id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.709 Rolnummer: A. 188673/VII-37214 Zaak: Arrest 188709 - Milieuvergunningen - 11/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 09:44 Fiche Arrest nr 188.709 van 11 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.709 van 11 december 2008 in de zaak A. 188.673/VII-37.
- In zake :
- Paula HOUTHOOFD,
- Paul VERHAEGHE, die woonplaats kiezen bij advocaten S. RONSE en B. VANDROMME, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiezest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de BVBA BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ, gevestigd te WAREGEM, Papegaaistraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paula HOUTHOOFD en Paul VERHAEGHE op 23 juni 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 april 2008 waarbij de onder meer door de verzoekende partijen ingestelde beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 8 november 2007 houdende het verlenen aan de BVBA BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ van de vergunning voor het exploiteren van een tankstation, gelegen aan de Oudenaarde- straat te Anzegem-Vichte, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; VII-37.214-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 27 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDROMME, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging Met een verzoekschrift van 12 juli 2008 vraagt de BVBA BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ, begunstigde van de milieuvergun- ning, om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Dit verzoek kan worden ingewilligd.
- De feiten 2.1 Op 3 mei 2007 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een vergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een tankstation, gelegen aan de Oudenaardestraat te Vichte (Anzegem). Het gaat om een nieuwe inrichting die wordt gepland op een perceel dat volgens het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1977, gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrie. 2.
- Op 8 november 2007 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. VII-37.214-2/10 2.
- Tegen dit besluit wordt bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur beroep ingesteld door verschillende omwonenden, waaronder de thans verzoekende partijen. In hun beroepschrift voeren de verzoekende partijen onder meer het volgende aan : "
- Mobiliteit Net zoals bij de argumentatie voor de betoncentrale waarbij de mobiliteit, ook door de bestendige deputatie van West-Vlaanderen, als een belangrijk element werd aangevoerd om de vergunning te weigeren (besluit van 11 juni 2007) menen wij dat hier ook het element telt. Het benzinestation heeft tot doel industriële klanten te bedienen. Op die manier wordt de Oudenaardestraat nogmaals de aantrekkingspool voor extra zwaar verkeer. In de Oudenaardestraat is er nu al verkeersoverlast door het extra verkeer van de Heirweg (Betoncentrale Douterloigne nu CRH), verkeer van Termote Van Halst uit Waregem, uit KMO-zone Huttegem, en de verkeersas Vichte- Anzegem waar zich ook tal van bedrijven bevinden. Opnieuw is het Anzegemse Ruimtelijk Structuurplan, voor wat betreft het herinrichten van de Oudenaardestraat tot echte centrumstraat, erg duidelijk. Alle activiteiten die in tegenspraak zijn met deze visie moeten worden geweerd. Wij citeren hier uit uw Structuurplan (deel 2 richtinggevend gedeelte p. 56) : 'Door de herinrichting van het openbaar domein met verkeersremmen- de elementen (zoals 'poorten', verkeersplateau's, bermen...) en met veilige fietsvoorzieningen en voetpaden moet de verblijfsfunctie langs deze wegen verhoogd worden. Vooral de Oudenaardestraat-Heirbaan én het kruispunt met de Waregemstraat-Bosstraat zouden grondig heringericht moeten worden... De centrumfunctie van het noordoostelijke kwadrant, dat aansluit bij de wijk 'Nieuw Centrum' dient te worden behouden. De Oudenaardestraat dient als een echte centrumstraat te worden hering- ericht'. (...)
- Toetsing aan de ruimtelijke ordening Het gewestelijk ruimtelijk structuurplan voor deze site is nagenoeg twintig jaar oud, en werd destijds genomen als uitbreidingsmogelijkheid van het toen bloeiende bedrijf STERVERLYNCK dat honderden mensen aldaar tewerkstel- de. Ondertussen is het verkeer op de aanpalende wegen zeer intensief te noemen. De Oudenaardestraat verbindt twee toegangswegen tot de E17, en loopt voor een stuk parallel met de autosnelweg, zodat zij de verbindingsweg is tussen meerdere dorps- en stadskernen met belangrijke groeiende bedrijvencentra (b.v. Zwevegem-Waregem). Uit het dossier ANN-SOPHIE blijkt dat deze straat reeds verzadigd is. Zij is ook onveilig : de gemeente heeft reeds plannen laten uittekenen om de straat her aan te leggen tegen onaangepaste snelheid. (...)". In hun beroepschrift vragen de verzoekende partijen om te worden gehoord in de loop van de beroepsprocedure. 2.
- Met een brief van 22 januari 2008 deelt het afdelingshoofd van de afdeling Milieuvergunningen aan de verzoekende partijen mee dat "om reden van VII-37.214-3/10 materiële aard" geen positief gevolg kan worden gegeven aan hun verzoek om te worden gehoord. 2.
- Het Agentschap voor Natuur en Bos meent dat de exploitatie van de inrichting geen negatieve effecten zal hebben op de bos- en natuurwaarden, indien op milieutechnisch vlak wordt voldaan aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II). De afdeling Milieuvergunningen, de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseren eveneens gunstig. 2.
- De tussenkomende partij werd op haar uitdrukkelijk verzoek wel gehoord tijdens de beroepsprocedure. 2.
- Met een besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 april 2008 worden de ingestelde beroepen ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 8 november 2007 integraal bevestigd. Dit besluit is onder meer als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat het project een 20.40 m brede en 48.40 m lange werkplaats omvat op 14 m van de linkse en 13.00 m van de voorste perceels- grens; dat rondom verharding is voorzien voor een parking en manoeuvreer- ruimte voor vrachtwagens; dat er vooraan een grote luifel met drie brandstof- verdeelinstallaties wordt gepland; dat behoudens één grote brandstoftank de meeste brandstofhouders zich vooraan bevinden achter de werkplaats, allen ondergronds; dat er achteraan de werkplaats zich eveneens een wasplaats voor voertuigen bevindt; dat er langs de inrichting een groenscherm wordt voorzien; dat dit vooraan links (zijde industriegebied) 2 m breed is; dat dit achteraan 6 m breed is; dat rechts een deel van het terrein ingenomen wordt door een weide, die ook door een bufferstrook met groenaanleg afgescheiden wordt van het omliggende landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het bedrijventerrein zelf; dat deze weide echter nog gelegen is in het industriegebied; (...) Overwegende dat de beroepsindieners verwijzen naar het dossier NV Ann-Sophie; dat het dossier NV Ann-Sophie echter een andere milieuvergun- ningsaanvraag betreft; dat elk dossier aangaande een milieuvergunningsaan- vraag zijn eigen, specifieke kenmerken heeft, en afzonderlijk moet beoordeeld worden, ook wat het al dan niet veroorzaken van hinder betreft; Overwegende dat titel I van het VLAREM de deputatie geen verplichting oplegt om de bezwaarindieners te horen; Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 150 m van het dichtstbijgelegen woongebied; dat gezien de ruime afstand tot het dichtstbijge- legen woongebied, de inrichting geen bovenmatige hinder zal veroorzaken ten opzichte van de omwonenden in het woongebied; dat er aan de overkant van de straat een paar bedrijven en enkele woningen in industriegebied gelegen zijn; VII-37.214-4/10 dat er in de omgeving eveneens enkele woningen in agrarisch gebied gelegen zijn; Overwegende dat de inrichting gelegen is aan een vrij drukke tweevaksbaan Vichte-Anzegem op circa 400m afstand van het centrum van Vichte; dat gezien het drukke verkeer op de rijweg, de plaatsing van een nieuw benzinestation geen noemenswaardige impact zal hebben op de geluidshinder; dat de inrichting dient te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen inzake geluid; Overwegende dat tijdens het plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen er geen sprake was van een risico op filevorming; dat mag aangenomen worden dat het tankstation geen bovenmatige verkeersoverlast zal veroorzaken; dat de Oudenaardestraat voldoende breed is om een veilige verkeersafwikkeling toe te laten".
- De beoordeling 3.
- Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daaromtrent in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzit- ting nog door de verzoekende partijen wordt bijgebracht. 3.
- De verzoekende partijen voeren als eerste middel de schending aan van de "algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbe- ginsel en het redelijkheidsbeginsel". Het middel bestaat uit twee onderdelen. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat hun grieven inzake de mobiliteitsproblemen niet op een afdoende wijze werden onderzocht. Zij wijzen in dit kader in hoofdorde naar de recente weigeringsbeslissingen van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen in eerste aanleg en van de bevoegde minister in hoger beroep, inzake een milieuvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een betoncentrale aldaar, die waren gesteund op de ernstige verkeershinder in combinatie met de aard van de onmiddellijke omgeving. Zij stellen dat de verwerende partij niet aantoont dat er rekening werd gehouden met de mogelijke verkeershinder die ze in de vorige procedure omtrent dezelfde percelen wél ernstig genoeg vond om de vergunning te weigeren. Zij betogen dat het evident is dat bij het vergunnen van een tankstation, dat is gericht op zwaar verkeer ("vrachtwagens VII-37.214-5/10 en landbouwvehikels"), de verkeershinder een ernstig te onderzoeken grief is en dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat dit ook werd onderzocht. De verwijzing naar een plaatsbezoek van een ambtenaar van de afdeling Milieuvergunningen waarvan de besluiten zelfs niet worden meegedeeld, is volgens de verzoekende partijen niets meer dan een louter gezagsargument waarvan niet kan worden nagegaan of deze bevindingen wel relevant zijn noch of ze de bestreden beslissing kunnen schragen. Dit maakt volgens de verzoekende partijen een schending uit van de materiële motiveringsplicht. In het tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de toetsing van de milieuvergunningsaanvraag aan de onmiddellijke omgeving en de plaatselijke aanleg kennelijk gebrekkig is. Enerzijds zou de verwijzing naar een naastgelegen weide in industriegebied, die een feitelijk aanwezige buffer zou vormen, een louter feitelijke vaststelling betreffen, waarbij nergens als voorwaarde zou worden opgelegd dat deze weide als buffer moet dienen, hetgeen een grote juridische onzekerheid zou betreffen. Anderzijds zou de motivering in het bestreden besluit inzake de toetsing van de inrichting met de plaatselijke aanleg, waaronder de vaststelling dat er in de omgeving enkele woningen in agrarisch gebied zijn gelegen, niet afdoende zijn, en alleszins geen rekening houden met de dichtbij gelegen woning van de verzoekende partijen. 3.3.
- Het motief in verband met het plaatsbezoek laat op het eerste gezicht toe te besluiten dat de bezwaren inzake mobiliteit wel degelijk werden onderzocht en beantwoord. De verzoekende partijen tonen niet aan dat dit motief feitelijk onjuist is. De verwijzing in de bestreden beslissing naar de bevindingen van een beëdigd ambtenaar vormen geen onwettigheid. De verwerende partij heeft voorts op goede gronden kunnen oordelen dat het dossier van de betoncentrale, de NV ANN-SOPHIE, een "andere milieuvergunningsaanvraag" betreft en dat "elk dossier aangaande een milieuvergunningsaanvraag zijn eigen, specifieke kenmerken heeft, en afzonderlijk moet beoordeeld worden, ook wat het al dan niet veroorzaken van hinder betreft". In de loutere vaststelling dat voor een milieuvergunningsplich- tig project op dezelfde plaats in het ene geval de vergunning wordt geweigerd, en in het andere geval de vergunning wordt verleend, ligt niet automatisch een schending van het rechtszekerheids- en het redelijkheidsbeginsel besloten, te meer wanneer het zoals in casu inrichtingen betreft waarvan, zoals de verwerende partij beklemtoont, de concrete kenmerken verschillend zijn. De verzoekende partijen brengen trouwens zelf geen enkel concreet gegeven bij op grond waarvan geredelijk VII-37.214-6/10 moet worden aangenomen dat de verkeershinder die met de exploitatie van het vergunde tankstation gepaard gaat vergelijkbaar is met de 94 zware transporten die in de vergunningsaanvraag van de NV ANN-SOPHIE werden aangekondigd. 3.3.
- De woning van de verzoekende partijen blijkt in het nabijgelegen agrarisch gebied te liggen. In het bestreden besluit wordt onder meer overwogen dat er "in de omgeving eveneens enkele woningen in agrarisch gebied gelegen zijn". Hiermee lijkt ook de woning van de verzoekende partijen te zijn bedoeld. Ook in het gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbe- leid, waar in de aanhef van het bestreden besluit naar wordt verwezen, wordt gesteld dat "op ca 50 m van het grootste deel van de ondergrondse reservoirs (240.000 liter) (...) een woning voor(komt), gelegen in het aanpalende landschappelijk waardevol agrarisch gebied". Klaarblijkelijk gaat het ook hier over de woning van de verzoekende partijen. Hieruit lijkt op het eerste gezicht geen onzorgvuldigheid in hoofde van de verwerende partij te kunnen worden aangenomen inzake de beschrijving van de bestaande bewoning in de onmiddellijke nabijheid van het industriegebied waarin het benzinestation zal worden opgericht. Aangezien het gaat om een puur feitelijke beschrijving, valt niet in te zien waarom de in het bestreden besluit opgegeven beschrijvende motieven niet afdoende zouden zijn. Het bestreden besluit bevat ook andere motieven waarin de mogelijk nadelige milieu-effecten van de inrichting op de onmiddellijke omgeving worden onderzocht. In zoverre in het bestreden besluit wordt geoordeeld dat er van overmatige hinder voor de buurt geen sprake is, heeft deze beoordeling ook betrekking op de (leef)omgeving van de verzoekende partijen. De bestreden milieuvergunning laat geen vergunningsplichti- ge activiteiten toe in de betrokken bufferzone. De verzoekende partijen beklemtonen enkel de "onzekere" toekomstige bestemming van de weide in kwestie. Zij kunnen echter de beweerde onwettigheid van de bestreden milieuvergunning niet baseren op rechtsgevolgen die niet door het bestreden besluit in het leven worden geroepen. Het eerste middel is niet ernstig. 3.
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, de artikelen 24, § 4, en 28, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen VII-37.214-7/10 en het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen vragen ook toepassing te maken van artikel 159 van de Grondwet. De bestreden beslissing is volgens de verzoekende partijen onwettig, omdat zij niet werden gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en omdat hun vraag om te worden gehoord, werd beantwoord met een loutere stijlformule. Ondergeschikt, stellen de verzoekende partijen dat de ongelijkheid die Vlarem I invoert in zijn artikel 28, § 4, op zich de rechtsgelijkheid tussen burgers schendt. Artikel 28, § 4, van Vlarem I bepaalt immers dat de aanvrager verplicht wordt gehoord en andere partijen - zoals bezwaarindieners - kunnen worden gehoord. Het mondeling horen zou volgens de verzoekende partijen "een interactief surplus" met zich brengen. De omstandigheid dat de bezwaarindieners, in tegenstelling tot de aanvragers, overeenkomstig artikel 28, § 4, van Vlarem I niet moeten worden gehoord, schendt, steeds volgens de verzoekende partijen, het gelijkheidsbeginsel. Die bepaling moet dan ook buiten toepassing worden verklaard op grond van artikel 159 van de Grondwet, zodat de bestreden beslissing onwettig is. 3.
- Het horen van omwonenden tijdens de beroepsprocedure op grond van artikel 28, § 4, van Vlarem I is louter facultatief, zodat het afwijzen door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van een verzoek in die zin geen schending impliceert van deze bepaling en die afwijzing evenmin moet worden gemotiveerd. Het niet horen van de omwonenden impliceert evenmin een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, vermits deze omwonenden zowel naar aanleiding van het openbaar onderzoek tijdens de procedure in eerste aanleg als in hun beroepschrift tegen de in eerste aanleg genomen beslissing hun bezwaren respectievelijk hun middelen naar voor hebben gebracht en deze laatste aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ter kennis zijn gebracht. De verzoekende partijen hebben de kans gekregen en benut om hun grieven schriftelijk te formuleren, zodat de beroepsinstantie van hun argumenten kennis heeft kunnen nemen. De verzoekende partijen zetten evenmin concreet uiteen waaruit het zogenaamde "interactief surplus" zou bestaan. Het tweede middel is niet ernstig. 3.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken, VII-37.214-8/10 VII-37.214-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de BVBA BRANDSTOFFEN VERCAEMST-DEPREZ in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.214-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.709 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div