← België

Arrest 188707 - Milieuvergunningen - 11/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.707 Rolnummer: A. 131467/VII-28713 Zaak: Arrest 188707 - Milieuvergunningen - 11/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-22 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 09:44 Fiche Arrest nr 188.707 van 11 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.707 van 11 december 2008 in de zaak A. 131.467/VII-28.713. In zake : Frans MONS, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT, B. ROELANDTS en T. MALFAIT, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. tussenkomende partij : Raphaël MOUTON, die woonplaats kiest bij advocaat A. PATYN, kantoor houdende te EVERGEM, Schoonstraat 64. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans MONS op 7 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "het besluit dd. 31 oktober 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing dd. 4 juni 2002 van het college van burgemeester en schepenen van Destelbergen houdende afgifte van de milieuvergunning aan de heer Rafaël MOUTON, Dries 38, 9070 Destelbergen, voor het verder exploiteren van een rundveebedrijf, gelegen aan de Dries 39 te 9070 Destelbergen, kadastraal gekend onder Destelbergen (Heusden), 4/ afdeling, sectie B, nr. 149c"; Gelet op het arrest nr. 120.128 van 4 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-28.713-1/21 Gelet op het arrest nr. 176.997 van 22 november 2007 waarbij het eerste middel niet gegrond wordt bevonden, de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DE MAESSCHALCK die, loco advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT, B. ROELANDTS en T. MALFAIT verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris F. COCRIAMONT die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat A. PATYN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat met betrekking tot de gegevens van de zaak wordt verwezen naar het arrest van de Raad van State nr. 176.997 van 22 november 2007; 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 5.9.2.1, § 1, juncto artikel 5.9.10.1 van het besluit van de VII-28.713-2/21 Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van artikel 5.9.8.1 van Vlarem II, van het beginsel van preventief handelen, opgenomen in artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en vervat in artikel 30bis, § 1, juncto artikel 43ter van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) doordat de verwerende partij - in de wetenschap dat de runderen zullen worden gehouden in stallen die volgens de verklaringen van de exploitant meer dan twintig jaar oud en totaal ongeschikt zijn, nu deze uit niet-duurzame materialen zijn opgetrokken en niet afdoende geventileerd worden - niettemin de milieuvergunning verleent, "terwijl, 1/ enerzijds artikel 5.9.2.1, §1 van Vlarem II bepaalt dat een stal met duurzame en degelijke materialen moet zijn opgericht, dit overeenkomstig een code van goede praktijk, of bij ontstentenis daarvan, volgens de regels van goed vakmanschap, 'derwijze dat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast' en anderzijds artikel 5.9.8.1 van Vlarem II stipuleert dat de ventilatie van de stallen zodanig moet zijn uitgevoerd dat de verontreiniging van de omgevingslucht wordt voorkomen of beperkt, 2/ door verschillende overheidsinstanties bij herhaling werd vastgesteld dat de inrichting van de heer MOUTON wel degelijk geur- en geluidshinder veroorzaakt, hinder die precies voortvloeit uit de gebrekkige constructie en infrastructuur van de stallen en - gezien vanuit het standpunt van de verzoeken- de partij - des te meer vaststaat, nu diens woning op amper 5 m van de rundveestal is ingeplant, 3/ de bestendige deputatie zich bij haar vergunningenbeleid dient te laten inspireren door het beginsel van het preventief handelen, overeenkomstig hetwelk het beter is milieuverontreiniging en hinder te voorkomen, eerder dan de gevolgen achteraf te moeten bestrijden, en 4/ het bevestigen van een milieuvergunning zonder opname van bijzondere milieuvoorwaarden die de naleving van de artikelen 5.9.2.1, §1, 5.9.10.1 en 5.9.8.1 van Vlarem II daadwerkelijk kunnen garanderen, een kennelijke schending van dit beginsel van milieubeleid uitmaakt, schending die, gelet op de eigen specifieke verantwoordelijkheid van een zorgvuldig handelende vergunningverlenende overheid op het moment van de vergunningverlening, juridisch geenszins kan worden gerelativeerd door een verwijzing naar de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid, waarvan trouwens naar genoegen is aangetoond dat deze er niet is in geslaagd de jarenlange illegale exploitatie een halt toe te roepen, en terwijl bijgevolg meer specifiek uit (het beginsel van preventief handelen vervat

  1. in)artikel 30bis van Vlarem I voortvloeit dat primo een vergunning maar kan worden verleend wanneer die vergunning voorwaarden bevat die garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen van (in casu artikel 5.9.2.1, §1, 5.9.10.1 en 5.9.8.1 van) Vlarem II en de vergunning moet worden geweigerd wanneer dit niet het geval is, VII-28.713-3/21 secundo de overheid - zeker ingeval van twijfel - zich geenszins mag/kan verlaten op de bevindingen van de exploitant zelf (of een door hem aangestelde derde), maar zelf de nodige onderzoekingen moet verrichten en hieruit de passende conclusies dient te trekken, tertio de milieuvergunningsvoorwaarden bovendien ook zodanig moeten worden vastgesteld dat - overeenkomstig de EU-richtlijn 96/61/EG dd. 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontrei- niging - rekening is gehouden met de algemene beginselen bedoeld in artikel 43ter Vlarem I (artikel 30bis, §2, 1/ Vlarem I), en terwijl in casu dient vastgesteld dat - spijts de bezwaren die hieromtrent werden geuit - hieraan nergens in het bestreden besluit enige overweging wordt gewijd, maar de bestendige deputatie er schijnbaar is vanuitgegaan dat de voorwaarden die door het college van burgemeester en schepenen werden opgelegd, ter zake afdoende zouden moeten zijn, en terwijl dit geenszins het geval is, nu in artikel 4 van het door de bestendige deputatie bevestigde besluit dd. 4 juni 2002 van het college van burgemeester en schepenen de volgende bijzondere voorwaarde aan de milieuvergunning werd gekoppeld (...): 'Binnen de 6 maanden te rekenen vanaf de datum van onderhavige milieuvergunning moet de exploitant een onafhankelijke deskundige aanstellen die een onderzoek uitvoert inzake de conformiteit van de stallen aan de bepalingen van de afdeling 5.9.2. van Vlarem II (constructievoor- schriften voor stallen en mestopslagplaatsen). Het gedetailleerde verslag van de deskundige moet binnen de gestelde termijn ter kennis worden gebracht van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Destelbergen. De stallen mogen niet in gebruik worden genomen zolang ze niet conform zijn verklaard door een deskundige aan de bepalingen van afdeling 5.9.2. van Vlarem II', en terwijl hieruit enerzijds duidelijk blijkt dat de vergunningverlenende overheid eigenlijk niet weet of de stallen überhaupt wel een milieuhygiënische exploitatie (op 5 m van de woning van de verzoekende partij) toelaten, onzekerheid die met zoveel woorden ook in de aanhef van het bestreden besluit te lezen staat, nu hierin wordt gesteld dat de exploitatie misschien wel tot geurhinder aanleiding zal geven, doch dat dit dan wel 'maar' beperkt zou zijn over de maanden december t.e.m. maart, periode waarin de dieren niet worden beweid (zie bestreden besluit, p. 6, al. 3: 'dat de eventuele geurhinder veroorzaakt door de stallen van runderen en bijhorende mestopslag (100 m³) beperkt is ...'), en terwijl hieruit anderzijds tevens blijkt dat de bestendige deputatie zich niet eens de moeite heeft genomen zelf te onderzoeken of de stallen (en bijhorende mestopslag) wel Vlarem-conform zijn, maar zowel het onderzoek als de conformverklaring ervan heeft toevertrouwd aan een zgn. 'onafhankelijke' deskundige, die evenwel door de exploitant - naar eigen goeddunken - kan worden aangewezen, niettegenstaande de antecendenten van het dossier ten overvloede hebben aangetoond dat geen vertrouwen kan worden gesteld in de exploitant (zie hoger), en terwijl aldus de verdere milieuhygiënische beoordeling, waaromtrent in het bestreden besluit nochtans onzekerheid werd geuit (zie hoger), de facto wordt overgelaten aan de exploitant zelf, nu het zal volstaan een loutere (ongemotiveerde) conformverklaring door een of andere 'welwillende' deskundige voor te leggen om de volgende 20 jaar 110 runderen te houden op 5 m van de woning van de verzoekende partij en dit buiten elke verdere legaliteitscontrole om en zonder mogelijkheid tot tegen- of inspraak en zonder de minste afdwingbare, directe rechtsbescherming voor de omwonenden"; VII-28.713-4/21 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de bijzondere voorwaarde benadrukt die werd opgelegd waarin uitdrukke- lijk is gesteld dat het om een onafhankelijke deskundige moet gaan en wordt gepreciseerd wie dat kan zijn, dat verder de resultaten van dit onderzoek binnen de zes maanden na het verlenen van de vergunning moeten worden voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Destelbergen, dat de stallen niet in gebruik mogen worden genomen zolang de deskundige deze niet conform de Vlarem II - voorschriften heeft verklaard, dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 47, § 1, van Vlarem I het schepencollege over de mogelijk- heid beschikt om over te gaan tot de gedeeltelijke schorsing of opheffing van de vergunning indien de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd, dat verzoeker er nu al van uit gaat dat de deskundige niet onafhankelijk zal zijn, dat hij er impliciet van uit gaat dat het schepencollege de exploitant ter wille zal zijn, dat door bij voorbaat de uitvoering van de opgelegde exploitatievoorwaarden in twijfel te trekken, verzoeker zonder meer het nut van het opleggen van exploitatievoorwaar- den in twijfel trekt; 2.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst in eerste instantie opmerkt dat er inzake de constructie van rundveestallen veel minder eisen worden gesteld dan inzake de constructie van varkens- en kippenstallen, dat rundvee immers veel minder hinder veroorzaakt dan varkens en kippen; dat zij voorts stelt dat de rundveestallen wel oud zijn, maar dat dit allerminst impliceert dat zij ongeschikt zouden zijn voor het houden van runderen, dat het feit dat de rundveehouderij geur- en geluidshinder zou veroorzaken nooit werd vastgesteld en ook nooit zal worden vastgesteld, aangezien de rundvee- houderij niet van aard is om geur- en geluidshinder te veroorzaken, dat zij in die omstandigheden niet inziet wat de relevantie is van de opname van bijzondere milieuvoorwaarden in de milieuvergunning van een klasse 2- inrichting als de hare, dat de algemene beginselen bedoeld in artikel 43ter van Vlarem I evenmin worden geschonden door bij hernieuwing van de milieuvergunning voor bestaande stallen, na onderzoek door en gunstig advies van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (hierna : AMINAL) en de provinciale milieudeskundige, de ingebruikname van de stallen bijkomend nog eens afhankelijk te stellen van de doorlichting van het bedrijf door een onafhankelijke deskundige, dat integendeel, dit precies nog een bijkomende garantie is, dat in tegenstelling tot wat verzoeker stelt, uit de overweging dat eventuele geurhinder tengevolge van het stallen van runderen en bijhorende mestopslag beperkt is, aangezien de runderen slechts vier maanden per jaar op de inrichting worden gestald, zeker niet kan worden afgeleid dat de VII-28.713-5/21 verwerende partij onzeker is over de vraag of de stallen wel een milieuhygiënische exploitatie toelaten, dat deze overweging immers wordt voorafgegaan door de vaststelling dat de adviserende diensten stellen dat de milieuhinder voor de onmiddellijke omgeving, mits het naleven van de door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Destelbergen voorgestelde milieuvergunningsvoor- waarden, tot een aanvaardbaar niveau beperkt zou kunnen blijven en de vaststelling dat de hinder afkomstig van het bedrijf drastisch zal worden beperkt aangezien de exploitatie van de varkenshouderij wordt stopgezet, dat ook de bewering dat de verwerende partij zich niet eens de moeite heeft genomen om zelf te onderzoeken of de stallen en bijhorende mestopslag wel "Vlarem-conform" zijn, niet opgaat, dat de verwerende partij zich heeft laten informeren door de adviezen van AMINAL en van de provinciale milieudeskundige die allebei gunstig waren, dat het feit dat de verdere exploitatie van het bedrijf bijkomend nog eens afhankelijk wordt gesteld van de doorlichting van het bedrijf door een onafhankelijke deskundige precies nog een bijkomende garantie is; 2.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie verwijst naar het arrest van de Raad van State nr. 173.397 van 12 juli 2007, dat betrekking heeft op de exploitatie van stallen vlakbij de woningen van de verzoekende partijen in die zaak; dat verzoeker volgend fragment uit dat arrest citeert : "(...) dat de omstandigheid dat een vergunningsaanvraag voldoet aan de verbods- en afstandsregels van Vlarem II niet wegneemt dat de vergunningverlenende overheid, gebruik makend van haar discretionaire bevoegdheid, de plicht heeft elke aanvraag te beoordelen, rekening houdend met alle feitelijke gegevens, inzonderheid de kenmerken van de inrichting en de plaatselijke toestand; dat bij de beoordeling van de vraag of de aan de exploitatie van een in agrarisch gebied gelegen landbouwbedrijf verbonden ongemakken de omgeving al dan niet overmatig zullen belasten, er rekening mee moet worden gehouden dat de agrarische gebieden, precies omdat ze uitsluitend voor landbouw zijn bestemd, minder gevoelig zijn voor hinder voortvloeiend uit die exploitatie en dat om die reden aldaar een hogere tolerantiedrempel kan worden gevergd ten opzichte van de ongemakken die voortspruiten uit agrarische activiteiten; dat het in dergelijk geval noodzakelijk blijft dat uit de motivering van het vergunningsbesluit op afdoende wijze blijkt dat de vergunningverlenende overheid de bezwaren die in de beroepschriften met betrekking tot de door de inrichting veroorzaakte hinder voor de omwonenden werden geformuleerd, behoorlijk -dit wil zeggen rekening houdende met de concrete, specifieke gegevens van de zaak- heeft onderzocht; (...) dat de hinderlijkheid van de inrichting bijgevolg niet concreet is onderzocht rekening houdend met de specifieke gegevens van de zaak, inzonderheid de ligging van de aangevraagde varkensstal ten opzichte van de omliggende bewoning en de kenmerken ervan; dat het bestreden besluit evenmin afdoende antwoordt op de bezwaren die in de beroepschriften zijn uiteengezet omtrent VII-28.713-6/21 de hinderlijkheid van de inrichting en de ligging ervan ten opzichte van de meest nabije bewoning; dat de in de beroepschriften uiteengezette bezwaren worden afgedaan door het niet nader uitgewerkte argument dat de in eerste aanleg opgelegde vergunningsvoorwaarden een voldoende garantie bieden dat de omgevingshinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; dat alleen al om reden dat de beroepsindieners in hun beroepschriften hebben gewezen op de specifieke toestand ter plaatse en hebben aangevoerd dat die voorwaarden niet zouden volstaan om de hinder binnen aanvaardbare perken te houden, deze motivering te algemeen is; dat het eerste middel bijgevolg gegrond is"; dat verzoeker voorts stelt dat, zoals het tussenarrest van de Raad van State nr. 176.997 van 22 november 2007 in onderhavige zaak terecht aanhaalt, het bestreden besluit geen gedetailleerde beschrijving van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving bevat, dat nergens een gemotiveerde toetsing terug te vinden is, dat aan de exploitatie van de rundveestal dermate veel hinderlijke aspecten verbonden zijn dat het rustig woonklimaat en de aanleg van de aanpalende residentiële woonwijk ook de komende decennia op onherstelbare wijze zal worden verstoord, dat de normale burenlast dan ook ruimschoots overschreden is, dat indien een dergelijke inrichting voor intensieve veeteelt in een daartoe bestemd agrarisch gebied zou worden ingeplant, er overeenkomstig artikel 11.4.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit) een afstandsregel van 300 meter tot een woongebied zou gelden, dat het feit dat artikel 11 dergelijke afstandsregel voorschrijft, er op wijst dat voornoemde bedrijven niet toelaatbaar zijn in woongebied, gezien anders de afstandsregels, die juist tot doel hebben de aanpalende woongebieden te beschermen tegen de hinder van zodanige bedrijven, geen enkele zin hebben; 2.1.5. Overwegende dat de Vlarem II-voorschriften voor alle vergunde inrichtingen gelden, zonder dat de vergunningverlenende overheid ze uitdrukkelijk moet opleggen; dat het bestreden besluit, door de beroepen beslissing te bevestigen, uitdrukkelijk bevestigt dat de voorschriften van afdeling 5.9.2 van Vlarem II van toepassing zijn, en als bijzondere vergunningsvoorwaarde oplegt dat door een onafhankelijke deskundige de conformiteit van de stallen moet worden vastgesteld in een gedetailleerd verslag dat aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Destelbergen moet worden bezorgd, en dat de stallen niet in gebruik mogen worden genomen zolang ze niet conform zijn verklaard door een deskundige aan de bepalingen van afdeling 5.9.2 van Vlarem II; dat het bestreden besluit bezwaarlijk artikel 5.9.2.1, § 1, van Vlarem II schendt door er op te wijzen dat het van toepassing is; VII-28.713-7/21 VII-28.713-8/21 Overwegende dat artikel 5.9.8.1 van Vlarem II als volgt luidt : "§1. De ventilatie van stallen, mechanisch of natuurlijk, is zodanig uitgevoerd dat de verontreiniging van de omgevingslucht wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast. §2. Ramen blijven gesloten voor zover zij geen functie hebben bij de luchtver- versing. Buitendeuren die conceptueel geen functie hebben bij de luchtverver- sing zijn enkel open voor doorgang van personen, dieren of goederen of in geval van overmacht"; dat niets in het dossier er op wijst dat er een specifiek probleem is inzake de ventilatie van de stallen; dat verzoeker hiervan ook geen gewag heeft gemaakt in zijn administratief beroep; dat ook in voorliggend annulatieberoep terzake geen concrete argumenten worden gegeven; dat bovendien niet valt in te zien hoe de tweede paragraaf van voornoemd artikel zou kunnen worden geschonden bij de vergunningverlening; Overwegende dat artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I als volgt luidt : "Een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van het VLAREM zijn gesteld. De vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is", en dat artikel 43ter van Vlarem I onder meer het volgende bepaalt : "Een inrichting en/of een installatie dient overeenkomstig de EU-richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging zo te worden geëxploiteerd dat: 1/ alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen, met name door toepassing van de beste beschikbare technieken; 2/ geen belangrijke verontreiniging wordt veroorzaakt; (...)"; dat de "eisen die door (Vlarem I en II) zijn gesteld" heel ruim en uitgebreid zijn en hoe dan ook gelden; dat "alle passende preventieve maatregelen tegen verontreini- ging" minstens even ruim zijn; dat de vraag dan ook is, zoals verzoeker lijkt aan te voeren, of bij elke vergunningsbeslissing een gedetailleerd onderzoek moet worden gevoerd betreffende alle toepasselijke Vlarem I en II -bepalingen, en of de resultaten van dat onderzoek moeten worden teruggevonden in de formele motivering van de vergunningsbeslissing; dat deze vereiste de vergunningsprocedure evenwel onwerkbaar maakt; dat het voldoende is dat de voor de hand liggende probleempun- ten worden onderzocht en gemotiveerd, alsook de bezwaren die worden aangebracht in het openbaar onderzoek en in eventuele administratieve beroepen; dat dit de rechten van derden afdoende moet kunnen beschermen; dat inzake artikel 5.9.2.1, VII-28.713-9/21 § 1, van Vlarem II, de verwerende partij de door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Destelbergen opgelegde bijzondere vergunningsvoor- waarde heeft bevestigd; dat verzoekers argumentatie met betrekking tot die voorwaarde beperkt is tot de aantijgingen dat de exploitant een niet-correct deskundigenverslag zal laten opmaken, en dat de toezichthoudende overheden niet zullen optreden; dat wanneer dergelijke argumentatie wordt aanvaard, geen enkele milieuvergunning nog kan voldoen aan artikel 30bis, § 1, van Vlarem I; dat met betrekking tot artikel 5.9.8.1 van Vlarem II, zoals eerder gesteld, uit het dossier niet blijkt dat terzake een specifiek probleem bestaat; dat verzoeker ook geen concrete bezwaren heeft laten gelden, en dit ook in onderhavig annulatieberoep niet doet; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de artikelen 5, § 2, 18/, en 36 van Vlarem I, van artikel 11, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergun- ningsdecreet), en van het zorgvuldigheidsbeginsel, "doordat de bestreden beslissing over een manifest misleidende en onvolledige vergunningsaanvraag, dit o.m. voor wat betreft de aanduiding van de vergunningstoestand van het bedrijf, terwijl artikel 5, § 2, 18/ van Vlarem I bepaalt dat in de milieuvergunnings- aanvraag moet worden vermeld of er voor de inrichting een stedenbouwkundige vergunning is afgeleverd én dat die vergunning(
  2. en)ook in de bijlagen van het aanvraagdossier moeten worden opgenomen, zodat eenieder terloops het openbaar onderzoek onmiddellijk kan nagaan of het voorwerp van de aanvraag stedenbouwkundig behoorlijk is vergund, en terwijl hierover in casu reeds jaren de grootste verwarring wordt gezaaid en tot op heden noch vanwege de exploitant, noch vanwege de vergunningver- lenende overheid enig duidelijk standpunt werd ingenomen, en terwijl - verder inspelend op deze verwarring - in de milieuvergunnings- aanvraag wordt vermeld dat de inrichting stedenbouwkundig is vergund en hiervoor wordt verwezen naar bijlage 5.01 van de aanvraag (...), terwijl dient vastgesteld dat die bijlage niet is toegevoegd, meer zelfs, het aanvraagdossier geen enkele stedenbouwkundige vergunning, doch enkel volgende nietszeggen- de vermelding bevat (...): 'Voor de hernieuwing van de vergunning voor de runderen is geen bouwvergunning vereist. De gebouwen waarin de vergunningsplichtige activiteiten plaatsvinden zijn reeds bouwvergund. De vroegere bouwver- gunningen zijn ter inzage op het gemeentehuis' en terwijl hoe dan ook een substantiële vormvereiste werd geschonden door de beweerde vergunning - waarvan sprake - niet als bijlage aan het aanvraag- dossier toe te voegen en te volstaan met een verwijzing naar het gemeentebe- stuur, alwaar bij nazicht van het dossier terloops het openbaar onderzoek géén inzage kon worden gekregen in enige bouwvergunning (enkel het aanvraagdos- sier was ter inzage), en terwijl - voor zoveel als nodig - nog wordt opgemerkt dat de misleiding in hoofde van de aanvraag des te meer vast staat, nu VII-28.713-10/21 1/ zo blijkt, reeds op 27 juli 1999 een regularisatie-aanvraag was ingediend, aanvraag die op 8 mei 2000 - dus lang voor het indienen van onderhavige milieuvergunningsaanvraag - door het college werd geweigerd (...) en 2/ die informatie - m.n. de vermelding dat een stedenbouwkundige vergunning voorhanden is, c.q. ter inzage ligt - zowel door de gemachtigde ambtenaar als door de bestendige deputatie (hiervoor verwijzend naar een tussenkomst van het schepencollege - zie bestreden besluit, p. 5, al. 1) werd tegengesproken, en terwijl integendeel, inzake die vergunningstoestand, nu zelfs nog meer verwarring wordt gezaaid, aangezien in het bestreden besluit de indruk wordt gewekt dat de stallen toch gedeeltelijk zouden zijn vergund, echter zonder aanduiding over welk deel het precies zou gaan en welke vergunning hiervoor werd afgeleverd: 'dat het schepencollege meldt dat de regularisatieaanvraag (enkel vereist voor een deel van de gebouwen) in eerste aanleg geweigerd werd ...' zodat daardoor niet alleen artikel 5, §2, 18/, maar ook artikel 36 van Vlarem I werd geschonden, nu de aanvraag onvolledig had moeten worden verklaard en de omwonenden - omwille van die onvolledige - lees: mis- leidende - samenstelling van dossier niet ten volle van hun bezwaarrechten gebruik hebben kunnen maken, temeer zij reeds jaren poneren dat de betrokken stal niet behoorlijk is vergund"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat in het beroepschrift van 15 juli 2002 van verzoeker, geen sprake is van de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij, dat zij zich hierover dan ook niet diende uit te spreken; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat hij wel degelijk belang heeft bij een correcte naleving van de bestaande garanties ter bescherming van zijn bezwaarrechten, dat het bovendien een van zijn fundamentele rechten betreft, waardoor aan de niet-naleving ervan niet zonder meer kan worden voorbijgegaan; 2.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst van oordeel is dat verzoeker geen belang heeft bij het middel en daarvoor twee redenen aangeeft : "- uit vorige procedures blijkt dat hij voorhoudt beter dan wie ook te weten welke gebouwen vergund zijn en welke niet. De tussenkomende partij verwijst terzake naar de procedure die aanleiding gegeven heeft tot het arrest nr. 101.779 dd. 13 december 01, het arrest nr. 109.496 dd. 22 juli 2002, alsook de nog lopende procedure G/A 123.994/VII-27.269. - eveneens heeft hij op de hoorzitting een plan neergelegd houdende de vergunningstoestand van het bedrijf van de tussenkomende partij op vlak van stedenbouwkundige vergunningen : 'Gelet op het horen van een vertegenwoordiger van de appellant door de Provinciale Milieuvergunningscommissie die verwijst naar het VII-28.713-11/21 beroepschrift en het ongunstig advies van AROHM; dat de niet vergunde gebouwen op een plan aangeduid werden ...'"; 2.2.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat de vergunningverlenende overheid verkeerd werd geïnformeerd over de stedenbouw- kundige vergunningstoestand van het bedrijf en mee op basis van deze informatie tot het bestreden besluit is gekomen, dat de tussenkomende partij niet alleen bepaalde informatie heeft verzwegen, maar ook bewust verkeerde informatie heeft meegedeeld, dat deze informatie wel degelijk van groot belang is, dat dit alleen al blijkt uit het feit dat de stedenbouwkundige vergunningen deel moeten uitmaken van de milieuvergunningsaanvraag, wat te dezen niet is gebeurd, dat de tussenkomende partij met de milieuvergunningsaanvraag duidelijk probeert een illegale, onvergun- bare en tijdelijke toestand te regulariseren, dat bovendien de stedenbouwkundige vergunningstoestand ook van belang is in het kader van de koppeling tussen de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning; 2.2.6. Overwegende dat, gelet op de omstandigheden, verzoeker bezwaarlijk misleid kan zijn geweest doordat er onduidelijkheid bleef bestaan over de stedenbouwkundige vergunningstoestand; dat hij niet is verhinderd zijn bezwaren tegen de gevraagde vergunning te laten gelden; dat bovendien de mogelijkheid om de gevraagde milieuvergunning te verlenen niet afhankelijk was van het bestaan van de nodige stedenbouwkundige vergunningen; dat het ontbreken van een stedenbouw- kundige vergunning in beginsel geen geldig motief kan vormen om de milieuvergun- ning te weigeren; dat het derde middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de dwaling omtrent de feiten en het recht aanvoert, alsook de schending van artikel 5.9.3.1 van Vlarem II juncto de artikelen 2, 7/, en 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet juncto artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 30, § 1, 5/, van Vlarem I, van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, doordat de verwerende partij er in het bestreden besluit klaarblijkelijk van uitgaat dat het bedrijf van de tussenkomende partij een bestaande veeteeltinrichting is; dat verzoeker stelt dat artikel 5.9.3.1 van Vlarem II en artikel 33ter, § 1, 1/, van het meststoffendecreet bepalen dat enkel nog aan bestaande inrichtingen een milieuvergunning kan worden verleend, terwijl dit, indien vaststaat dat het een nieuwe inrichting betreft, niet mogelijk is, dat om van een bestaande veeteeltinrichting in de zin van artikel 2, 7/, VII-28.713-12/21 van het meststoffendecreet te kunnen gewagen, moet vaststaan dat een "definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 1 september 1991" en er vóór 29 september 1993 een aangifte werd ingediend bij de Mestbank, dat uit geen enkel element uit het dossier blijkt of en wanneer er "vóór 1 september 1991" een definitieve stedenbouwkundige vergunning werd verleend en evenmin wordt aangeduid op welke "definitieve vergunning" de verwerende partij zich precies heeft gesteund om die premisse voor waar aan te nemen, dat er helemaal geen sprake kan zijn van een bestaande veeteeltinrichting, aangezien het meer dan duidelijk is dat de bouwwerken waarin de exploitatie plaatsvindt, niet behoorlijk zijn vergund, feit dat niet alleen bij herhaling door AROHM werd vastgesteld, maar tevens blijkt uit de vaststelling dat er voor de rundveestal een regularisatievergunning loopt en noch het schepencolle- ge, noch de verwerende partij erin slagen hieromtrent enige duidelijkheid te scheppen; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat uit het dossier dat aan haar werd voorgelegd bleek dat op de inrichting een stal voor 70 runderen staat die van voor de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : stedenbouwwet) dateert en een stal voor 40 runderen waarvoor de bouwvergunning werd aangevraagd in 1963, samen met de bouwvergunning voor de varkensstal, maar niet werd vermeld op de afgeleverde bouwvergunning, dat voornoemd gebouw wel voorkomt op een voor gelijkvormig verklaarde kopie van het kadasterplan van 1970, dat uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen bleek dat het schepencollege de bouwvergunning voor de varkensstal afleverde op 19 september 1963; dat de verwerende partij voorts verwijst naar het feit dat AROHM zich in de Provinciale Milieuvergunningscommissie akkoord heeft verklaard met het gunstig advies van de commissie, omdat uit het dossier bleek dat de reden van haar ongunstig advies werd ondervangen door de lopende regularisatieaanvraag van de wederrechtelijk opgerichte gebouwen; 2.3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) blijkt "dat uit het dossier en de adviezen (in het bijzonder het advies van de VLM) blijkt dat de inrichting kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltin- richting", dat bovendien in het bestreden besluit het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat er op de inrichting een stal voor 70 runderen staat die van voor de wet op de stedenbouw dateert en een stal voor 40 runderen waarvoor de bouwvergunning samen met de bouwvergunning voor de varkensstal VII-28.713-13/21 aangevraagd

(1963)werd maar niet vermeld werd op de afgeleverde bouwver- gunning; voormeld gebouw komt wel voor op een kopie (voor gelijkvorming verklaard) van het kadastraal plan van 1970 ...", dat bestaande gebouwen die dateren van voor de inwerkingtreding van de stedenbouwwet, alsook gebouwen waarvoor geen vergunning kan worden voorgelegd, die tussen de inwerkingtreding van de stedenbouwwet en de goedkeu- ring van het definitief gewestplan werden opgericht, op voorwaarde dat noch de gemeente noch AROHM op basis van stukken kunnen aantonen dat ze werden opgericht en/of verbouwd of de bestemming ervan in strijd met de regelgeving werd gewijzigd, moeten worden geacht vergund te zijn, dat, gelet op bovenstaande overwegingen, het duidelijk en onbetwistbaar is waarom in het bestreden besluit wordt aangenomen dat de inrichting van verzoeker voor 1 september 1991 een bouwvergunning werd verleend, dat bijgevolg in het bestreden besluit terecht werd aangenomen dat de inrichting van verzoeker een bestaande veeteeltinrichting is in de zin van artikel 2,7/, van het meststoffendecreet; 2.3.4. Overwegende dat verzoeker niet tegenspreekt dat één van de stallen, meer bepaald die voor 70 runderen, dateert van vóór de stedenbouwwet; dat het probleem zich bijgevolg zou kunnen situeren bij de stal voor 40 runderen; Overwegende dat artikel 2, 5/, van het meststoffendecreet een "nieuwe inrichting" definieert als "een inrichting waarvan, voor wat betreft het aanslagjaar 1993, vóór 29 september 1993 geen aangifte werd gedaan bij de Mestbank"; dat artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet een "bestaande veeteeltin- richting" ten tijde van de bestreden beslissing omschrijft als : "een veeteeltinrichting waarvoor :
  1. a)ofwel de definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991 en waarvan minstens voor wat betreft het aanslagjaar 1992 of 1993 vóór 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank en in deze aangifte, die op de inrichting betrekking heeft, dieren zijn aangegeven;
  2. b)ofwel de definitieve bouwvergunning en milieuvergunning tussen 1 januari 1991 en 1 januari 1997 werden bekomen en waarvoor tijdig aan de vereiste aangifteplicht in het kader van dit decreet is voldaan;
  3. c)ofwel, de definitieve milieuvergunning na 31 december 1995 werd bekomen als gevolg van een vergunningsaanvraag ingediend volgens de procedure voorzien in het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming;
  4. d)ofwel, de definitieve milieuvergunning werd bekomen als gevolg van een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting"; dat luidens de definities in het meststoffendecreet er inrichtingen kunnen bestaan die noch "nieuw" zijn in de zin van artikel 2, 5/, van het meststoffendecreet, noch "bestaand" in de zin van artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet; dat de vergunde VII-28.713-14/21 inrichting geen "nieuwe inrichting" is, en aldus niet valt onder het verbod van artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet dat, zoals gewijzigd door artikel 18 van het decreet van 3 maart 2000, als volgt luidde : "§ 1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : 1/ tot en met 31 december 2004 :
  5. a)(...);
  6. b)(...):
  7. c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuver- gunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuver- gunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie te berekenen volgens artikel 33bis, §2 van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting"; dat het niet ter zake doet of de inrichting van de tussenkomende partij al dan niet een "bestaande veeteeltinrichting" is; dat, als zij een bestaande veeteeltinrichting zou zijn, zij niet onder het verbod om een verandering ervan te vergunnen valt omdat er geen stijging is van de vergunde mestproductie; dat, als zij geen bestaande veeteeltinrichting zou zijn, artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet geen verbod bevat om de gevraagde vergunning te verlenen; dat verzoeker ook geen andere bepaling aanreikt die dergelijk verbod oplegt; dat artikel 33ter van het meststoffendecreet niet bedoeld is ter controle en sanctionering van eventuele bouwovertredingen, maar, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij dat decreet (Parl. St. Vl. R. 1998-99, nr.1317/1), ertoe strekt een algemene vergunningsstop voor veeteeltinrichtingen in te stellen, afgezien van de hernieuwing en de verplaat- sing van lopende vergunningen; dat het bestreden besluit niet strijdig is met deze doelstelling; dat het vierde middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel de schending aanvoert van artikel 1.1.2 van Vlarem II, van de artikelen 30bis, § 2, en 43ter van Vlarem I, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht, doordat, alhoewel het bedrijf van de tussenkomende partij op de betrokken locatie over twee naast elkaar gelegen vestigingen is verspreid, de verwerende partij de gehele bedrijfsexploitatie als één milieutechnische eenheid en de globale hieruit voortvloeiende hinder weigert te beoordelen, doch zich beperkt tot een onderdeel van die bedrijfsexploitatie aan de Dries 39, en doordat hiervoor in het bestreden besluit de volgende reden wordt aangehaald : VII-28.713-15/21 "de exploitatie op de Trotrede omvat een weide met een schuilhok en bijhorende stro-opslag; aangezien de nutsvoorzieningen apart zijn t.o.v. de inrichting Dries 39 kan de inrichting Trotrede niet aanzien worden als een milieutechnische eenheid"; dat hij voorts stelt dat die redengeving kennelijk in strijd is met de definitie van het begrip milieutechnische eenheid, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van Vlarem II, dat dit te dezen en in tegenstelling tot hetgeen hierover in het bestreden besluit wordt geponeerd, ontegensprekelijk het geval is, nu ten onrechte wordt vermeld dat de inrichting aan de Trotrede enkel een weide met schuilhok en bijhorende stro-opslag zou omvatten, terwijl in werkelijkheid op dit terrein tevens twee illegale rundveestal- len aanwezig zijn, het terrein tevens is voorzien van allerhande betonnen construc- ties en wegenis, er een illegale opslagplaats voor groenvoeder is aangelegd en een oude hoevewoning tot een villa werd omgevormd, en dit alles in een gebied dat volgens het gewestplan "Gentse en Kanaalzone" als buffergebied is ingekleurd; dat verzoeker van oordeel is dat dit alles niet kan worden betwist, nu voor die illegale constructies tevens een regularisatieprocedure hangende is, de exploitatie aan de Dries 39 en de Trotrede integrerend met elkaar verbonden zijn, niet alleen omwille van hun geografische samenhang maar ook omwille van hun materiële en operationele samenhang, nu beide exploitaties door dezelfde persoon worden gerund en alle runderen, ook deze die gestald worden aan de Dries 39, worden beweid op de percelen aan de Trotrede, dat de verwerende partij zich in de gegeven omstandig- heden niet kon beroepen op de beweerde aanwezigheid van aparte nutsvoorziening- en, om zich aan een globale milieuhinderbeoordeling van deze milieutechnische eenheid te onttrekken, dat uit artikel 1.1.2 van Vlarem II en de artikelen 30bis, § 2, en 43ter van Vlarem I voortvloeit dat de milieutechnische eenheid een beoordelings- kader vormt voor de afgifte van een milieuvergunning; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat uit het dossier bleek dat beide vestigingen over aparte nutsvoorzieningen beschikken zodat zij niet als een milieutechnische eenheid kunnen worden beschouwd; 2.4.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat de "inrichting" aan de overzijde van de straat, een louter schuilhok is dat niet milieuvergunningsplichtig is en dat derhalve geen inrichting is in de zin van de in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen, dat zelfs indien zou worden aangenomen dat het toch om een vergunningsplichtige inrichting gaat, deze inrichting dan nog geen milieutechnische eenheid met haar inrichting vormt, VII-28.713-16/21 dat twee inrichtingen elk langs een andere kant van de straat geen geografische samenhang kunnen vertonen, dat het schuilhok aan de overzijde van de straat niet wordt geëxploiteerd door de tussenkomende partij, dat bijgevolg in het bestreden besluit terecht is aangenomen dat er geen sprake is van een milieutechnische eenheid tussen de inrichting van de tussenkomende partij en het schuilhok aan de overzijde van de straat, dat, uiterst subsidiair, gesteld dat de inrichting van de tussenkomende partij toch een milieutechnische eenheid zou vormen met de "inrichting" aan de Trotrede, het nog zo is dat de bepaling opgenomen in artikel 1.1.2 van Vlarem II slechts een definitie bevat van het begrip "milieu-technische eenheid" en voorts geen regels formuleert en dat het milieuvergunningsdecreet enkel ingedeelde "inrichting- en" aan de vergunnings- of meldingsplicht onderwerpt, dat zij niet inziet wat te dezen de relevantie is van het feit of haar inrichting al of niet een milieutechnische eenheid vormt met de "inrichting" aan de Trotrede; 2.4.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert dat nu beide inrichtingen één bedrijfsexploitatie en één milieutechnische eenheid vormen, de verwerende partij de hieruit voortvloeiende hinder globaal voor beide inrichtingen samen had moeten beoordelen, wat te dezen niet is gebeurd, dat de conclusie enkel kon zijn dat de hinder nog groter is en de consequentie dan ook is dat de gevraagde exploitatie moet worden geweigerd, dat alleen al omwille van het feit dat het bestreden besluit geen rekening houdt met alle hinderaspecten van beide inrichtingen, deze onwettig is en moet worden vernietigd; 2.4.5. Overwegende dat artikel 1.1.2 van Vlarem II een "milieu-technische eenheid" als volgt definieert : "verschillende ingedeelde inrichtingen, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee zij verbonden zijn, die als een geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens of milieu. Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieu-technische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen ten opzichte van andere inrichtingen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieu-technische eenheid kunnen vormen"; dat, opdat de vergunde inrichting een milieutechnische eenheid zou vormen met de door verzoeker geviseerde constructies aan de overkant van de straat, vooreerst moet blijken dat minstens één van deze constructies een "ingedeelde inrichting" is; dat verzoeker spreekt over "rundveestallen (loopstallen)"; dat zowel de verwerende als de tussenkomende partij de constructies omschrijven als "schuilhokken"; dat VII-28.713-17/21 verzoekers omschrijving als "loopstallen", de foto's die hij voorlegt en het gegeven dat de constructies blijkbaar enkel dienen voor de runderen die tijdens de winter- maanden in de bij het bestreden besluit vergunde stallen worden gehouden, leiden tot de conclusie dat er van vergunningsplichtige stallen geen sprake is; dat een "opslagplaats voor groenvoeder (25m lang, 3m breed en 2,5m hoog)" een vergunningsplichtige inrichting is; dat het feit dat er een straat ligt tussen de vergunde inrichting en de vergunningsplichtige groenvoeropslag en dat er aparte nutsvoorzieningen zijn, geen geldige argumenten zijn om te stellen dat de verschillende ingedeelde inrichtingen geen milieutechnische eenheid vormen in de zin van de definitie van artikel 1.1.2 van Vlarem II; dat geen wettelijke norm bepaalt dat, wanneer een vergunning wordt gevraagd voor een ingedeelde inrichting die deel uitmaakt van een milieutechnische eenheid, geen vergunning kan worden verleend wanneer niet tegelijk voor alle verschillende ingedeelde inrichtingen van de milieutechnische eenheid een vergunning wordt gevraagd of reeds eerder werd verleend; dat er te dezen hoogstens kan worden vastgesteld dat er een onvergunde groenvoeropslag aanwezig is, die de verleende vergunning op zich niet onwettig maakt; dat het vijfde middel niet gegrond is; 2.5.1. Overwegende dat verzoeker in het zesde middel de schending aanvoert van het continuïteitsbeginsel, het vertrouwens- en het redelijkheidsbegin- sel, doordat de verwerende partij andermaal een vergunning verleent voor de uitbating van een bedrijf voor intensieve veeteelt; dat hij voorts stelt dat in het verleden bij herhaling door alle adviserende en vergunningverlenende instanties werd vastgesteld dat een bedrijf voor intensieve veeteelt niet in deze omgeving kan worden geëxploiteerd, dat de verwerende partij meer specifiek op 25 februari 1993, spijts de vaststelling dat het bedrijf ernstige hinder veroorzaakt voor de buren en stedenbouwkundig onaanvaardbaar is, slechts een hernieuwing van de milieuvergun- ning toestond op voorwaarde dat het bedrijf zich binnen een termijn van tien jaar zou herlocaliseren, termijn die bij ministerieel besluit van 29 juli 1993 tot vijf jaar werd gehalveerd en vervolgens door de verwerende partij op 12 juni 1997, na een nieuwe milieuvergunningsaanvraag, opnieuw met twee jaar werd verlengd en op 20 december 1999 en op 26 juni 2002 door de Vlaamse minister een derde maal met drie jaar werd verlengd, dat, hoewel tot de herlocalisatietermijnen om sociale, economische en financiële redenen of billijkheidsoverwegingen, verleend bij ministeriële besluiten van 29 juli 1993 en 6 december 1997, binnen het toen geldende decretale kader niet op wettige wijze kon worden beslist, verzoeker er zich van heeft onthouden die vergunningen voor de Raad van State te bestrijden, dit teneinde de tussenkomende partij een eerlijke, doch ultieme kans te gunnen om zijn VII-28.713-18/21 hinderlijke inrichting naar een daartoe bestemd gebied over te brengen, dat hoewel sinds begin jaren '90 vaststaat dat een veeteeltinrichting op de betrokken locatie absoluut onaanvaardbaar is, verzoeker in totaal tien jaar de hieruit voortvloeiende hinder heeft moeten gedogen en verdragen en na meer dan tien jaar eindelijk uitzicht had op het einde van de exploitatie, "1/ de bestendige deputatie niet, minstens onvoldoende met de eerder verleende verlengingen en herlocalisatiefaciliteiten rekening heeft gehouden en het - in het licht van die bijzonder uitgebreide faciliteiten - kennelijk onredelijk handelde door thans opnieuw een vergunning te verlenen voor 20 jaar, ditmaal voor het kweken van 110 runderen (aantallen die dan later weer gemakkelijk zullen kunnen worden opgetrokken); 2/ het kennelijk onredelijk is én strijdig met het continuïteitsbeginsel dat de bestendige deputatie louter onder druk van de 'voldongen feiten' haar initiële beoordeling, waarbij de einddatum van de vergunning tot 8 februari 2003 werd beperkt, zonder meer verlaat, 3/ de verzoekende partij mocht verwachten en aannemen dat - gelet op de antecedenten en eerdere duidelijke standpuntinnames (verplichting tot herlocalisatie) - geen vergunning meer zou worden verleend voor een veeteeltinrichting op enkele meters van zijn woning"; 2.5.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de tussenkomende partij vroeger een andere inrichting exploiteerde, met name een in de eerste klasse ingedeelde gemengde veeteeltinrich- ting met een vergunde dierenstapel bestaande uit 680 mestvarkens, 97 zeugen en 110 runderen, dat de ingenomen standpunten inzake geur- en geluidshinder betrekking hadden op de totaliteit van deze inrichting, dat in geen enkel advies of vergunningsbesluit dat op die inrichting betrekking had, staat te lezen dat de afdeling rundveehouderij op zich niet thuishoort in de omgeving, dat de tussenkomende partij thans alleen nog voor de 110 runderen een hernieuwing van de vergunning aanvraagt, dat de geur- en geluidshinder die verzoeker in het verleden heeft ondervonden, hierdoor drastisch zullen verminderen; 2.5.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat uit geen enkel van de in het verleden toegekende vergunningsbesluiten blijkt dat de exploitatie van een rundveehouderij ter plaatse niet mogelijk is, dat eerdere beslissingen immers steeds tot voorwerp een varkens- en rundveehouderij hadden, dat het bovendien onbetwistbaar is dat de hinder afkomstig van haar inrichting drastisch zal worden beperkt aangezien de exploitatie van de varkenshouderij wordt gestopt, dat wat overblijft een naar Vlaamse normen kleinschalige rundveehouderij is, die naar hinder toe totaal anders wordt geëvalueerd dan een varkenshouderij, dat hier zelfs geen sprake meer is van een intensieve VII-28.713-19/21 veehouderij, dat derhalve uit beslissingen in verband met de niet-afgeslankte versie van haar inrichting geen argumenten kunnen worden geput tegen het verlenen van de milieuvergunning die het voorwerp is van het bestreden besluit; 2.5.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat het uitgangspunt bij de vorige vergunningsbeslissingen steeds een herlocalisatie is geweest, niet het inkrimpen van de activiteiten, dat de argumenten in de vorige beslissingen met betrekking tot de onverenigbaarheid van de exploitatie met de goede plaatselijke aanleg nog steeds opgaan, met name dat een dergelijke inrichting op deze plaats niet thuishoort, duidelijk in strijd is met de bestemming woongebied en de goede plaatselijke aanleg in het gedrang brengt, dat ook de gemachtigde ambtenaar in zijn advies van 9 september 2002 tot deze conclusie is gekomen, met name : "overwegende dat een deel van de exploitatie gebeurt in wederrechtelijk opgerichte gebouwen; overwegende dat dergelijke exploitatie niet meer verenigbaar is met de woonomgeving en als strijdig te beschouwen is met de bestemming van het woongebied"; dat hij voorts stelt dat of de zinsnede "voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving" uit artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit nu van toepassing is op agrarische bedrijven of niet, het een feit blijft dat artikel 19, derde lid, van voornoemd besluit de vergunningverlenende overheid opdraagt de vergunningsaanvraag te weigeren, indien - zelfs als het ontwerp met de bestemming in overeenstemming is - de goede plaatselijke aanleg hierdoor in het gedrang wordt gebracht, dat bovendien agrarische activiteiten conform artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit enkel toelaatbaar zijn onder dezelfde voorwaarde dat de onmiddellijke omgeving daar niet onder lijdt, dat de concrete toepassing van dit bestemmingsvoorschrift dan ook zeer sterk afhankelijk is van de feitelijke kenmerken van het gebied op het terrein, dat de Raad van State reeds oordeelde dat stallen bestemd voor het vetmesten van 250 kalveren niet zijn toegestaan in woongebied wegens onverenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, dat ook alle eerdere vergunningsbeslissingen oordeelden dat een dergelijke inrichting op die plaats en in die omgeving niet is toegestaan, zodat het bestreden besluit duidelijk de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en in het bijzonder het continuïteitsbe- ginsel, het beginsel van het gewekte vertrouwen en het redelijkheidsbeginsel, schendt; VII-28.713-20/21 2.5.5. Overwegende dat de vroegere vergunningsbeslissingen steeds betrekking hadden op een gemengde inrichting waar behalve de thans opnieuw vergunde runderen ook honderden varkens werden gehouden; dat de hinderlijkheid van de vroegere inrichting en de thans vergunde inrichting heel verschillend is, zodat de verwerende partij voor een geheel nieuwe beoordeling stond; dat het zesde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-28.713-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.707 Gerelateerde publicatie(
  8. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.128 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.997 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.