id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.672 Rolnummer: A. 178197/XIV-27086 Zaak: Arrest 188672 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 09/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 09:26 Fiche Arrest nr 188.672 van 9 december 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.672 van 9 december 2008 in de zaak A. 178.197/XIV-27.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat T. VAN MEERBERGEN, kantoor houdende te 2460 KASTERLEE, Markt 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 2 november 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 21 september 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandstali- ge Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat T. VAN MEERBERGEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-27.086-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “Afgeleid uit artikel 62 van de Wet van 15 december
- Dat de bestreden beslissingen niet of althans onvoldoende met redenen zijn omkleed. Dat daaruit geenszins een afweging blijkt tussen de belangen van verzoekster enerzijds en van de Staat anderzijds. Dat het belang van de Staat bij de maatregel nihil is. Dat integendeel schade die aan verzoekster zou berokkend worden enorm is. Dat bijgevolg bovenvermelde bepaling is geschonden bij gebreke aan afdoende motivering. En terwijl - de middelen tegen de overwegingen in hun geheel genomen - en artikel 62 van voornoemde Vreemdelingenwet - en de rechtspraak van de Raad van State (dd. 25.9.1986 nr. 26933) - en artikel 8 juncto artikel 14 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens - en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen stellen dat de motivering in feite en in rechte afdoende moet zijn, en dat uit alle motieven zelf moet blijken dat de Overheid heeft afgewogen of een evenredigheid bestaat tussen de motieven en de door de maatregel veroorzaakte gevolgen. Dat de Vaste Beroepscommissie het hoger beroep van verzoekster ongegrond verklaart stellende dat de verklaringen van verzoekster niet steeds in overeenstemming zijn met de algemeen bekende feiten. Dat vooreerst de vraag dient te worden gesteld, wat algemeen bekende feiten zijn. Dat het subjectief element hier ook bepalend is. Dat verzoekster een huisvrouw is met 4 kinderen, waarvan er 1 gedood werd. Dat verzoekster de islam als godsdienst heeft en slechts geringe studies heeft genoten. Dat verzoekster er enkel naar streefde haar gezin te laten overleven in een land van oorlog en wetteloosheid. Dat in dat opzicht, hierbij rekening houdende met het tijdsverloop, het verzoekster niet verweten kan worden niet de exacte datum van een bombardement te kunnen weergeven, niet te kunnen meedelen dat er sedert 2000 nieuwe binnenlandse paspoorten werden uitgegeven (daar waar ze trouwens sedert 1999 is gevlucht uit Tsjetsjenië), enzoverder. Dat volgens de Vaste Beroepscommissie geen geloof kan worden gehecht aan de bewering van verzoekster, in Urus Martan of Nazran te hebben verbleven en bij gebreke aan feitelijke gegevens niet kan worden nagegaan of verzoekster in Tsjetsjenië een permanente verblijf of woonplaats heeft gehad. Dat evenwel verzoekster nooit is gevraagd een dorpsplan te tekenen, straatnamen te noemen, bekende gebouwen te vermelden, omliggende dorpen aan te geven (uitgezon- derd dan de weg van Urus Martan naar Nazran). Dat het als vluchteling vaak niet evident is feitelijke gegevens bij te brengen zoals een geschrift. Dat het enige wat verzoekster kan bijbrengen de geboorteakten zijn van de kinderen (uitgezonderd dit van XXX, haar overleden dochter). Dat verzoekster de vertalingen hiervan bijbrengt in het kader van huidige procedure. Dat de Vaste Beroepscommissie kan vaststellen via de tolk dat verzoekster de Tsjetsjeense taal machtig is. XIV-27.086-2/5 Dat er dan ook geen enkele reden kan zijn dat verzoekster de Tsjetsjeense nationaliteit heeft en op grond hiervan dient te worden erkend als vluchteling (zie verder). Dat de Vaste Beroepscommissie dan ook ten onrechte stelt dat verzoekster niet aantoont geen vluchteling te zijn in de zin van de Conventie van Genève. Dat hierbij dient te worden opgemerkt dat: De verklaringen van verzoekster kunnen zonder meer een voldoende bewijs zijn van haar hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (Hathaway J., The law of refugee status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De verklaringen van verzoekster zijn zonder meer coherent en plausibel en niet in strijd met de algmeen bekende feiten (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1979, nr. 205). Bovendien kan de juistheid van alle aangehaalde feiten niet meer met zekerheid worden vastgesteld, waardoor de geloofwaardigheid van het verhaal van verzoekster van die aard is dat minstens het voordeel van de twijfel dient te worden toegekend (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1979, nr. 203-204). Er is dan ook geen enkele redenen om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van het verhaal van verzoekster. Dat de bestreden beslissing derhalve niet of althans onvoldoende met redenen zijn omkleed; Zodat die motieven niet evenredig zijn en zelfs in wanverhouding met het gestelde doel, en op onevenredige wijze de ingeroepen rechten van verzoekster aantasten, en in verder orde haar leven en haar vrijheid in gevaar kunnen brengen.”; 1.1.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat voor zover verzoekster de schending aanvoert van artikel 8 juncto artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, het middel niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een verwijderingsmaat- regel te nemen, uitsluitend over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene uitspraak wordt gedaan; dat, zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, refererend aan J.C. HATHAWAY en de “Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié” van het UNHCR, op goede gronden stelt, “de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs (kunnen) zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn” en moeten “de verklaringen plausibel (...) zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten”; dat in casu uit de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat dit naar het oordeel van de Vaste Beroepscommissie niet het geval is; dat het uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen over de mogelijkheid waarin de vreemdeling zich bevindt om stavingsstukken (onder meer omtrent de identiteit en woon- en/of verblijfplaats) bij te brengen, om te oordelen over de bewijswaarde van de voorgelegde stukken, om te oordelen of voor de gebrekkige kennis van de Tsjetsjeense situatie een aannemelijke verklaring werd gegeven en om te oordelen of de door haar gedane vaststellingen van die aard zijn dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt XIV-27.086-3/5 ondermijnd; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 1.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “Afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de fundamentele rechten van de mens zoals die blijken uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Doordat de Vaste Beroepscommissie stelt dat verzoekster niet aantoont dat zij de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit niet kan of wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens haar ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of haar politieke overtuiging in de zin van artikel 1A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli
- Terwijl de bestreden beslissing nalaat de passende belangenafweging te maken er geen enkele feitelijke omstandigheid in aanmerking werd genomen. Uit uniforme informatie blijkt dat de menenrechten op grote schaal worden geschonden in Tsjetsjenië. Uit de bestreden beslissingen blijkt nergens dat er wordt getwijfeld dat verzoekster de Tsjetsjeense nationaliteit heeft en de Tsjetsjeense taal spreekt. Dat verzoekster dan ook bij een eventuele terugkeer naar haar land van herkomst mogelijks wordt onderworpen aan folteringen of onmenselijke en vernederende behandelingen of straffen, met wellicht met dood tot gevolg. De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 3 van het EVRM. Volgens de interpretatie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het niet mogelijk om een vreemdeling uit te wijzen naar een land waar een risico voor zijn leven bestaat (EHRM 15.11.1996, Chahal vs. U.K., TVR 1997, 283). Er kan geen twijfel over bestaan dat Tsjetsjenië een dergelijk land is. Dat om voornoemde redenen, de franstalige kamers van de Vaste Beroepscommissie, personen de hoedanigheid van vluchtelingen toekennen van zodra blijkt dat ze de Tsjetsjeense nationaliteit hebben (hierbij ongeacht hun verklaringen omtrent hun vluchtrelaas). Zie beslissingen 04-3130/F1953/cd; 04-2997/F2030/cd. Dat hierbij ook naar de recente rechtspraak dient te worden verwezen van de Raad van State en meer bepaald een arrest van 9.2.
- Het hoeft geen betoog dat er binnen éénzelfde land verschillende visies zijn omtrent éénzelfde problematiek, niet mogelijk zijn en dergelijke diversiteit bezwaarlijk in overeenstemming te brengen is met het zorguvuldigheidsbeginsel.”; 1.2.
- Overwegende dat, zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing terecht opmerkt, zij “niet bevoegd is om het asielrelaas te toetsen aan dit Verdrag” en zij “enkel bevoegd is om, bij de beoordeling van de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de hoedanigheid van vluchteling te weigeren of te erkennen”; dat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. dan ook niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overigens haar bevoegdheid zou overschrijden mocht zij, wegens het belang van de zaak voor hem, een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden, toch als vluchteling erkennen; dat niet blijkt dat verzoekster voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een middel heeft ontwikkeld, ontleend aan de rechtspraak van de Franstalige kamers van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen XIV-27.086-4/5 inzake vluchtelingen van Tsjetsjeense origine; dat zij zulks niet voor het eerst voor de Raad van State kan aanvoeren; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.
- Overwegende dat, aangezien het beroep geen ontvankelijk rechtsmiddel bevat, het zelf niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-27.086-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div