id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.708 Rolnummer: A. 141899/VII-30735 Zaak: Arrest 188708 - Milieuvergunningen - 11/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-19 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-29 09:44 Fiche Arrest nr 188.708 van 11 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.708 van 11 december 2008 in de zaak A. 141.899/VII-30.735. In zake : de NV DBM COLOR, die woonplaats kiest bij advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : de BVBA ALGEMENE ONDERNEMINGEN CEDRIC KENNOF, die woonplaats kiest bij advocaat P. BOELENS, kantoor houdende te AALST, Molendries 11. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV DBM COLOR op 22 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssa- menwerking van 23 juli 2003 waarbij het beroep ingesteld door de verzoekende partij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 9 januari 2003, houdende het verlenen van de milieuvergun- ning aan de BVBA CEDRIC KENNOF om een inrichting voor de behandeling en sortering van bouw- en sloopafval, gelegen aan de Kwatrechtsteenweg 164 te Wetteren, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; VII-30.735-1/23 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 28 november 2003 ingediend door de BVBA ALGEMENE ONDERNEMINGEN CEDRIC KENNOF; Gelet op de beschikking van 9 december 2003 die de tussenkomst van de BVBA ALGEMENE ONDERNEMINGEN CEDRIC KENNOF toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GOOSSENAERTS die, loco advocaat B. MARTENS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat P. BOELENS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 16 juli 2002 dient de tussenkomende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor de exploitatie van een inrichting voor het behandelen en sorteren van bouw- en sloopafval. De inrichting zou in industriegebied komen. VII-30.735-2/23 Naast de inplantingsplaats exploiteert de verzoekende partij een bedrijf waar op grote schaal foto's worden ontwikkeld en afgedrukt. De verzoekende partij dient een bezwaarschrift in, vooral omdat ze vreest dat haar gevoelige apparatuur en het productieproces hinder zullen ondervinden door stof en trillingen. 1.2. Op 9 januari 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning, voor onder meer : "(...) Opslag en mechanische behandeling van maximum 9.000 ton inerte afvalstoffen : 2.250 ton grond met stenen, 2.250 ton aanvulgrond, 2.250 ton te malen steengruis en 2.250 ton gemalen steengruis - met zeef- en sorteerinstalla- tie (20 kW) en een breekinstallatie (90 kW) (...) Opslag en mechanische behandeling van maximum 280 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen : 60 ton ijzerschroot, 30 ton aluminium, 45 ton inox, 50 ton zink, 12 ton koper, 20 ton lood, 25 ton hout, 3 ton PVC, 10 ton papier en karton en 25 ton kabelmateriaal (...) Overdekte ruimte voor het stallen van 13 bedrijfsvoertuigen : 4 vrachtwa- gens, 3 aanhangwagens, 5 kranen en 1 bobcat (...) Niet-huishoudelijke inrichting voor het wassen van maximaal 4 voertui- gen/dag (...) Diverse machines voor het mechanisch bewerken van metalen, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 7 kW (...)". Er wordt eveneens een reeks bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd : "§3. Bijzondere milieuvoorwaarden 13. M.b.t. het lozen van het bedrijfsafvalwater
- a)Controle-inrichting: al het bedrijfsafvalwater dient afgevoerd naar een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen; voormelde contro- le-inrichting dient te beantwoorden aan de in Afdeling 4.2.5 van Vlarem II gegeven omschrijving en gestelde eisen; langs voormelde controle-inrichting mag geen normaal huisafvalwater noch koelwater, noch regenwater afgevoerd worden.
- b)De KWS-afscheider dient regelmatig gereinigd te worden. De afvalstoffen die hierbij vrijkomen dienen opgehaald door daartoe erkende verwervers en/of verwerkers.
- c)De KWS-afscheider dient voldoende gedimensioneerd en voorzien van een automatische afsluiter. 14. M.b.t. de opvang van hemelwater Het hemelwater afkomstig van het dak van de bedrijfsgebouwen dient opgevangen te worden in de 4 regentanks van elk 10.000 liter en dient voor zoveel mogelijk doeleinden gebruikt te worden. Het opgevangen hemelwater wordt minstens gebruikt in de sanitaire installaties, voor het reinigen van het rollend materieel en het besproeien van de afvalstoffen. 15. M.b.t. visuele hinder
- a)De breedte van het groenscherm kan, in afwijking van artikel 5.2.1.5. §5 van Vlarem II, op de plaatsen aangeduid op het inplantingsplan (bouwplan 3.1.), beperkt worden tot een breedte van 3 m. VII-30.735-3/23
- b)Ten zuiden (= zijde Kwatrechtsteenweg) moet het groenscherm ter hoogte van de boxen voor de opslag van afvalstoffen een breedte hebben van 8 m, met daartussen een betonwand met hoogte van 5 m.
- c)Op de scheiding tussen perceel 820/g en 742/x dient het groenscherm een breedte van 5 m te hebben met plaatsing van een overkapping van 14 m breed en een hoogte van 7 m (= dichtst bij perceelgrens) tot 9 m.
- d)Ten westen van het bedrijf dient geen groenscherm geplaatst te worden.
- e)Het winterharde en landschappelijk geïntegreerde groenscherm dient in overleg met en volgens de richtlijnen van het gemeentebestuur gerealiseerd. Deze aanplant moet voldoende dicht zijn van structuur en bestaan uit streek- eigen hoogstammige bomen, struiken en heesters. 16. M.b.t. de werktijden In tegenstelling tot de mogelijke beperking van de exploitatie-uren in de sectorale voorwaarden mag de aan- en afvoer van de afvalstoffen tussen 6.00 uur en 22.00 uur gebeuren, met uitzondering van zon- en feestdagen. De behandeling van de afvalstoffen moet tussen 7.00 uur en 19.00 uur plaatsvin- den. 17. M.b.t. de brandveiligheid Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen gebeurt in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. 18. M.b.t. de opslag en verwerking van afvalstoffen
- a)De constructie van de ruimten waar afvalstoffen tijdelijk zijn opgestapeld is zodanig dat accidenteel uit bepaalde recipiënten ontsnappende vloeistoffen, morsvloeistoffen en uitlogingen op een bevloering terechtkomen, die voorzien is van opvanggoten en vervolgens naar één of meerdere opvangputten kunnen geleid worden.
- b)Het is verboden afvalstoffen in brand te steken of te verwijderen door lozing.
- c)Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen anders dan door afvoer naar erkende resp. vergunde ophalers en verwerkers van afvalstoffen. 19. M.b.t stationair draaien van motoren Om geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, moeten de motoren van de bedrijfsvoertuigen tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d.. 20. Ter voorkoming van stofhinder gedurende langdurige periodes van droogte is het noodzakelijk om een besproeiingsinstallatie te voorzien. 21. De valhoogte van de afvalstoffen van op de zeef- en sorteerinstallatie en vanuit de sorteerkraan mag maximaal 2 m bedragen. 22. Op de volledige inrichting moeten accidentele verontreinigingen onmiddel- lijk opgeruimd worden. 23. De aangevoerde afvalstoffen dienen steeds binnenin de overdekte sorteerhal afgestort te worden. 24. Er mogen geen laad- en losactiviteiten buiten gebeuren bij windsnelheden > 20 m/s (72 km/h). 25. Afvalstoffen die aanleiding kunnen geven tot stofhinder moeten vochtig gehouden worden of zorgvuldig afgedekt worden. 26. De stuifgevoelige afvalstoffen worden vooraf bevochtigd of er wordt gebruik gemaakt van een nevelgordijn. 27. Stofverspreiding ten gevolge van verkeer op of vanaf het opslaggedeelte dient beperkt te worden door de verkeersactiviteiten te beperken, vrachten af te dekken en de rijroutes van de vrachtwagens regelmatig schoon te maken door middel van een veegwagen en nat te houden tijdens droge omstandigheden. 28. Alle maatregelen dienen getroffen te worden om de transportmiddelen en de wegenis, zowel binnen als buiten de terreingrenzen, rein te houden". VII-30.735-4/23 1.3. De verzoekende partij tekent op 21 februari 2003 administratief beroep aan. Zij zet onder meer uiteen dat haar bedrijfsactiviteiten zeer stofgevoelig zijn en dat de aan de tussenkomende partij vergunde activiteiten veel stofhinder kunnen veroorzaken : "Het productieproces is zeer stofgevoelig. De films die in het labo voor ontwikkeling worden aangeboden worden na sortering aan elkaar bevestigd via een warmte gevoelige tape (splicing). Het aldus aaneenrijgen van films gebeurt in batches van 250 films wat resulteert in een totaal van 6.250 foto's (uitgaande van gemiddeld 25 foto's per film). Het aaneenrijgen van films is nodig om de films in de continu werkende ontwikkelingsmachines te kunnen verwerken. Door de hoge snelheden waarbij dit gebeurt en gelet op de fysische eigenschap- pen van het filmmateriaal, is deze handeling extreem gevoelig voor stof. Het minste stofdeeltje of zandkorreltje kan de rugzijde of de emulsiezijde van de films in dergelijke mate beschadigen, dat een verdere krasvrije afwerking niet meer mogelijk is. Eens een stofje of zandkorreltje de film beschadigt is de ganse batch beschadigd. De films worden ontwikkeld op continu machines van het 'leader type' bij een verwerkingssnelheid van 1.500 meter per uur. Tijdens de natte fase zwellen de emulsielagen van de films zodat ze extra gevoelig zijn voor beschadigingen. Voor elke productie worden nu al zowel de splicers als de respectievelijke filmontwikkelingsmachines dan ook rigoureus nagekeken ter voorkoming van krassen. De ruimte waarin deze activiteiten plaatsvinden is extra beveiligd doordat deze ruimte in overdruk wordt geplaatst zodat de stofdeeltjes uit de lucht onder normale omstandigheden niet in deze ruimte kunnen komen. Het is overduide- lijk dat een toename van stofhinder het effect van deze preventiemaatregelen zal tenietdoen. Ook in de printingruimte werden maatregelen genomen om stofhinder te voorkomen. In de printingruimte worden de rollen ontwikkeld filmmateriaal aan elkaar gezet en zo via een transportrollencombinatie over de plafonds naar de printers geleid. Ook hier is het zeer belangrijk dat er geen stofdeeltjes op de film zitten daar deze bij printing puntjes op de foto's kunnen geven. Net voor de eigenlijke belichting heeft DBM-Color in een systeem voorzien dat eventueel stof opneemt teneinde deze puntjesvorming te voorkomen. Verder wordt de printingruimte voortdurend onder een constante overdruk gehouden en werd tevens in een ultrasoonbevochtigingssysteem voorzien dat de ruimte optimaal bevochtigt en zo de stofdeeltjes doet neerdalen. Na belichting worden de films weer volautomatisch getransporteerd tot aan de verpakkingsmachines. Ook tijdens dit transport mag zich geen stofvorming voordoen. Verschillende filtergroepen zijn voorzien om stofhinder tegen te gaan. Per afdeling zijn gescheiden airco groepen voorzien met telkens een eigen terug aanzuig- en inblaassysteem: deze filters met een systeem van voorfiltratie worden wekelijks door een eigen technische ploeg gecontroleerd. Tenslotte wordt de ruimte waarin het ontwikkelingsproces plaatsvindt verschillende malen gereinigd met behulp van speciale doeken en zijn er automatisch sluitende deuren geplaatst om stofcirculatie tegen te gaan. De toegang tot deze ruimte wordt trouwens ontzegd aan alle personeelsleden die daar niet werkzaam zijn. Al deze maatregelen zijn uitgevoerd rekening houdende met een stofmassa zoals die onder normale omstandigheden voorkomt. (...) VII-30.735-5/23 Het spreekt voor zich dat de opslag van 9.000 ton (9.000.000
- kg)inerte afvalstoffen de normale stofomgeving volledig teniet doet en aanzienlijke stofhinder zal veroorzaken zoals bijvoorbeeld bij het laden en het lossen van vrachtwagens, bij het breken en zeven van de inerte afvalstoffen en bij de eigenlijke opslag van deze afvalstroom. Ook de opslag en de mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen, voornamelijk metaalafval zal de normale stofbalans verstoren. Het mechanisch behandelen (versnijden, knippen, samendrukken) van metaalafval heeft eveneens stofontwikkeling van kleine metaaldeeltjes tot gevolg. Wanneer dan nog moet worden vastgesteld dat de vergunningverlenende overheid het voldoende achtte om slechts in een bufferzone te voorzien van 5 meter tussen deze nieuwe activiteit en de bestaande stofgevoelige activiteit van beroeper, dan houdt een dergelijk Besluit onvoldoende rekening met de concrete omgeving waarbinnen de nieuwe inrichting zich vestigt en dient zij door de Minister van Leefmilieu te worden hervormd". De in de verleende vergunning opgelegde bijzondere vergunnings- voorwaarden worden bekritiseerd. Voor wat betreft de vergunningsvoorwaarden die de stofhinder moeten tegengaan luidt de beroepsakte als volgt : "In het bestreden besluit wordt er trouwens uitdrukkelijk bevestigd dat er zich stofhinder zal voordoen en dat het fijne stof zich zeer ver kan verplaatsen: blz. 4: 'Het PCM wijst erop dat het ontstaan en het verspreiden van fijn stof vooral afhankelijk is van de weersomstandigheden. Dit kan ver verplaatst worden.' blz. 9: 'Overwegende dat eventuele stofhinder vooral afkomstig zal zijn van diffuse emissies bij de opslag van de afvalstoffen, het laden en lossen, het transport en bij breek- en zeefactiviteiten; dat bij droog of winderig weer de afvalstoffen vochtig zullen gehouden worden; dat om stofhinder te vermijden het opgeslagen afbraakpuin en de gesorteerde materialen besproeid zullen worden; dat hiervoor hemelwater uit de 4 reservoirs (4 x 10.000 liter) zal aangewend worden'. Deze in het bestreden besluit weergegeven maatregel zal uiteraard niet volstaan om de hoger beschreven stofhinder te voorkomen. Zo zal het hemelwater dat zal dienen voor de besproeiing bij droog weer niet kunnen worden aangewend bij vriestemperatuur. Tijdens de vrieskoude zijn geen 'preventieve' maatregelen voorzien en zal niet kunnen worden bevochtigd. Welnu, bij droog weer en zo ook bij vrieskou, neemt de stof gevoeligheid en de hoeveelheid stof net toe en is er net een grotere risico van stofhinder. Ondanks de uitdrukkelijke erkenning dat er stofhinder zal zijn, voorziet het bestreden besluit slechts in halve maatregelen die slechts onder bepaalde meteorologische omstandigheden kunnen worden aangewend. (zie infra) De vooropgezette maatregelen falen derhalve om de verwachte hinder te voorkomen onder alle omstandigheden. Dit is ontoelaatbaar en strijdig met artikel 22 van het Milieuvergunningsdecreet en de algemene zorgvuldigheids- plicht (zie Gent, 8 januari 2001, TMR, Milieurechtspraak: (')Artikel 22, 2/ lid, eerste zinsdeel van het Milieuvergunningsdecreet legt een algemene zorgvul- digheidsplicht bij de uitbating op met het oog op het vermijden van een voor de omgeving abnormale hinder, dit is hinder die niet valt binnen de grenzen van wat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden dient te aanvaarden als normale hinder ten gevolge van de ligging ten opzichte van de inrichting'.). Een dergelijke toetsing is in casu niet gebeurd. (...) Hieronder zal blijken dat de bijzondere voorwaarden, zoals voorzien door de Bestendige Deputatie, niet volstaan. VII-30.735-6/23 - het bevochtigen van de afvalstoffen De Bestendige Deputatie heeft de milieuvergunning voor twintig jaar aan de bvba Kennof verleend onder de voorwaarde dat het hemelwater afkomstig van het dak van de bedrijfsgebouwen dient te worden opgevangen in de vier regentanks van elk 10.000 liter. Dit hemelwater dient voor zoveel mogelijk doeleinden te worden gebruikt. Het opgevangen hemelwater wordt minstens gebruikt in de sanitaire installaties, voor het reinigen van het rollend materieel en het besproeien van de afvalstoffen. Dit betekent in concreto dat men beschikt over maximaal 40.000 liter voor zover het de vorige dagen afdoende heeft geregend. Indien het minder of niet heeft geregend (bv. in de zomer of de winter, waarbij stofneerslag het grootst is), dan is er geen bevochtiging van de afvalstoffen mogelijk. Ook zal bij vrieskoude deze voorziene besproeiing van de afvalstoffen niet mogelijk zijn. Bovendien is 40.000 liter op zich al geen afdoende maatregel om de afvalstoffen te bevochtigen. Immers dient men 40.000 liter te gebruiken voor verscheidene doeleinden, zoals sanitaire installaties, het reinigen van het rollend materieel en het besproeien van de afvalstoffen. Dergelijke maatregel laat aldus slechts toe dat de afvalstoffen zeer sporadisch zullen bevochtigd worden. Dit heeft dan ook totaal geen nut. Er hoeft maar éénmaal stof binnen te dringen in de gebouwen van beroeper, opdat er ernstige schade bij beroeper optreedt. Het opleggen van bijkomende voorwaarden moet juist tot gevolg hebben dat schade bij beroeper wordt vermeden. Hieraan komt de betrokken maatregel duidelijk te kort. - geen laad- en losactiviteiten bij windsnelheden > 20 m/s (72 km/
- h)Er wordt tevens als voorwaarde opgelegd dat er geen laad- en losactiviteiten mogen plaatsvinden bij windsnelheden boven 20 m/s (72 km/h). Vooreerst moet hierbij worden opgemerkt dat de bvba Kennof geen overeenkomstig artikel 10 van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 erkende milieudeskundige lucht permanent on site in dienst zal hebben om de windsnelheden te meten. Een windsnelheid is ook geen continu gegeven, zo kan één windstoot van méér dan 20 m/s voldoende zijn om onherstelbare schade te veroorzaken. Over de wijze waarop deze voorwaarde in concreto moet worden georganiseerd zwijgt de Bestendige Deputatie in alle talen. Het is dan ook zeer moeilijk te controleren wanneer er geen laad- en losactiviteiten mogen plaatsvinden. Bovendien is deze maatregel onuitvoerbaar vermits er geen verplichting wordt opgelegd om onder meer een luchtmeter te plaatsen. En zelfs al zou er een luchtmeter voorhanden zijn, dan nog komt deze maatregel te kort. Immers houdt deze maatregel in dat slechts bij zwaar stormachtig weer er geen laad- en losactiviteiten mogen plaatsvinden. Ook deze maatregel heeft geen enkel nut. De Provinciale Milieuvergunningscommissie heeft er trouwens op gewezen dat het verspreiden van fijn stof vooral van weersomstandigheden afhankelijk is en dat dit reeds bij hogere windsnelheden zonder te spreken van zwaar stormachtig weer - zeer ver kan verplaatst worden en aanleiding kan geven tot stofhinder (zie blz. 4 en 10 van het bestreden besluit). - stofverspreiding ten gevolge van het verkeer In het bestreden besluit wordt er als bijzondere voorwaarde opgelegd dat stofverspreiding ten gevolge van verkeer op of vanaf het opslaggedeelte dient beperkt te worden (opnieuw een expliciete erkenning dat er wel degelijk hinder zal zijn) door de verkeersactiviteiten te beperken, vrachten af te dekken en de rijroutes van de vrachtwagens regelmatig (wat de term regelmatig inhoudt is ook vaag en onduidelijk) schoon te maken door middel van een veegwagen en nat te houden tijdens droge omstandigheden. De schoonmaak gebeurt met een veegmachine. Dergelijke veegmachines veroorzaken en verspreiden nota bene eveneens stof. Deze veegmachines veroorzaken een opwaaiing van de op de grond VII-30.735-7/23 gelegen stof om deze vervolgens bij elkaar te vegen. Deze activiteiten op zich zullen dan ook stof opnieuw in een luchtcirculatie plaatsen en verspreiden. Weerom kan men opmerken dat dergelijke maatregel niet het doel bereikt en te vaag is waarvoor het in de eerste plaats werd opgelegd: met name het vermijden van stofhinder. - groenscherm en afscheiding Tot slot wordt als bijzondere voorwaarde voorzien dat op de scheiding tussen percelen 820/g en 742/x een groenscherm met een breedte van slechts 5m. moet worden aangelegd, alsook de plaatsing van een overkapping van 14m. breed en een hoogte van 7m. (= dichtst bij de perceelgrens) tot 9m. moet worden voorzien. De overkapping betreft een tribune-model (zonder voor- of zijwanden), en dus niet een afgesloten loods(.) Dergelijk bouwwerk kan uiteraard niet verhinderen dat er stofverplaatsing zal geschieden. Er valt moeilijk te begrijpen waarom geen volledige gesloten loods werd vooropgesteld. Ook een groenscherm van slechts 5 meter is niet afdoende (zie infra - interne buffer). De Provinciale Milieuvergunningscommissie heeft uitdrukkelijk bevestigd dat het groenscherm en de afscheiding slechts gedeeltelijk de stofhinder kan opvangen: blz. 10 van het bestreden besluit: 'Overwegende dat volgens mevrouw Meheus, wetenschappelijk medewerker lucht van het PCM, de stofdeeltjes (deeltjes > 10 :m (zand, bouwstof)), bij lagere windsnelheden op het terrein zullen neervallen; dat bij hogere windsnelheden deze kunnen opwaaien en horizontaal verplaatst worden en zo aanleiding geven tot stofhinder; dat een groenscherm en de zogenaamde 'tribune' dit gedeelte- lijk kunnen tegengaan; (...)' (...) De Bestendige Deputatie erkent door deze verklaring expliciet dat de door het bestreden besluit toegelaten exploitatie inderdaad hinder zal veroorzaken voor beroeper en dat de vooropgezette maatregelen slechts gedeeltelijk nuttig zijn. Welnu, beroeper heeft hoger juist aangetoond dat zelfs één stofdeeltje in het productieproces voldoende is om ernstige schade teweeg te brengen. De houding van de Bestendige Deputatie, om in een dergelijke concrete en bijzondere situatie tot milieuvergunningverlening over te gaan is dan ook onverantwoord. Het is immers de essentiële taak van de vergunningverlenende overheid om na te gaan of dergelijke hinderlijke activiteiten verenigbaar zijn met hun directe omgeving en of dergelijke activiteiten geen schade en hinder teweegbrengen aan hun directe omgeving. Indien dit wel het geval is, zoals in casu, dan dient de vergunning te worden geweigerd. Uit het hoger vermelde blijkt geenszins dat de vergunningverlenende overheid heeft kunnen garanderen dat de activiteiten van de bvba Kennof geen schade en hinder zullen teweegbrengen aan beroeper die de gewone hinder overstijgen. Dit is nochtans de taak van een vergunningverlenende overheid. Reeds in haar bezwaarschrift heeft beroeper er op gewezen dat overeenkom- stig de vaste rechtspraak van de Raad van State een vergunning tot exploitatie van een hinderlijke inrichting een toestemming inhoudt om een daad te stellen die getroffen wordt door een algemene verbodsbepaling. Het voorafgaandelijke verbod van een of andere activiteit, waarop vergunningenstelsels steunen, is in de eerste plaats ingesteld tot bescherming van de gemeenschap en in het algemeen belang. De Raad van State stelt dienaangaande :(zie o.m. R.v.St., nr. 79.688, 1 april 1999) 'Overwegende dat een vergunning tot exploitatie van een hinderlijke inrichting een toestemming inhoudt om een daad te stellen die getroffen wordt door een algemene verbodsbepaling; dat het voorafgaandelijk verbod van één of andere activiteit waarop vergunningenstelsels steunen in de eerste plaats is ingesteld tot bescherming van de gemeenschap, dus in het VII-30.735-8/23 algemeen belang; dat vooraleer een vergunning te verlenen waarbij dat verbod wordt opgeheven, het bestuur voorafgaandelijk en rekening houdend met de vigerende reglementering - die inzake exploitatie-, milieu- en afvalstoffenver- gunningen de bescherming van mens en leefmilieu tegen bepaalde hinderlijke activiteiten beoogt - de schadelijke effecten van de activiteiten waarvoor de vergunning wordt gevraagd moet kunnen inschatten' Welnu, in casu komt het bestreden besluit geenszins tegemoet aan dergelijke in concreto toetsing en afweging. Het is immers zeer duidelijk dat de activitei- ten ongetwijfeld hinder en schade zullen teweegbrengen. Hinder en schade die enkel door een behoorlijke en zorgvuldige tussenkomst van de vergunningver- lenende overheid kan worden vermeden door een dergelijke inrichting aldaar niet te vergunnen". 1.4. De volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschap- pen vraagt aandacht voor de bescherming van een nabijgelegen valleigebied; - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) adviseert gunstig en stelt een bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarde voor, meer bepaald het verbod om asbesthoudend afval te aanvaarden; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig. 1.5. Op 23 juli 2003 wordt het bestreden besluit genomen : het beroep wordt verworpen, en de in eerste aanleg verleende vergunning wordt bevestigd. De motivering luidt als volgt : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in een industriegebied volgens het gewestplan van Gentse en Kanaalzone, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 14 september 1977; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van: - circa 225 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - grenzend aan een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzie- ningen; Overwegende dat dus vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe inrichting voor de opslag, sortering en behandeling van sloop- en bouwafval; Overwegende dat het bedrijf van de beroeper een foto-ontwikkelingsproductieafdeling is; dat het een inrichting betreft die uiterst stof- en trillingsgevoelig is; VII-30.735-9/23 Overwegende dat volgens de exploitant de containers met bouwafval zullen worden gestort in de sorteerhal; dat het voorgesorteerd bouwafval in de sorteerinstallatie wordt gebracht waar eerst het zandachtig materiaal eruit wordt gezeefd met een trommelzeef; dat vervolgens de rest van het bouwafval achtereenvolgens in 2 sorteercabines wordt gebracht; dat de gesorteerde afvalstoffen zullen worden opgeslagen in containers, in afwachting van hun afvoer; Overwegende dat aan de zijde van het bedrijf van de beroeper naast een groenscherm van 5 m breed, ook een hal zal geplaatst worden van 7 m hoogte, met een overkapping van 14 m breed en een nokhoogte van 9 m; dat deze hal langs de zuid-, oost- en noordzijde dicht zal zijn; dat dit de stofhinder zal beperken; Overwegende dat rondom de zone waar de afvalstoffen behandeld worden, een dicht groenscherm van minstens 3 m breed zal worden geplaatst; dat rondom de inrichting eveneens een 2 m hoge afsluiting wordt geplaatst; dat aan de straatzijde een groenscherm van 8 m breed voorzien wordt; dat aan de westkant geen groenscherm zal geplaatst worden, gezien de aanwezigheid van kantoren en magazijnen langs die zijde; Overwegende dat in het bestreden besluit reeds een hele reeks maatregelen als bijzondere voorwaarden werden opgelegd om stofhinder te vermijden; dat dus kan aangenomen worden dat, wanneer deze maatregelen zorgvuldig worden toegepast, de stofhinder beperkt zal blijven; Overwegende dat de breekinstallatie in de overdekte sorteerhal zal geplaatst worden; dat volgens artikel 5.2.1.6, §5 van titel II van het Vlarem installaties die een trillingsbron kunnen zijn (zoals de breekinstallatie) trillingsvrij dienen te worden opgesteld; dat volgens de exploitant de installatie ongeveer 2 dagen per week zal werken; Overwegende dat asbesthoudende afvalstoffen zo veel mogelijk dienen vermeden te worden en zeker niet mogen gebroken worden op de inrichting; dat de exploitant aan een selectief acceptatiebeleid dient te doen; dat de exploitant tijdens de hoorzitting op de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie verklaart dat, indien er toch asbesthoudende stoffen op de inrichting zouden terechtkomen, deze met de hand worden uitgesorteerd en dus nooit in de breekinstallatie zullen terechtkomen; Overwegende dat volgens artikel 7 van de omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen van 8 juli 1997, rondom de industriezones een bufferstrook dient aangelegd te worden met als richtwaarde een breedte van 25 m voor milieubelastende bedrijven en 50 m voor vervuilende industrie; dat de bufferzones dienen te worden bepaald in de bouwvergunning; dat bouwvergunningen voor de oprichting van een industrieel of ambachtelijk bedrijf onwettig zijn indien zij niet voorzien in de aanleg van een bufferzone; Overwegende dat op de bouwplannen een bufferzone aangeduid werd; dat bij het verlenen van de bouwvergunningen van 11 oktober 2002 en 24 januari 2003 is geoordeeld dat de voorgestelde breedten van de bufferzone vanuit stedenbouwkundig oogpunt voldoende zijn; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen (...)"; VII-30.735-10/23 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst volgende exceptie doet gelden : "Blijkens stuk 14 blijkt dat de NV DBM Color geen belang heeft om de vernietiging van de milieuvergunning dd. 23 juli 2003 te vragen. Immers is het annulatieverzoek van (
- de)NV DBM Color ingegeven door haar bewering dat zij als foto-ontwikkelaar, een beweerde stofgevoelige activiteit, last zou kunnen ondervinden van de activiteit van de verzoekster tot tussenkomst, met name afbraak- en grondwerken. Feit is evenwel dat (
- de)NV DBM Color geen foto-ontwikkelaar is, althans heeft zij daar geen vergunningen voor. Vermits (
- de)NV DBM Color geen vergunningen heeft voor de activiteit van foto-ontwikkeling, kan zij derhalve geen hinder ondervinden van de activiteit van de verzoekster tot tussenkomst en heeft zij derhalve geen belang bij haar annulatieverzoek. Vermits (
- de)NV DBM Color geen milieuvergunning heeft voor de activiteit van foto-ontwikkelaar, mag zij die activiteit niet uitoefenen en kan zij derhalve geen hinder ondervinden van wat dan ook. NV DBM Color heeft derhalve geen belang en het verzoek tot vernietiging is derhalve onontvankelijk"; dat zij in haar laatste memorie ook nog het volgende stelt : "(...) De verzoekende partij kan enkel belang hebben bij de vernietiging van de milieuvergunning als zij kan aantonen dat zij hinder zou kunnen ondervin- den van de activiteit waarvoor de vergunning werd verleend. Zoniet kan iedere eigenaar van een erf, zonder hinder te ondervinden, (een) vernietigingsberoep instellen tegen een vergunning verkregen door de eigenaar van het aanpalend erf, louter omdat men dat als eigenaar kan doen. De verzoekende partij moet een persoonlijk, rechtsreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijden ingevolge de door haar bestreden beslissing. Bovendien moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring de verzoekende partij een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Gezien het annulatieverzoek van de verzoekende partij ingegeven is door haar bewering dat zij als foto-ontwikkelaar, een beweerde stofgevoelige activiteit, last zou kunnen ondervinden van de activiteit van de tussenkomende partij, met name afbraak- en grondwerken. (...)"; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift haar belang als volgt uiteenzet : "Het is onbetwistbaar dat verzoekende partij over een rechtstreeks, persoonlijk, actueel en griefhoudend belang beschikt bij de vernietiging van het bestreden besluit. Verzoekende partij is immers eigenaar van het perceel gelegen naast de percelen waarvoor de milieuvergunning dd. 23 juli 2003 werd verleend. Verzoekende partij zal aanzienlijke hinder ondervinden van de door Cedric Kennof uit te voeren activiteit met betrekking tot bouw- en sloopafval"; dat zij in haar laatste memorie hieraan toevoegt dat zij : VII-30.735-11/23 "(...) enkel en alleen omwille van de vaststelling dat zij is gevestigd op het terrein naast de inplantingsplaats van de vergunde inrichting beschikt over een rechtstreeks, persoonlijk, zeker, wettig en actueel belang om op te komen tegen de milieuvergunning die werd verleend voor de exploitatie van activiteiten op het terrein dat naast het terrein van de verzoekende partij is gelegen"; dat de verzoekende partij voorts stelt dat de tussenkomende partij aldus niet kan worden gevolgd waar zij in haar laatste memorie stelt dat de verzoekende partij niet zou beschikken over een voldoende belang bij de vernietiging van de milieuvergun- ning, dat er overigens niet wordt betwist dat de verzoekende partij is gevestigd naast het perceel van de tussenkomende partij, dat het bovendien vaste rechtspraak van de Raad van State is dat diegene die hinder ondervindt van een afgeleverde vergunning omwille van het feit dat hij bewoner is van een naastgelegen terrein, over een rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang beschikt bij een beroep tot nietigverklaring tegen een milieuvergunning, dat zij "fotofinishing activiteiten" voert in haar bedrijfsgebouwen en dat de bestreden beslissing een aanzienlijke impact kan hebben op de activiteiten die zij uitoefent, dat de tussenkomende partij ten aanzien van de verzoekende partij een bijkomende voorwaarde probeert op te leggen voor het belang dat in hoofde van de verzoekende partij aanwezig moet zijn voor het inleiden van een annulatieverzoek, dat die voorwaarde echter geen rechtsgrond vindt; 2.3. Overwegende dat niet wordt betwist dat de verzoekende partij eigenaar is van het perceel gelegen naast de percelen waarvoor de milieuvergunning werd verleend; dat uit dit gegeven alleen reeds de verzoekende partij een voldoende belang put om de milieuvergunning te bestrijden van een inrichting die voorkomt op de lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen; dat de exceptie niet wordt aangenomen; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 50, 3/, b), en 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en de formele motiveringsplicht, doordat de verwerende partij een vergunning heeft verleend zonder daarbij rekening te houden met aanspraken zoals die werden verwoord door de verzoekende partij in haar beroepschrift tegen de in eerste aanleg verleende vergunning; dat de verzoe- VII-30.735-12/23 kende partij in de toelichting bij het middel er op wijst dat zij een uitgebreid beroep heeft ingediend tegen de in eerste aanleg verleende vergunning en het volgende stelt : "(...) De bestreden beslissing schendt in dubbel opzicht voormelde reglementaire bepalingen. Enerzijds is er geen enkele uitspraak over een aanzienlijk aantal aanspraken en bezwaren van de beroepsindiener. Anderzijds is er al helemaal geen sprake van een gemotiveerde beslissing. Zelfs in de mate waarin de minister al een oordeel zou hebben geveld over de aanspraken van de beroepsindiener dan nog moet(
- en)die aanspraken grondig becommentarieerd en gemotiveerd worden. Daarvan is niets te merken in de bestreden beslissing. (...) Immers een aanzienlijk aantal bezwaren die door de verzoekende partij werden opgeworpen in het kader van het door haar ingediende administratief beroep werden niet beoordeeld door de minister. Dit geldt onder meer voor de volgende aspecten: het bevochtigen van de afvalstoffen, geen laad- en losactiviteiten bij windsnelheden > 20m/s (72 km/h), stofverspreiding ten gevolge van het verkeer. Nochtans waren deze elementen essentieel voor de verzoekende partij. Zo is het overduidelijk dat het geregeld zwaar vervoer van en naar de inrichting waarvoor de milieuvergunning werd afgeleverd, zal zorgen voor een aanzien- lijke stofopwaai. Niet alleen stof dat afkomstig is van de containers die vervoerd zullen worden maar eveneens stof dat veroorzaakt worden door de loutere verplaatsing van de vrachtwagens. Ook het aspect dat verband houdt met het bevochtigen van afvalstoffen is belangrijk. Zo werd door de verzoeken- de partij onder meer opgeworpen dat de verplichting tot het opvangen van hemelwater met het oog op het bevochtigen van afvalstoffen niet efficiënt en allerminst afdoende is met het oog op het bevochtigen van afvalstoffen teneinde stofhinder tegen te gaan. Immers, bij vriesweer kan van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt worden. Als gevolg daarvan kunnen de afvalstoffen niet besproeid worden en daardoor zal er grote stofontwikkeling zijn. Dit element werd geenszins beoordeeld door de minister. Deze concrete elementen tonen aan dat de minister de bezwaren van de verzoekende partij geenszins beoor- deeld heeft"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij vooreerst opmerkt dat artikel 50, 3/, b), van Vlarem I niet van toepassing is en voorts als volgt antwoordt : "(...) Inzake de laad- en losactiviteiten bij windsnelheden > 20 m/s blijkt verzoekende partij de uitvoerbaarheid van deze exploitatievoorwaarde in vraag te stellen. Zij stelt vast dat het niet verplicht werd een luchtmeter te installeren waardoor niet ingezien wordt hoe de voorwaarde zal kunnen nageleefd worden. Bovendien merkt zij op dat de maatregel tekortschiet, daar het inhoudt dat slechts bij zwaar stormachtig weer geen laad- en losactiviteiten mogen plaatsvinden, terwijl bij minder winderig weer ook reeds hinder zou ontstaan. Een vergunningsbesluit dient een antwoord te omvatten op de in beroep naar voor gebrachte argumenten, zelfs al kan dat eventueel op een algemene of impliciete wijze. 'Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de formele motiveringsplicht die voortvloeit uit de formele motiveringswet van 29 juli 1991 en uit (...) het milieuvergunningsdecreet en het VLAREM I enerzijds, en de grondwettelijke motiveringsplicht anderzijds. Beslissing- VII-30.735-13/23 en waarbij uitspraak wordt gedaan over aanvragen tot het bekomen van een milieuvergunning zijn geen beslis-singen in betwiste zaken, zodat de grondwettelijke motiveringsplicht daarop niet van toepassing is. De aanvrager van een milieuvergunning zal zich dus niet met goed gevolg op de schending van de 'grondwettelijke motiveringsplicht' kunnen beroepen, daarbij stellende dat die plicht vereist dat de beroepsinstantie die beslist over een milieuvergunningsaanvraag alle argumenten moet beantwoorden die de aanvrager in het beroepschrift uiteenzet'. De minister oordeelde dat de voorwaarde van het verbod laad- en losactivi- teiten uit te voeren bij windsnelheden van > 20 m/s voldoende was om de (stof)hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Dit is een voldoende motivering. De uitvoering ervan bevindt zich op het niveau van de handhaving van de vergunning. De exploitant dient immers de exploitatievoorwaarden na te leven. In de bestreden beslissing staat dan ook uitdrukkelijk: 'dat dus kan aangenomen worden dat, wanneer deze maatregelen zorgvuldig worden toegepast, de stofhinder beperkt zal blijven'. (...) Ook wat het bevochtigen van de afvalstoffen betreft, heeft verzoekende partij zijn twijfels geuit omtrent de uitvoerbaarheid van de maatregel. Eén van de exploitatievoorwaarden is nochtans dat de afvalstoffen die aanleiding kunnen geven tot stofhinder, vochtig gehouden moeten worden of zorgvuldig afgedekt moeten worden. Aangezien de exploitant verplicht is deze exploitatie- voorwaarde na te leven, bevindt de kritiek van verzoekende partij zich opnieuw op het niveau van de handhaving van de vergunning. De minister heeft de argumenten van verzoekende partij voldoende in overweging genomen. (...) Wat ten slotte de stofverspreiding ten gevolge van het verkeer betreft, heeft verzoekende partij kritiek op het feit dat als voorwaarde opgelegd wordt dat de rijroutes van de vrachtwagens regelmatig schoongemaakt moeten worden door middel van een veegwagen, daar volgens haar deze veegmachines stofhinder zullen veroorzaken ... Dit is een niet-bewezen hypothese. De opgelegde maatregelen om de stofverspreiding ten gevolge van het verkeer tegen te gaan, zijn erg uitgebreid, teneinde de stofhinder zo goed mogelijk te vermijden. Door te oordelen dat deze maatregelen voldoende zijn, en dat aangenomen kan worden dat wanneer deze maatregelen zorgvuldig worden toegepast, de stofhinder beperkt zal blijven, heeft de minister de motiverings- plicht uit art. 52, 3/,
- b)VLAREM I nageleefd. (...) In de mate verzoekende partij de schending van de formele motiverings- plicht en de artt. 2 en 3, eerste lid van de Formele Motiveringswet (die de rechtsbasis is voor de formele motiveringsplicht) inroept, moet vastgesteld worden dat daar geen sprake van kan zijn. De formele motiveringplicht werd namelijk nageleefd, hetgeen blijkt uit het feit dat de verzoekende partij wettigheidskritiek uitbrengt op de geformaliseer- de materiële motieven. Het is in principe uiteraard niet mogelijk om in dezelfde adem kritiek uit te brengen op de materiële motivering én op de formele motivering, als zouden de materiële motieven, die men bewijst te kennen door ze te bekritiseren, niet geformaliseerd zijn. Aangezien blijkt dat verzoekende partij in staat is inhoudelijke kritiek uit te oefenen op de geformaliseerde materiële motieven van de bestreden beslissing, bewijst dit dat zij de motieven kent en dat ten haren opzichte het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt, zodat zij zich niet over een gebrek aan formele motivering kan beklagen. Zij heeft dus geen belangenschade geleden. De formele motiveringsplicht is nl. een substantieel vormvoorschrift, niét van openbare orde, maar slechts van dwingend recht, waardoor belangenschade noodzakelijk is om de schending van dit vormvoorschrift te kunnen inroepen. Volgens verzoekende partij zou de formele motiveringsplicht miskend zijn doordat nergens geantwoord zou zijn op haar argumenten aangehaald in haar beroepschrift tegen de in eerste aanleg verleende milieuvergunning. VII-30.735-14/23 In diverse arresten oordeelde Uw Raad echter reeds dat de formele motiveringsplicht 'evenwel niet vereist dat de beslissing uitdrukkelijk de redenen vermeldt waarom de ingewonnen adviezen - of sommige ervan - niet worden gevolgd of dat een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde argumenten; dat het noodzakelijk doch voldoende is dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd en de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen'. Het is met andere woorden voldoende dat de beslissing voldoende duidelijk aangeeft welke motieven de vergunningverlenende overheid heeft aangehouden om haar beslissing te nemen, wat het geval is. Er kan derhalve geenszins een schending van de formele motiveringsplicht, en dus van art. 2 en 3, eerste lid Formele Motiveringswet, aangehouden worden. De beslissing geeft meer bepaald wel degelijk de motieven weer die de beslissing schragen. Pagina's 6 tot en met 8 bevatten de overwegingen die aan de grondslag van de beslissing liggen. Dit is de motivering van de beslissing"; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert : "Dat in het bestreden besluit een bepaalde motivering wordt gegeven voor de toekenning van de milieuvergunning wordt niet betwist door de verzoekende partij. Wel blijkt duidelijk uit de bestreden beslissing dat zelfs niet op de meest essentiële bezwaren van de verzoekende partij werd geantwoord. Er werden gewoon een aantal argumenten opgegeven die de milieuvergun- ning zouden moeten verantwoorden. Evenwel heeft verzoekende partij in het kader van het administratief beroep een aanzienlijk aantal bezwaren geformu- leerd tegen de toekenning van de vergunning. Zoals ook reeds in het annulatie- verzoekschrift werd vermeld, zijn elk van deze door de verzoekende partij opgeworpen bezwaren op zich essentieel. Het kan bijgevolg geenszins volstaan om een aantal daarvan te beantwoorden in het licht van de formele motiverings- plicht. De bestreden beslissing had elk van de aangehaalde bezwaren aan een onderzoek moeten onderwerpen en deze moeten beoordelen in het licht van de af te leveren vergunning. Uit artikel 52, 3,
- b)Vlarem I blijkt woordelijk dat er een gemotiveerde beslissing over de aanspraken en de bezwaren van de beroepsindiener dient genomen te worden. Een motivering die in generlei opzicht alle bezwaren beantwoordt voldoet geenszins aan dit formeel vormvoorschrift en schendt bijgevolg voormeld artikel. Daarenboven wordt pas in de memorie van antwoord een motivering gegeven voor de toekenning van de bestreden milieuvergunning. Het is evident dat een motivering moet veruitwendigd worden in de beslissing zelf en niet in aanvullende en volgende stukken. Zo heeft Uw Raad reeds herhaaldelijk beslist dat geen rekening kan worden gehouden met motiveringen achteraf gegeven in procedurestukken voor de Raad van State (R.v.St. , N.V. Syndicaat Machien- steen en N.V. Swenden, nr. 43.154, 3 juni 1993, T.M.R. 1994, 28; R.v.St., Bartel, nr. 57.561, 17 januari 1996). Het is daarenboven geenszins zo dat de verzoekende partij opmerkingen formuleert die zich situeren ter hoogte van de uitvoering van de vergunning. Met betrekking tot het vrachtverkeer moet vastgesteld worden dat er onmisken- baar een stofhinder zal zijn louter door de activiteit van het aanvoeren en afvoeren van afvalstoffen. Het gaat er geenszins om dat de in vergunning opgelegde maatregel zou volstaan om de stofhinder van het vrachtvervoer VII-30.735-15/23 binnen de aanvaardbare perken te houden in het kader van de ruiming van de wegen. De activiteit van het laten aanvoeren van afval veroorzaakt op zich een overlast, een stofhinder. Deze kan alleen vermeden worden door de milieuver- gunning te weigeren. Wat de onmogelijkheid betreft om een schending van de formele motive- ringsplicht in te roepen omwille van het formulieren van kritiek op de materiële motivering, moet worden opgemerkt dat beide niet onverenigbaar zijn. Het formuleren van opmerkingen op sommige veruitwendigde motieven verhindert niet dat er een schending kan zijn van de formele motivering. Met name is het in casu zo dat er een schending is van de formele motiveringsplicht omdat er eenvoudigweg geen argumenten voorhanden zijn met betrekking tot bepaalde opmerkingen geformuleerd door de verzoekende partij. Anderzijds kunnen ook opmerkingen geformuleerd worden op de weinige motieven die wel veruitwen- digd zijn. Het gebrek aan voldoende motivering verhindert niet dat de bestaande, veruitwendigde motivering bekritiseerd wordt"; 3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst doet gelden dat het bestreden besluit goed gemotiveerd is met betrekking tot de door de verzoekende partij opgeworpen bezwaren, dat de verwerende partij de bezwaren van de verzoekende partij heeft samengevat in het bestreden besluit; dat de tussenkomende partij deze ook opsomt en voorts betoogt dat de verwerende partij de bezwaren een voor een heeft weerlegd en daarenboven expliciet heeft verwezen naar de beroepen beslissing; 3.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie nog het volgende doet gelden : "(...) De verzoekende partij voert ten onrechte een schending van de artikelen 50, 3,
- b)en art. 52, 3,
- b)VLAREM I en van de formele motiveringsplicht aan, doordat bepaalde van de door haar aangehaalde argumenten in haar beroep- schrift tegen de in eerste aanleg verleende milieuvergunning, niet werden beantwoord. Uw Raad mocht echter reeds eerder oordelen: R.v.St. (7e k.) nr. 100.331, 25 oktober 2001 http://www.raadvst-consetat.be (30 september 2002); T.M.R. 2002 (verkort), afl. 3, 257. 'De formele motiveringsplicht vereist niet dat op elk in een beroep- schrift afzonderlijk aangebracht argument telkens een afzonderlijk antwoord moet worden geboden. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen en desgevallend de adviezen in andersluidende zin niet worden aangenomen. Het bestreden besluit legt wel degelijk en op gemotiveerde wijze concrete maatregelen op ter beperking van de geluidshinder'. (...) R.v.St. nr. 88.476, 29 juni 2000 http://www.raadvst-consetat.be (13 maart 2001); T.B.P.2001 (samenvatting), 363; T.M.R. 2000 (verkort), 508. 'De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de Wet Motivering Bestuurshandelingen is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen. De formele motiveringsplicht, opgelegd bij voornoemde wet alsook bij art. 50, 3/ VII-30.735-16/23 Vlarem I vereist niet dat de beslissing uitdrukkelijk de redenen vermeldt waarom de ingewonnen adviezen - of sommige ervan - niet worden gevolgd of dat expliciet en in detail een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde argumenten. Het is noodzakelijk doch voldoende dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd en de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen'. (...) R.v.St. nr. 85.292, 10 februari 2000 http://www.raadvst-consetat.be (16 mei 2001); T.B.P. 2001 (samenvatting), 107; T.M.R. 2000 (verkort), é. 'De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de Wet 29 juli 1992 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurder in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Om aan die belangrijke bestaansreden tegemoet te komen, is niet vereist dat het besluit houdende uitspraak over het beroep tegen een in eerste aanleg genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag uitdrukkelijk de redenen vermeldt waarom de adviezen uitgebracht in de procedure in eerste aanleg of in de overeenstemmende bouwvergunningsprocedure niet worden gevolgd en waarom de in eerste aanleg genomen beslissing al dan niet wordt bevestigd. Het is noodzakelijk doch voldoende dat het besluit duidelijk en omstandig de redenen doet kennen die het verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd en waarom de in eerste aanleg genomen beslissing al dan niet wordt bevestigd'. (...) (...) Een korte, maar duidelijke opsomming van de feitelijke gronden van de bestuursbeslissing volstaat aldus om aan de formele motiveringsplicht te voldoen. Deze houdt dus niet in dat alle door de partijen aangevoerde documenten moeten beantwoord worden. Zoals hierboven uitgebreid uiteengezet, is er in casu, aldus geenszins sprake van een schending van de formele motiveringsplicht. Het eerste middel is ongegrond. (...) Volledigheidshalve wenst de tussenkomende partij bovendien nog het volgende op te merken: ook al zou uw Raad tot schending van de wet van 29 juli 1991 besluiten, dan nog leidt dergelijk(
- e)schending niet automatisch tot de nietigverklaring van de bestreden rechtshandeling. Het middel dat de schending van de formele motiveringsplicht inroept, moet verrijkt zijn met het belang van de verzoekende partij opdat het de nietigverkla- ring tot gevolg zou kunnen hebben. Het vormvoorschrift van de formele motivering belangt immers de openbare orde niet aan. Uw raad mocht er in menig arrest op wijzen dat de zin van de formele motivering, ten opzichte van degene die betrokken is bij een bestuurshandeling, erin bestaat dat hem een zodanig inzicht wordt verschaft in de motieven van die handeling dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. Daaruit volgt dat, wanneer de betrokkene op een andere wijze dan door de formele motivering de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die zijn recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te zijnen opzichte het doel van de verplichting tot formele motivering is bereikt. In zulk een geval kan het niet naleven van die verplichting niet tot vernietiging leiden. VII-30.735-17/23 Een beslissing vernietigen wegens schending van de formele motiverings- plicht, terwijl de verzoekende partij in weerwil van die schending op een passende wijze in staat is geweest haar oordeel over de deugdelijkheid van de motieven van de beslissing aan de bevoegde overheid voor te leggen, is immers zinledig. Zoals de verwerende partij terecht stelt in haar memorie van antwoord, bewijst het feit dat de verzoekende partij in staat is inhoudelijke kritiek uit te oefenen op de geformaliseerde materiële motieven van de bestreden beslissing, dat zij de motieven wel degelijk kent en dat ten haren opzichte het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt, zodat zij zich niet over een gebrek aan formele motivering kan beklagen. De verzoekende partij heeft zich in casu kunnen verdedigen, zodat zij geen belang meer heeft om de schending van de formele motiveningsplicht aan te voeren. De verzoekende partij heeft aldus geen belangenschade geleden. Het eerste middel is aldus ook om deze redenen ongegrond! (...) De verwerende partij merkt bovendien terecht op in haar memonie van antwoord, dat de aangevoerde kritiek van de verzoekende partij zich situeert op het niveau van de handhaving van de vergunning. De vergunningverlenende overheid heeft voldoende maatregelen genomen om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de klagende omwonenden. Talrijke vergunningsvoorwaarden werden opgelegd ten einde de stofhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De vergunningverlenende overheid, en de beroepsinstantie met haar, hebben geoordeeld dat 'wanneer deze maatregelen zorgvuldig worden toegepast. de stofhinder zal beperkt blijven'. Alleen al door het opleggen van deze voorwaarden heeft de vergunningver- lenende overheid aangetoond dat zij de aangevoerde opmerkingen van de verzoekende partij heeft onderzocht. Ten gevolge daarvan heeft zij gepaste maatregelen opgelegd en aldus tegemoet gekomen aan de klachten van de verzoekende partij. Bovendien heeft zij in haar beslissing haar handelen afdoende gemotiveerd. De kritiek, of de bijkomende argumenten die de verzoekende partij uit, hebben grotendeels betrekking op het al dan niet naleven door tussenkomende partij van deze vergunningsvoorwaarden. Uw Raad mocht reeds eerder oordelen: R.v.St. nr. 114.564, 16 januari 2003 http://www.raadvst-consetat.be (4 september 2003), M.E.R. 2003 (weergave DE COCK, K), afl. 2, 104. 'Uit het beperkte karakter van de verandering van een bestaande werkplaats en uit het feit dat deze verandering aansluit bij een reeds vergunde inrichting mag worden afgeleid dat zij niet zonder meer kan worden beschouwd als onverenigbaar met de bestemming woongebied. Uit het feit dat de bestendige deputatie in de vergunning een bijzondere vergunningsvoorwaarde heeft opgenomen om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de klagende omwonenden, blijkt dat de verenigbaarheid met de bestemming woonzone is onderzocht. Bovendien volgt uit de concrete omstandigheden dat een summiere motivering van de verenig- baarheid volstaat. M.b.t. de andere aangevoerde middelen oordeelt de Raad dat
(1)het al of niet naleven van de vergunningsvoorwaarden niet kan worden aangewend als middel om de wettigheid van de betwiste beslissing aan te vechten,
(2)de eventuele gebrekkige bekendmaking van de beslissing in eerste aanleg de wettigheid van de beslissing in beroep niet kan aantasten en
(3)het beginsel van het recht van verdediging niet geldt in het kader van de administratieve beroepsprocedure tegen een milieuvergunning'. (...) De verzoekende partij kan het eventueel niet naleven van de vergunnings- voorwaarden door tussenkomende partij dan ook niet aanwenden om de vernietiging van de beslissing te verantwoorden. VII-30.735-18/23 De tussenkomende partij moet de afvalstoffen bevochtigen, of het nu vriest of niet. Hoe zij dit zal doen dat is een probleem van uitvoering en dus enkel haar probleem. Wat betreft de andere aangevoerde argumenten heeft de vergunningverlenen- de overheid beslist dat de door haar opgelegde vergunningsvoorwaarden voldoende waren om de stofhinder te beperken en zij heeft dit ook uitgebreid uiteengezet in haar beslissing! Het feit dat de verzoekende partij daar anders over denkt, is geen grond om tot schending van de formele motiveringsplicht te besluiten"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat het bestreden besluit overwegingen bevat ter beantwoording van de bezwaren van de verzoekende partij; dat zij deze overwegingen citeert en stelt dat zij binnen haar discretionaire bevoegdheid, en op basis van het gehele dossier, heeft geoordeeld dat de stofhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, dat de twijfels die de beroepsindiener tegen de opgelegde exploitatievoorwaarden heeft geuit, wel degelijk het handhavingsaspect ervan betreffen, dat de verzoekende partij niet voorhield dat bij windsnelheden kleiner dan 20 m/s stofhinder zou kunnen plaatsvinden, dat zij evenmin voorhield dat, indien de voorwaarden inzake bevochtigen van afvalstoffen worden nageleefd, nog stofhinder zou optreden, dat zij geenszins stelde dat de voorgestelde voorwaarden niet zouden volstaan, doch zich enkel vragen stelde omtrent het naleven ervan door de exploitant, dat de verwerende partij dan ook op basis van de exploitatiewijze, zoals voorgesteld in het aanvraag- dossier en rekening houdend met de bijkomend opgelegde exploitatievoorwaarden, kon oordelen dat de hinder beperkt zou blijven, dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt verwezen naar de informatie verkregen door de exploitant, bij het horen in de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, met name dat er vrijwel stofvrij kan worden geveegd en dat er een volledig gesloten sorteerhal en geen tribunemodel komt; dat de verwerende partij ten slotte met betrekking tot de (on)mogelijkheid van het bevochtigen bij vriesweer wijst op de relevante vergun- ningsvoorwaarden nummers 20 en 25 en stelt dat enkel tijdens langdurige periodes van droogte bevochtigen noodzakelijk is; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog aanvoert dat het niet voldoende is om in het vergunningsbesluit aan te geven dat er geen hinder zal worden veroorzaakt wanneer alle vergunningsvoorwaarden zouden worden nageleefd door de vergunninghouder, dat de vergunningverlenende overheid immers de verplichting heeft om de door een derde ingediende bezwaren te onderzoeken en te beantwoorden, dat het nalaten om bepaalde bezwaren te beantwoorden, strijdt met deze expliciete verplichting tot onderzoek en beantwoor- VII-30.735-19/23 ding van de ingediende bezwaren en opmerkingen, dat het bestreden besluit geen weerlegging bevat van de bezwaren van de verzoekende partij met betrekking tot de bevochtiging van afvalstoffen bij vriesweer, dat dit door de tussenkomende partij in haar laatste memorie ook niet wordt aangetoond, dat in het bestreden besluit evenmin een uitspraak wordt gedaan omtrent het door de verzoekende partij aangekaarte probleem van de aan- en afvoer van de afvalstoffen en de uitvoering van de activiteiten in een half-open loods, dat aldus de stelling van de tussenkomende partij dat de verwerende partij een voor een zou zijn ingegaan op de bezwaren van de verzoekende partij niet kan worden bijgetreden, dat de verwerende partij enkel het oordeel van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen bevestigt, dat dit niet volstaat, dat aan de overeenkomstig artikel 52, 3/, b), van Vlarem I opgelegde verplichting om de opgemerkte bezwaren te weerleggen, niet kan worden voldaan door te stellen dat er niet moet worden ingegaan op de bezwaren, aangezien er in de praktijk beweerdelijk geen hinder zal worden veroorzaakt; dat de verzoekende partij voorts verwijst naar het arrest van de Raad van State nr. 167.376 van 1 februari 2007 en stelt dat de door de tussenkomende partij aangehaalde rechtspraak van de Raad van State juist moet worden gelezen, dat de Raad van State weliswaar van oordeel is dat niet in detail op elk aangebracht argument moet worden ingegaan, maar dat de Raad van State expliciet stelt dat de vergunningverlenende overheid duidelijk de redenen moet doen kennen waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen, dat te dezen in het bestreden besluit onvoldoende wordt aangehaald waarom de wettigheidskritieken uit het administratief beroepschrift niet worden gevolgd, dat de verwerende partij immers enkel stelt dat er in de praktijk geen stofhinder zal zijn wanneer de voorwaarden zullen worden nageleefd, dat het verweer van de tussenkomende partij met betrekking tot het vermeende vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij bij het middel dat de schending van de formele motiveringsplicht aantoont, niet kan worden bijgetreden; dat de verzoekende partij ten slotte opmerkt dat de tussenkomende partij de bal mis slaat waar zij stelt dat de verzoekende partij met dit middel het niet-naleven van de vergunningsvoorwaarden door de tussenkomende partij zou willen aankaarten, dat dit middel niet de uitvoering van de bestreden milieuvergunning, maar wel de niet-afdoende motivering van het vergunningsbesluit betreft; 3.
- Overwegende dat luidens artikel 52, 3/, b), van Vlarem I de uitspraak over het administratief beroep tegen een in eerste aanleg genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag een gemotiveerde beslissing moet omvatten over de aanspraken en bezwaren die door de indieners van het beroep VII-30.735-20/23 werden gesteld; dat een afdoende motivering dus veronderstelt dat in een beslissing zoals de thans bestredene een antwoord wordt gegeven op de bezwaren en aanspraken die een naburig bedrijf tijdens de vergunningsprocedure naar voor heeft gebracht; dat hoewel met de verwerende partij kan worden aangenomen dat die specifieke motiveringsvereiste niet inhoudt dat expliciet en in detail een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde argumenten, het niettemin noodzakelijk is dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen; dat in de regel de motivering in het licht van de in het beroepschrift naar voor gebrachte bezwaren slechts afdoende kan zijn wanneer een antwoord wordt gegeven op de argumenten die met betrekking tot de beoordeling van de hinderlijkheid van de inrichting het belangrijkste zijn en die in dat opzicht het meest determinerend zijn voor de uitspraak over het ingestelde beroep; Overwegende dat men een onderscheid moet maken tussen enerzijds de effectiviteit van opgelegde vergunningsvoorwaarden, met name de vraag of deze voorwaarden uitvoerbaar zijn en volstaan om de hinder binnen aanvaardbare perken te houden, en anderzijds het in de praktijk naleven van de vergunningsvoorwaarden door de exploitant; dat het eerste aspect bij de beslissing over de vergunningsaanvraag en de wettigheid ervan hoort en het tweede een zaak van toezicht en handhaving is; dat de in het administratief beroep geuite kritiek er grotendeels om gaat dat de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden niet afdoende zijn om de hinder binnen aanvaardbare perken te houden; dat de motivering in het bestreden besluit "(...) dat in het bestreden besluit reeds een hele reeks maatregelen als bijzondere voorwaarden werden opgelegd om stofhinder te vermijden; dat dus kan aangenomen worden dat, wanneer deze maatregelen zorgvuldig worden toegepast, de stofhinder beperkt zal blijven" niet kan worden beschouwd als een antwoord op die kritiek, ook niet op impliciete wijze; dat uit de motivering van het bestreden besluit derhalve niet blijkt dat de stofhinder, verbonden aan de exploitatie van de inrichting, door de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden binnen aanvaardbare perken kan worden gehouden; dat moet worden vastgesteld dat de verwerende partij niet antwoordt op de argumenten die de verzoekende partij in haar administratief beroep heeft aangebracht tegen de door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen opgelegde vergunningsvoorwaarden, maar deze bevestigt en dat de weerlegging van een aantal beroepsargumenten van de verzoekende partij in de VII-30.735-21/23 laatste memorie van de verwerende partij ook niet volstaat om de bestreden beslissing alsnog te valideren; dat, ten slotte, de stelling van de verwerende partij dat de kritiek van de verzoekende partij op de vergunningsvoorwaarden aantoont dat zij de motieven kent zodat voldaan is aan de motiveringswet, niet opgaat; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 23 juli 2003 waarbij het beroep ingesteld door de NV DBM COLOR tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 9 januari 2003, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA CEDRIC KENNOF om een inrichting voor de behandeling en sortering van bouw- en sloopafval, gelegen aan de Kwatrechtsteenweg 164 te Wetteren, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-30.735-22/23 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-30.735-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.708 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div