id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.670 Rolnummer: A. 188846/XIV-30403 Zaak: Arrest 188670 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 09:26 Fiche Arrest nr 188.670 van 9 december 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.670 van 9 december 2008 in de zaak A. 188.846/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 4 juli 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 11.907 van 28 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3058 van 10 juli 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché K. MAES, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-30.403-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bijWet van 26 juni 1953, schending van artikel 1 van het Internationaal Verdrag van Genève betreffende de Vluchtelingen en de Staatlozen ondertekend op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, B.S. 4 oktober 1953 en schending van artikelen 48 en 48/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S. 31 december
- III.
- Overwegende dat de Heer XXX kan niet met de motivatie van de tegenpartij instemmen. Dat deze feiten die, door de verzoeker aan de hand van zijn asielaanvraag worden aangevoerd, vormen vanaf en tijdens een vervolging aan de richting van het Verdrag van Genève. Overwegende dat voor het CGVS blijkt dat er geen enkel geloof kan gehecht worden aan de authenticiteit van deze documenten. Dat hij baseert zich op de opmerkingen van beide advocaten die werken samen met twee Westerse ambassades in Teheran voor de authentificatie van documenten. Dat het verrassend is vast te stellen dat men de identiteit van deze personen niet kent en dat bovendien geen enkele concrete verklaring wat de gebruikte modaliteiten betreft wordt gegeven om te bepalen slechts documenten zijn vals. Dat het feit om de echtheid van documenten aflossen van de bevoegdheid van de gerechte- lijke autoriteiten en/of politie en niet van twee burgerlijke personen te bepalen, zelfs advocaten. Dat de beslissing hervormd moet worden;”; 1.1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vermits hij een administratief rechtscollege is; dat verzoeker letterlijk en integraal de uiteenzetting citeert opgenomen onder het eerste middel in zijn op 26 januari 2008 bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingediende beroepschrift; dat hij daarbij nalaat aan te geven op welke wijze de betreffende uiteenzetting de wettigheid van het thans bestreden arrest vermag in het gedrang te brengen; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; XIV-30.403-2/5 1.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “III.
- Schending van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). III.
- Indien de rechtbank toch van oordeel zou zijn dat verzoeker valt onder de uitsluitingsgrond in tegenstelling tot wat hierboven uiteen is gezet, dan dient aan verzoeker toch nog de subsidiaire beschermingsstatus te worden toegekend. In een recente publicatie stelt het UNHCR: “Consequences of Exclusion Persons to whom an exclusion clause applies are not eligible for refugee status. They cannot benefit from international protection under the 1951 Convention, nor under UNHCR’s mandate. However, they may still be protected against return to a country where they are at risk of ill-treatment by virtue of other international instruments.” (UNHCR’s Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylumseekers, August 2007", p. 139-150) Vrije vertaling: “Gevolgen van de uitgesloten personen op wie een uitsluitingsclausule van toepassing is zijn net van verkiesbaar voor vluchtelingenstatus. Zij kunnen niet genieten van internationale bescherming onder de Conventie van 1951, noch enig UNCHR mandaat. Niettegenstaande, kunnen zij nog beschermd worden tegen hun terugkeer naar een land waar zij in gevaar zijn voor slechte behandeling omwille van(. J)andere internationale instrumenten.” “The application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees” bepaalt daarenboven:”An excluded individual may still be protected against return to a country where he or she is at risk of ill-treatment bij virtue of other international instruments. For example, the 1984 Convention Against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment absolutely prohi bits the return of an individual to a country where there is a risk that he or she will be subjected to torture. Other international and regional human rights instruments contain similar provisions.” (UNHCR’s GUIDLINES ON INTERNATIONAL PROTECTION: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees, 4 september 2003, p.4) Vrije vertaling: “Een uitgesloten persoon kan nog steeds beschermd worden tegen hun terugkeer naar een land waar zij in gevaar zijn voor slechte behandeling omwille van andere internationale instrumenten. Bijvoorbeeld verbiedt de Conventie tegen Folteringen en andere Gruwelijke, Onmenselijke en Vernede- rende Behandelingen en Bestraffing van 1984, de terugkeer van een individu naar een land waar het risico bestaat waar hij of zij aan foltering onderworpen zou worden. Ander internationale en regionale mensenrechten instrumenten bevatten gelijkaardige provisies.” De richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004, zoals omgezet in artikel 48/4 Vreemdelingenwet, stelt dat van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te dat wanneer hij naar zijn land van herkomst (...) terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 (...), recht heeft op subsidiaire bescherming. Paragraaf van artikel 48/8 Vreemdelingen verwijst in punt 2 uitdrukkelijk naar foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van verzoeker in zijn land van herkomst en/of ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Verweerster erkent dat in Zuid-Irak de situatie uitermate onveilig is om mensen aldaar terug te sturen. XIV-30.403-3/5 “Uit een grondige analyse van de actuele situatie in Irak blijft dat er in Zuid- Irak een reëel risico bestaat van ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict (art. 48/4 § 2 c van de gecoördineerde Vreemdelingenwet).” In de bestreden beslissing stelt verweerster bovendien dat een gegronde vrees voor vervolging -zelfs- in de zin van de vluchtelingenconventie allerminst kan worden uitgesloten. Volledig ten onrecht, stelt verweerster dat verzoekster evenmin in aanmerking komt voor het statuut van subsidiaire bescherming. Dat de beslissing deze rechtsregel schendt.”; 1.2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vermits hij een administratief rechtscollege is; dat verzoeker eraan voorbijgaat dat zijn beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet wordt verworpen omdat hij onder de uitsluitings- grond van artikel 1, F, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelin- gen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, zou vallen, doch wel omdat hij door het voorleggen van valse documenten bewust getracht heeft de Belgische asielinstanties te misleiden en derhalve niet over het wettelijk vereiste belang bij zijn beroep beschikt; dat het bestreden arrest voorts geen motief bevat, ontleend aan de vaststelling “dat verzoekster evenmin in aanmerking komt voor het statuut van subsidiaire bescherming”, zodat niet kan worden ingezien, laat staan wordt verduidelijkt op welke wijze het bestreden arrest artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen schendt; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.
- Overwegende dat, aangezien het beroep geen ontvankelijk rechtsmiddel bevat, het zelf niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- XIV-30.403-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.403-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.