← België

Arrest 188677 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 09/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.677 Rolnummer: A. 176925/XIV-26709 Zaak: Arrest 188677 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 09/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 09:27 Fiche Arrest nr 188.677 van 9 december 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.677 van 9 december 2008 in de zaak A. 176.925/XIV-26.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DECRAMER, kantoor houdende te 8940 WERVIK, Nieuwstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, beweerd staatloos, op 5 september 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 juli 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 22 september 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 november 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. WAEGEMANS die, loco Advocaat M. DECRAMER verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-26.709-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “

(1)Schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de vreemdelingenwet en artikel 1 van de Conventie van Genève. De beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen dd. 18.07.06 is in strijd met Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Aan de motiveringsplicht die door deze wet wordt opgelegd is niet op een voldoende wijze voldaan. Tevens wordt art. 62 van de Vreemdelingenwet geschonden. Evenmin werd artikel 1 van de Conventie van Genève gerespecteerd. Verzoeker kan zich niet akkoord verklaren met de vaststelling van de Vaste Beroeps- commissie dat hij niet voldoet aan de criteria die werden vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag (Conventie van Genève van 28 juli 1951) en hij niet als Vluchteling kan worden erkend. Verzoeker ontkent ongeloofwaardige verklaringen te hebben afgelegd. Verzoeker ziet niet in waarom hij andere verklaringen zou hebben afgelegd. Verzoeker kan hieruit enkel afleiden dat hij verkeerd werd begrepen voor de verschillende asielinstanties. Verzoeker wijst erop dat deze tegenstrijdigheden daarenboven pas gevonden worden na een minutieus vergelijken van beide verklaringen. Deze kleine tegenstrijdigheden zijn niet zwaarwichtig genoeg om daaruit af te leiden dat het relaas van verzoeker weinig aannemelijk zou zijn. Verzoeker wijst er tevens op dat in zoverre er sprake is van incoherenties, quod non, deze incoherenties geenszins de kern van haar asielrelaas raken. Voor de toepassing van het Verdrag van Genève geldt als “vluchteling” “elke persoon: Die, [...] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren. Indien een persoon meer dan één nationaliteit bezit, betekent de term “het land waarvan hij de nationaliteit bezit” elk van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit. Een persoon wordt niet geacht van de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, verstoken te zijn, indien hij, zonder geldige redenen ingegeven door gegronde vrees, de bescherming van één van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit, niet inroept. De Vaste Beroepscommissie stelt dat zij geen geloof kunnen hechten aan de verklaring- en van verzoeker. Verzoeker wenst er evenwel op te wijzen dat hij geenszins de intentie had enige verwarring te stichten. Verzoeker ziet niet in hoe de Vaste Beroepscommissie tot deze beslissing komt. Hij heeft geenszins bedrog gepleegd. Hij maakte geen gebruik van valse documenten, zo dit het geval mocht zijn, dan was verzoeker geenszins hiervan op de hoogte. De intentie om de Belgische autoriteiten te misleiden was in zijn hoofde evenmin aanwezig. Verzoeker wijst erop dat tevens tijdens de verhoren voor het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen voorbehoud werd gemaakt over de inhoud van het document van BPP. De Vaste Beroepscommissie wijst er tevens op de verzoeker weinig geloofwaardige verklaringen aflegde omtrent zijn reisweg naar België. Zij is ervan overtuigd dat verzoeker wel degelijk wist met welke reisdocumenten hij van India naar Europa reisde. XIV-26.709-2/5 Verzoeker herhaalt dat de smokkelaar alles in zijn plaats zou regelen en mogelijke vragen zou beantwoorden. Door het Vaste Beroepscommissie wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheden van verzoeker. Verzoeker, die jarenlang als huisknecht heeft gefunctioneerd, was geenszins in staat voor zichzelf te zorgen. De meeste elementaire bewegingen vormden voor verzoeker een probleem. Verzoeker meent dan ook dat de immigratiediensten om deze redenen niet over zijn gegaan tot een individuele identiteitscontrole. Verzoeker wenst er evenwel op te wijzen dat zijn vrees tot vervolging geenszins uit de lucht is gegrepen. Verzoeker meent dan ook dat in zijn hoofde minstens ernstige aanwijzingen zijn van een vrees tot vervolging zoals omschreven in artikel 1 van de Conventie van Genève. Verzoeker kon dan ook geenszins de bescherming inroepen van het land waar hij van afkomstig (is), nu hij zelf door deze autoriteiten wordt gezocht. Verzoeker meent dan ook dat in zijn hoofde een geldige reden aanwezig was om de bescherming van de autoriteiten niet in te roepen. Verzoeker meent dan ook dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen ten onrechte besliste dat hij niet voldeed aan art. 1 van de Conventie van Genève.”; 1.1.2. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, de bestreden beslissing niet in het minst steunt op tegenstrijdigheden en incoherenties, doch wel op de vaststelling dat hij geen enkel nuttig gegeven kent over India en New Delhi en aldus niet aannemelijk maakt dat hij in India verbleven heeft, op zijn onvolledige en vage verklaringen omtrent zijn reisweg, op de vaststelling dat hij geen informatie neerlegt waaruit blijkt dat Lhotsampa’s ongewenst zijn in India of gedeporteerd worden en op de vaststelling dat de door verzoeker neergelegde documenten (o.a. een brief van “BPP”) niet authentiek zijn en zijn verklaringen door de BPP worden ontkend; dat het uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen of en in hoeverre het voorleggen van valse documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas ondermijnt en in hoeverre van de kandidaat- vluchteling mag worden verwacht dat hij zijn reisweg kan beschrijven; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overigens genoegzaam motiveert waarom het voorleggen van de niet-authentieke brief van “BPP” de geloofwaardigheid van verzoekers relaas ondermijnt, met name omdat “de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen inlichtingen inwon bij de BPP; dat daaruit blijkt dat appellants vader onbekend is en ook over appellant niets is geweten; dat de verklaringen van appellant dat XXX hem naar een BPP-kantoor bracht waar de Bhutaanse vluchtelingen zijn vader kenden, door henzelf wordt ontkend; dat reeds werd gesteld dat appellant ter zitting bijzonder vaag is over zijn reis naar Gossaigaon; dat hij zijn reisweg naar het BPP-kantoor niet minimaal kan beschrijven en ook op dit punt ongeloofwaardig voorkomt;”; dat het eerste middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: XIV-26.709-3/5 “
(2)Schending van art. 3 E.V.R.M. De beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen is in strijd met art. 3 E.V.R.M.. Krachtens art. 3 E.V.R.M. mag niemand worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Door deze beslissing krijgt verzoeker het bevel het grondgebied te verlaten. Verzoeker beschikt niet over de nodige documenten om naar een derde land te reizen. Het verlaten van het Belgische grondgebied staat voor verzoeker gelijk met een terugkeer naar Buthan. Indien verzoeker teruggewezen zou worden naar Iran, zal dit een zodanige psychologi- sche ontreddering teweegbrengen bij verzoeker. Een gedwongen terugkeer zal in dit geval overeenstemmen met een behandeling die door art. 3 E.V.R.M. verboden is. Verzoeker wijst op huidige situatie in Buthan Er was weinig hoop op een duurzame oplossing voor meer dan honderdduizend vluchtelingen uit het zuiden van Bhutan die in kampen in Oost-Nepal verbleven. Nepaleessprekende mensen in het zuiden van Bhutan werden nog altijd gediscrimi- neerd. In maart schafte Bhutan de doodstraf af. http://www.amnesty.nl/landen-jaarboek/2766#feiten Tot december 2003 waren in een aantal gebieden in het zuiden van Bhutan Indiase afscheidingsbewegingen actief. Deze bewegingen zijn in december 2003 het land uitgezet. Sindsdien is slechts nog in de districten Samdrup Jonkhar en Gaylephug sprake van een avondklok. Indien Nederlanders deze gebieden wensen te bezoeken, dienen zij vooraf contact op te nemen met hun reisorganisatie in Bhutan en/of de lokale autoriteiten. http://www.minbuza.nl/nl/reizenlanden/reisadviezen,reisadvies-bhutan.html Een gedwongen terugkeer zal in dit geval overeenstemmen met een behandeling die door art. 3 E.V.R.M. is.”; 1.2.
  1. Overwegende dat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat het tweede middel niet ontvankelijk is;
  2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. XIV-26.709-4/5 Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-26.709-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.677 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.