummer 22) dat er zich gedurende de evaluatieperiode geen zulkdanige ongunstige feiten hebben voorgedaan die, op het einde van die periode, een beoordeling ‘onvoldoende’ kunnen schragen. - De zorgvuldigheidsplicht en het fair-play beginsel zijn nog meer aan de orde wanneer (en dit is hier het geval) het departementshoofd zelf het evaluatievoorstel opmaakt en daarbij niet kan steunen op een voorafgaand evaluatieadvies van de directe dienstoverste. Vandaar de bepaling in art. 11, §7 van het evaluatiereglement van 23 januari 2002 (daartoe specifiek dan ingevoegd) dat het departementshoofd zich voor de evaluatie van het administratief personeel kan laten adviseren door de departementssecretaris, wat in casu niet geschiedde. Maar ook meer algemeen geldt dat uit niets blijkt waarop het departementshoofd zich steunde om bij de beoordeling van het functioneren van de verzoekster, tot welkdanige uitspraak, gezien per beoordelingscriterium, te komen.
- Voorts geldt dat een eigenlijk evaluatiegesprek, d.i. met hetzelfde evaluatieformulier van de betrokkene als uitgangspunt (vgl. art. 4.4 van het procedurereglement), tussen de verzoekster en het departementhoofd niet eens heeft plaatsgevonden : het departementshoofd heeft de verzoekster zijn evaluatievoorstel ter kennisname voorgelegd, zonder meer (vandaar overigens de verwarring in hoofde van de verzoekster bij haar eerste beroep). Dat is op zich een schending van art. 4.4 van het procedurereglement van 1 mei
- XII-5376-11/16
- De evaluatie steunt verder op geen enkel concreet, door Uw Raad controleerbaar, feit of gegeven. Geen enkele beoordeling verwijst of vindt steun in enig document. De evaluator wil het doen voorkomen alsof de verzoekster, met name in verhouding tot haar collega's, behept is met sociale, karakteriële en relationele problemen, maar dat alles is (zonder enige bronvermelding) noodzakelijk van `horen zeggen'. Te meer daar de beoordeling van de verzoekster positief blijft op het criterium van de eigen vaststellingen van de evaluator : de omgang met leidinggevenden, dus in de eerste plaats met hemzelf. Waarbij tenslotte nog geldt dat ook in de evaluatie zelf aan de verzoekster geen enkele concrete fout in haar functioneren wordt aangewreven. De evaluatie is er één van op geen enkele manier gestaafde, laat staan bewezen, en dus loutere beweringen. Zo gezien schendt de evaluatie de motiveringsplicht, vermits het besluit niet steunt op in feite correcte, relevante en in rechte aanvaardbare motieven”. Een tweede onderdeel voert aan dat het voorgaande ook vóór het college van beroep werd ingeroepen en dat het college het zonder meer naast zich neerlegde. Tevens zijn de eigen motieven van het college van beroep totaal onaanvaardbaar en kunnen ze op geen enkele manier dienstig zijn om tot de bestreden beslissing te komen. Beoordeling
- In de eerste plaats is vast te stellen dat verzoekster niet nuttig tegen de bestreden beslissing kan inbrengen dat het departementshoofd een evaluatiegesprek had moeten houden, dat hij advies had moeten inwinnen, en dat hij had moeten aangeven waarop hij zijn beoordeling over het functioneren van verzoekster steunde. De bestreden beslissing is immers niet de beslissing van 27 september 2002 van het departementshoofd om verzoeksters functioneren als onvoldoende te evalueren, maar het besluit van 12 december 2002 waarmee het college van beroep, na en op grond van een eigen onderzoek, uitspraak doet over het administratief beroep tegen de -niet door de departementsraad herroepen of gewijzigde- beslissing van 27 september 2002 en waarmee het college van beroep zo doende zijn eigen oordeel in de plaats van dat van het departementshoofd stelt. 15.
- In de tweede plaats wordt met verzoekster vastgesteld dat het evaluatiedossier geen documenten bevat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 4/, van de evaluatiereglementen van 23 oktober 1997 en 23 januari 2002, namelijk documenten die opgesteld werden in het kader van individuele maatregelen ter bevordering van de kwaliteit van het functioneren, en evenmin een schriftelijk XII-5376-12/16 advies voor het verbeteren van het functioneren als bedoeld in artikel 4.8 van de zogenaamde procedurereglementen uitgaande van de algemeen directeur. Daaruit zonder meer afleiden “dat er zich gedurende de evaluatieperiode geen zulkdanige ongunstige feiten hebben voorgedaan die, op het einde van die periode, een beoordeling ‘onvoldoende’ kunnen schragen”, gaat evenwel te ver. 15.
- Verzoekster kan immers bezwaarlijk betwisten dat haar bij het begin van de evaluatieperiode waarover de bestreden beslissing gaat, duidelijk te kennen is gegeven -de bestreden beslissing gewaagt in dit verband van een “ernstige verwittiging”- dat haar functioneren niet naar behoren was. Dit gebeurde via haar kennisneming van het voorstel van 1 oktober 2001 van het departementshoofd om haar over de periode van 1 februari 2001 tot 30 september 2001 te evalueren als “evolueert naar onvoldoende”. In het voorstel wordt onder meer overwogen dat de samenwerking met de andere secretariaatsmedewerkers gekenmerkt wordt door tal van wrijvingen, dat verzoekster bij onverwachte problemen die een snelle oplossing eisen moeite heeft om rustig te blijven en het overzicht te behouden, dat zij ten opzichte van de studenten dikwijls een toon aanneemt die ongepast is, en dat “het aangewezen is een duidelijke aanzet tot verbetering van het functioneren te geven”. Niet ten onrechte ziet het college van beroep ook in “het aanleggen door mevrouw Conings van een dossier over de incidenten tijdens het voorbije jaar” een bewijs dat zij niet onwetend kon zijn van de onvrede over haar functioneren en de noodzaak om het te verbeteren. 15.
- Voorts sluit de afwezigheid in het evaluatiedossier, van documenten in het kader van individuele maatregelen en van een schriftelijk advies ter verbetering voor het functioneren, niet uit dat verzoekster wel degelijk zou zijn gevolgd en begeleid. Alleszins verklaarde professor Naert voor het college van beroep dat hij met de individuele secretariaatsmedewerkers was gaan praten om de samenwerking op het secretariaat te verbeteren, en argumenteerden de vertegenwoordigers van de hogeschool bijvoorbeeld wat volgt : “Overigens ontkent het departementshoofd dat [er] in casu geen begeleiding zou zijn geweest. Dat daarvan geen schriftelijk neerslag is opgesteld, is correct, doch betrokkene kan niet ontkennen dat zij minstens van de voormalige departementssecretaris, inmiddels sedert 01.02.2002 gepensioneerd, XII-5376-13/16 begeleiding heeft gekregen, en dat de nieuwe departementssecretaris waar nodig heeft pogen bij te sturen, ook tijdens zijn inloopperiode. Bovendien was de voorgangster van de betrokkene, mevrouw [V.L.] steeds aanwezig in het departement waar zij nu een taak als adviseur uitvoert, en is deze herhaaldelijk bijgesprongen op verzoek van betrokkene zelf. Indien nodig kunnen deze drie personen [...] als getuigen worden gehoord”. Ook in de memorie van antwoord benadrukt verwerende partij “nogmaals” “dat er wel degelijk begeleiding heeft plaatsgegrepen door o.m. de voormalige departementssecretaris alsmede de adviseur”. Het wordt door verzoekster niet bestreden in de memorie van wederantwoord, noch -nadat in het auditoraatsverslag werd voorgesteld het middel te verwerpen- in een laatste memorie, die niet eens werd ingediend. Daar komt nog bij dat de Raad van State uit het geheel van verzoeksters betoog vóór de commissie van beroep, en in de onderhavige procedure, begrijpt dat verzoekster eerder en vooral het gebrek aan schriftelijk bewijs van de remediëring en coaching betwist, dan het gebrek aan bijstand en begeleiding op zichzelf. 15.
- De gevolgtrekking uit het voorgaande is dat verwerende partij, spijts de gewraakte afwezigheid in het evaluatiedossier van de meer vermelde stukken, verzoekster voldoende gewaarschuwd en ondersteund mocht achten. Zij moest er niet van uitgaan dat het in de concrete omstandigheden van de zaak bij voorbaat ondenkbaar was om verzoekster op het einde van de evaluatieperiode ongunstig te evalueren. 16.
- In de derde plaats, ten slotte, mag van de Raad van State niet worden verwacht dat hij zelf tot een evaluatie van verzoekster overgaat en zijn oordeel in de plaats van dat van de verwerende partij stelt. Integendeel dient hij zich als annulatierechter, in het kader van het onderzoek naar de wettigheid van de beoordeling die het college van beroep uitbracht, ertoe te beperken om na te gaan of de verwerende partij zich heeft gesteund op feiten die voor vaststaand mogen worden gehouden en die de ongunstige beoordeling van verzoekerster naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, kunnen verantwoorden. Een en ander dient in de bestreden beslissing op afdoende wijze te worden geëxpliciteerd. XII-5376-14/16 16.2 Te dezen doet de formele motivering ervan blijken dat het college van beroep het functioneren van verzoekster als onvoldoende evalueert gelet op het initiële evaluatieverslag van professor Naert en diens bijkomende toelichting, op de vaststelling dat verzoekster van sommige elementen toegaf dat ze juist zijn, en op het feit dat zij geen getuigen te harer ontlasting heeft laten oproepen en zich bijna uitsluitend op procedurekwesties heeft toegespitst. De bijkomende toelichting door het departementshoofd is verzoekster, onder de vorm van een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 22 november 2002 van het college van beroep, meegedeeld tezamen met de bestreden beslissing. Als zodanig geeft de formele motivering voldoende precies en concreet aan waarom verzoeksters functioneren als onvoldoende wordt beoordeeld en waarom haar beroep niet wordt ingewilligd. 16.
- In zoverre verzoekster laat uitschijnen dat geen enkele tekortkoming feitelijk vaststaat en dat verwerende partij alles “noodzakelijk van ‘horen zeggen’” heeft, gaat zij er gemakshalve aan voorbij dat het college van beroep zich niet het minst heeft gebaseerd op wat verzoekster zelf heeft verklaard, namelijk dat zij “alvast het veelvuldig telefoneren voor persoonlijke doeleinden tijdens de kantooruren [...] en het bestaan en blijven bestaan van een probleemsituatie op het departementssecretariaat van HABE” toegeeft. Het betreft “elementen” die de beoordeling van vier van de tien evaluatiecriteria ongunstig kleuren (“Betrokkenheid tegenover het werk”, “Betrokkenheid tegenover de werkomgeving”, “Communicatievaardigheden” en “Het leiding geven”). Het blijkt niet dat de verwerende partij, door op grond van de aangevoerde motieven tot de bestreden evaluatie te hebben besloten, de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan. Het enkele feit dat verwerende partij, binnen haar een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, mogelijk ook tot een andere conclusie kon zijn gekomen, spreekt dat niet tegen. Het is nu eenmaal eigen aan de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid dat ze in principe tot uiteenlopende beslissingen kan leiden - uiteenlopende beslissingen die nochtans elk de toets van de redelijkheid kunnen doorstaan. XII-5376-15/16 16.
- Het wordt dan ook niet bijgevallen dat, zoals verzoekster in de memorie van wederantwoord stelt, het bestreden besluit “zonder beredenering - tenzij dan louter ter kwader trouw-, zonder het zoeken van een verantwoording en precisering” tot stand is gekomen.
- Het vierde middel wordt in zijn geheel verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. P. LEMMENS. XII-5376-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.