← België

Arrest 188739 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.739 Rolnummer: A. 79594/X-13470 Zaak: Arrest 188739 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-19 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 09:48 Fiche Arrest nr 188.739 van 11 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.739 van 11 december 2008 in de zaak A. 79.594/X-13.

  1. In zake : Jan LEYSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat B. BIESEMANS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29, bus 1 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, thans de minister van Ondernemen,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat S. BUTENAERTS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II laan
  4. tussenkomende partij : de n.v. CORENOX, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIËN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir
  5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan LEYSSENS op 29 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  6. Het Koninklijk besluit van 18 mei 1998 (A. 324-2807) waarbij de oprichting van installaties voor het vervoer van waterstof door middel van leidingen, die private gronden bezetten op het grondgebied ondermeer van de gemeenten Lennik, van openbaar nut verklaard wordt (waterstofleiding ND 150 : Schelle-Le Roeulx, vak: Schelle-Halle), en dit ten gunste van de NV CORENOX, M. Destenaylaan 13, 4000 LUIK;
  7. De bouwvergunning op 25 mei 1998 afgeleverd door de waarnemend Directeur- generaal van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen, aan de NV CORENOX, M. Destenaylaan 13 te 4000 Luik, in hoedanigheid van eigenaar van de waterstofleiding, voor het uitvoeren van volgende werken en handelingen: ‘aanleg van een ondergrondse X-13.470-1/14 waterstofleiding ND 150 van Schelle naar Halle en de aanleg van afsluiterposten te Schelle en te Dilbeek’”; Gelet op het arrest nr. 79.403 van 23 maart 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 15 april 1999 ingediend door de verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 8 november 1999 ingediend door de n.v. CORENOX; Gelet op de beschikking van 26 november 1999 die de tussenkomst van de n.v. CORENOX toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 25 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. BIESEMANS, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat C. COEN, die loco advocaat E. VERVAECKE verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat E. BAILLEU, die loco advocaat S. BUTENAERTS verschijnt voor de tweede X-13.470-2/14 verwerende partij, en van advocaat J. DE CONINCK, die loco advocaten P. MALLIËN en P. DE SOMER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  8. Rechtspleging De memorie van antwoord van de tweede verwerende partij werd laattijdig ingediend en dient derhalve uit de debatten te worden geweerd.
  9. Feiten 2.
  10. De verzoeker is samen met zijn echtgenote eigenaar van verscheidene percelen te Lennik, kadastraal bekend sectie F, nrs. 163/a, 172/a, 179 en 189/a. Op deze percelen zijn drie ondergrondse pijpleidingen aanwezig sinds de jaren zeventig. 2.
  11. In de loop van 1994 gaat de verzoeker met betoelaging vanwege het Vlaamse Gewest over tot bebossing van deze percelen. Op 3 mei 1995 wijst de exploitant van de betrokken leidingen de verzoeker er in een brief op dat boven de betrokken leidingen geen bomen mogen worden aangeplant en verzoekt hij hem deze bomen te verwijderen. 2.
  12. Op 3 juni 1997 dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot het bekomen van een verklaring van openbaar nut voor de oprichting van een bijkomende waterstofleiding naast de bestaande leidingen op het grondgebied van de gemeenten Schelle, Bornem, Puurs, Sint-Amands, Londerzeel, Merchtem, Asse, Dilbeek, Ternat, Lennik, Pepingen, Sint-Pieters-Leeuw en Halle. Het voorgestelde tracé loopt over de voormelde percelen van de verzoeker. X-13.470-3/14 2.
  13. De gemeente Lennik gaat overeenkomstig de voorschriften over tot een onderzoek de commodo et incommodo betreffende de voorgenomen “bijkomende pijpleiding voor het vervoer van waterstof evenwijdig met de bestaande pijpleiding Feluy-Antwerpen”. Daartoe ligt het dossier een maand lang ter inzage op het gemeentehuis. De verzoeker dient twee bezwaarschriften in. 2.
  14. Bij koninklijk besluit van 18 mei 1998 wordt de aanleg van de waterstofleiding van openbaar nut verklaard en wordt toestemming gegeven om daarvoor private gronden en onder meer de hierboven genoemde percelen van de verzoeker te bezetten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. Dit is de eerste bestreden akte. Dit besluit is onder meer gemotiveerd als volgt: “Gelet op de liggingsplannen nummers (...); Gelet op het proces-verbaal van onderzoek opgesteld door de gemeenten Schelle, Bornem, Puurs, Sint-Amands, Londerzeel, Merchtem, Asse, Dilbeek, Ternat, Lennik, Pepingen, Sint-Pieters-Leeuw en Halle; Overwegende dat het niet mogelijk is over de ganse lengte van het tracé het openbaar domein te gebruiken; Overwegende dat in sommige gevallen privé-gronden niet kunnen vermeden worden wegens de noodzakelijkheid om bepaalde bestemmingszones te vermijden, om technische en/of economische redenen en omwille van bepaalde eisen van openbare besturen en diensten in het kader van de gasvervoervergunning voor de betreffende gasvervoerinstallaties; Overwegende dat de ontvangen bezwaarschriften en mondelinge klachten, ingediend in het kader van het onderzoek tot verklaring van openbaar nut, geen enkel wettelijk beletsel vormen tegen de verklaring van openbaar nut van deze gasvervoerinstallaties en hun tracé; (...) Overwegende dat deze installaties het kenmerk van openbaar nut vertonen”. 2.
  15. Op 14 juli 1997 vraagt de tussenkomende partij tevens de toelating voor de oprichting en de exploitatie van voornoemde waterstofvervoerinstallaties. Nadat de door het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende het toekennen van toelatingen voor gasvervoer door middel van leidingen voorgeschreven adviezen werden ingewonnen, verleent de minister van Economie bij besluit van 21 april 1998 de toelating aan de tussenkomende partij om waterstof in gasvormige toestand te vervoeren door middel van een ondergrondse leiding van Schelle naar Le Roeulx. X-13.470-4/14 2.
  16. Op 19 mei 1998 beslist de Vlaamse Regering tot de voorlopige vaststelling van een wijziging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, waarbij op het gewestplan het tracé van een waterstoftransportleiding wordt ingetekend langs de drie reeds bestaande transportleidingen tussen Antwerpen en Feluy, voor het tracégedeelte tussen Londerzeel en Halle. 2.
  17. Op 25 mei 1998 verleent de waarnemend directeur-generaal van AROHM de bouwvergunning voor de aanleg van een ondergrondse waterstofleiding van Schelle naar Halle die de tussenkomende partij op 14 juli 1997 had aangevraagd. Dit is de tweede bestreden akte. 2.
  18. Op 10 december 1999 stelt de Vlaamse Regering definitief de wijziging vast van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse.
  19. Ontvankelijkheid 3.1.
  20. De verwerende partijen en de tussenkomende partij stellen dat het beroep onontvankelijk is in de mate dat twee afzonderlijke besluiten worden aangevochten die geen inhoudelijke samenhang vertonen. Op zijn minst voor één van de twee bestreden besluiten moet het beroep bijgevolg onontvankelijk worden verklaard. 3.1.
  21. Ook al gaan de twee bestreden besluiten uit van twee verschillende overheden en hebben ze een onderscheiden draagwijdte, toch vertonen ze een voldoende inhoudelijke samenhang om met één verzoekschrift tot nietigverklaring te kunnen worden aangevochten. Aangezien bovendien de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij (door het tweede bestreden besluit) enkel mogelijk is indien die partij zekere rechten kan laten gelden op de percelen van de verzoeker overeenkomstig het eerste bestreden besluit, vereist de goede rechtsbedeling dat de twee bestreden besluiten in eenzelfde geding worden onderzocht. 3.1.
  22. De excepties zijn niet gegrond. 3.2.
  23. De eerste verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten het belang van de verzoeker bij de nietigverklaring van de bestreden besluiten. X-13.470-5/14 De eerste verwerende partij stelt dat de verzoeker niet op of aan de betrokken percelen woont en derhalve geen hinder ondervindt van de vergunde werken, dat de impact van de werken op de percelen beperkt is en slechts een minieme en legale beperking van het eigendomsrecht van de verzoeker inhoudt en dat de verzoeker niet aangeeft welke genotsvermindering hij ondervindt door deze werken. De tussenkomende partij werpt op dat op de betrokken percelen reeds sinds de jaren ’70 drie pijpleidingen aanwezig zijn van FINA-Neste en van de Nationale Maatschappij der Pijpleidingen. Die installaties zijn reeds in 1970 resp. in 1975 van openbaar nut verklaard. In strijd met de daardoor geldende beperkingen ingevolge erfdienstbaarheden van openbaar nut heeft de verzoeker bomen aangeplant binnen de beschermde en zelfs binnen de voorbehouden zone, ondanks de aanmaningen van de exploitant van de pijpleidingen om die bomen te verwijderen. De verzoeker ontbeert derhalve het rechtens vereiste belang om de beperking van zijn eigendomsrecht aan te klagen, temeer daar die beperking reeds voltrokken is door de verklaringen van openbaar nut van de bestaande pijpleidingen. Voor wat betreft het door de verzoeker ingeroepen gevaar blijkt uit het milieu-effectenrapport en uit de ervaring met bestaande pijpleidingen dat het vervoer van waterstof langs pijpleidingen veilig is. Bovendien werd de geldende reglementering nageleefd en wordt het overgrote deel van ongevallen juist veroorzaakt door derden die die reglementering niet naleven. Ook op dit punt beschikt de verzoeker niet over het vereiste belang. 3.2.
  24. In tegenstelling tot wat de verzoeker in zijn verzoekschrift aanvoert, kan zijn belang bij de vernietiging van de bestreden besluiten alleszins niet worden afgeleid uit het rooien van de aangeplante bomen binnen de beschermde zone rond de pijpleidingen die reeds in het verleden van openbaar nut werden verklaard. Die aanplanting gebeurde immers in strijd met de geldende voorschriften, zoals blijkt uit artikel 24 van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen. De verzoeker kan zich dienaangaande niet beroepen op een ongeoorloofd en onwettig belang. In de mate dat de bestreden besluiten evenwel leiden tot een uitbreiding van de beschermde zone en tot de rooiing van bomen die tot dan toe wel rechtmatig waren aangeplant, heeft hij wel een belang bij de vernietiging van die besluiten. X-13.470-6/14 Ook al ondergaat de verzoeker reeds een erfdienstbaarheid van openbaar nut ten aanzien van de bestaande pijpleidingen, toch ontneemt dit hem niet het belang om de vernietiging te vorderen van een besluit dat een nieuwe erfdienstbaarheid instelt voor de nieuwe pijpleiding. Ook het feit dat hij niet woont op de betrokken percelen neemt niet weg dat zijn beschikkingsvrijheid een nieuwe beperking ondergaat door de bestreden besluiten en dat hij bijgevolg over het rechtens vereiste belang beschikt om deze besluiten aan te vechten. 3.2.
  25. De excepties zijn niet gegrond.
  26. Ten gronde 4.1.
  27. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan door het eerste bestreden besluit van artikel 16 van de Grondwet, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna: de wet van 12 april 1965) en van het besluit van 29 november 1994 van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en Infrastructuur waarbij aan de verzoeker een subsidie werd toegekend voor bebossing of herbebossing van de betrokken percelen. In een eerste onderdeel stelt hij dat het eerste bestreden besluit installaties toestaat die niet stroken met de bestemming die de betrokken percelen hebben gekregen door het besluit van 29 november 1994, met name de bestemming als beschermd natuurgebied of alleszins een bepaalde bestemming waaraan een bepaald gebruik is verbonden. Aldus strijdt het eerste bestreden besluit met artikel 11 van de wet van 12 april 1965, dat bepaalt dat het gebruik waartoe het betrokken privaat domein is bestemd, moet worden geëerbiedigd. In een tweede onderdeel stelt hij dat het eerste bestreden besluit in strijd met artikel 7 van de wet van 12 april 1965 is uitgevaardigd zonder de door die wetsbepaling voorgeschreven raadpleging van de bestendige deputatie. 4.1.
  28. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 luidt als volgt: “Na onderzoek kan de Koning van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedebouwverordeningen. Deze verklaring van openbaar nut verleent aan de houder van een gasvervoervergunning of -toelating, ten voordele van wie zij wordt gedaan, het recht gasvervoerinstallaties op te richten onder, op of boven deze private X-13.470-7/14 gronden, het toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan, onder de voorwaarden welke in die verklaring zijn genoemd. Met de uitvoering van de werken mag eerst een aanvang worden gemaakt twee maanden nadat de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte zijn gebracht bij ter post aangetekend schrijven”. Artikel 11, eerste lid van dezelfde wet luidt als volgt: “Het gebruik waartoe het openbaar of het privaat domein dat gedeeltelijk wordt bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd. Deze bezetting brengt generlei bezitsberoving mee, maar vormt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke daad verbiedt welke de gasvervoerinstallatie of de exploitatie ervan kan schaden”. 4.1.
  29. Uit deze wetsbepalingen kan niet worden afgeleid dat de bestemming, waarvan sprake is in artikel 11, eerste lid, refereert aan een stedenbouwkundige bestemming. Daar komt nog bij dat de betrokken pijpleiding binnen een leidingstraat werd aangelegd die voorkomt op het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, meer bepaald door de bij besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 1998 goedgekeurde voorlopige gewestplanwijziging, die later bij besluit van 10 december 1999 definitief werd vastgesteld. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat het eerste bestreden besluit ingaat tegen de stedenbouwkundige bestemming van de betrokken percelen. Uit het loutere feit dat de verzoeker door het ministerieel besluit van 29 november 1994 een subsidie kreeg voor de bebossing van de betrokken percelen, kan geen juridische bestemming worden afgeleid waarmee het eerste bestreden besluit in strijd zou kunnen zijn. Ten slotte toont de verzoeker niet aan waarin de aangevoerde schending van artikel 16 van de Grondwet en van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte zou kunnen bestaan. In de mate dat deze bepalingen worden ingeroepen, is het middel onontvankelijk. 4.1.
  30. Het eerste middelonderdeel kan niet worden aangenomen. 4.1.
  31. Artikel 7 van de wet van 12 april 1965 luidt als volgt: “De vergunning of toelating bedoeld in artikel 3 wordt slechts verleend na voorafgaande raadpleging van de gemeente of van de provincie op wier openbaar domein de gasvervoerinstallaties komen. Komen die installaties op het openbaar domein van verschillende gemeenten, dan wordt bovendien de X-13.470-8/14 bestendige deputatie geraadpleegd. De Koning bepaalt de termijn binnen welke het advies moet worden gegeven”. Artikel 3 van dezelfde wet luidt als volgt: “Het gasvervoer als bedoeld in artikel 2, 1°, maakt het voorwerp uit van een vergunning. Het vervoer bedoeld in artikel 2, 2°, en in het laatste lid van artikel 2, is onderworpen aan een voorafgaande toelating wanneer gebruik moet worden gemaakt hetzij van het openbaar domein, hetzij van een privaat erf, dat niet aan de vervoerdienst, aan de vervoerder of aan de betrokken ondernemingen toebehoort. De Koning bepaalt de spoedprocedure die toepasselijk is op het vervoer waarvan sprake onder littera f) van artikel 2, 2°”. 4.1.
  32. Uit het voorgaande blijkt dat de raadpleging van de bestendige deputatie voorgeschreven is voor de vergunning of toelating voor gasvervoer door de leidingen, maar niet voor de verklaring van openbaar nut, bedoeld in artikel 10 van de wet. De door de verzoeker aangehaalde wetsbepaling heeft bijgevolg niet de draagwijdte die hij eraan geeft. 4.1.
  33. Het tweede middelonderdeel kan niet worden aangenomen. 4.1.
  34. Het eerste middel is niet gegrond. 4.2.
  35. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan door het eerste bestreden besluit van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook het ontbreken van feitelijke grondslag, het gebrek aan motivering en de tegenstrijdigheid in de motivering. Hij stelt dat in het eerste bestreden besluit niet nader wordt gemotiveerd waarom zijn eigendom, die eveneens als een zone met speciale bestemming en een speciaal gebruik moet worden beschouwd, niet kon worden vermeden. Ook geeft het besluit niet aan om welke “technische of economische redenen” en voor welke “eisen van openbare besturen en diensten” de betrokken percelen niet kunnen worden vermeden voor de doorvoer van gas. Ten slotte wordt evenmin verwezen naar de wettelijk vereiste raadpleging van de bestendige deputatie. X-13.470-9/14 4.2.
  36. Uit de motivering van het eerste bestreden besluit blijkt alvast dat het wel degelijk is gemotiveerd; een gebrek aan motivering of een schending van de formele motiveringsplicht kan derhalve niet met goed gevolg worden aangevoerd. 4.2.
  37. Naar luid van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen moet de opgelegde motivering “afdoende” zijn, wat betekent dat de opgegeven redenen het bestreden besluit moeten kunnen dragen. Aan de door deze wetsbepaling voorgeschreven motiveringsplicht is voldaan, wanneer het bestreden besluit duidelijk de redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat de adressaat of belanghebbende derden met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing kunnen opkomen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. 4.2.
  38. Uit de motivering van het eerste bestreden besluit kan worden opgemaakt dat de overheid heeft gepoogd om zoveel als mogelijk het openbaar domein te gebruiken, maar dat dit om de erin aangegeven redenen niet steeds mogelijk is gebleken en dat de leiding bijgevolg ook over privé-gronden moet lopen. Gelet op het grote aantal openbare en particuliere percelen waarover de pijpleiding zich uitstrekt, kan van de overheid niet redelijkerwijze worden verwacht dat voor elk afzonderlijk particulier perceel een motivering wordt gegeven van de concrete redenen waarom dat perceel niet kon worden vermeden. In uitvoering van de wet van 12 april 1965 voorziet het koninklijk besluit van 11 maart 1966 tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties in een openbaar onderzoek. De door de betrokken gemeenten bezorgde bezwaarschriften werden wel degelijk beoordeeld door de overheid die het eerste bestreden besluit heeft uitgevaardigd, zoals ook blijkt uit het administratief dossier, maar gelet op de omvang van die beoordeling kan geredelijk worden aangenomen dat ze niet in de motivering van het eerste bestreden besluit moet worden opgenomen. De verzoeker voert ook niet aan dat die beoordeling op onzorgvuldige of niet afdoende wijze zou zijn gebeurd. Om dezelfde reden kan ook niet worden vereist dat de bevindingen in het opgestelde milieu-effectenrapport met betrekking tot het tracé van de pijpleiding in de motivering van het bestreden besluit moet worden opgenomen. X-13.470-10/14 4.2.
  39. Voor wat betreft het niet-raadplegen van de bestendige deputatie wordt verwezen naar de bespreking van het tweede onderdeel van het eerste middel. 4.2.
  40. Het tweede middel is niet gegrond. 4.3.
  41. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan door het tweede bestreden besluit van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, van de wet van 12 april 1965, van de bepalingen van het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 3 oktober 1979, van de bepalingen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 7 maart 1977, van het besluit van 29 november 1994 van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en Infrastructuur waarbij aan de verzoeker een subsidie werd toegekend voor bebossing of herbebossing van de betrokken percelen, van de motiveringsplicht en van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”. Hij argumenteert dat het tweede bestreden besluit gesteund is op het eerste bestreden besluit, dat het in strijd is met de twee aangehaalde gewestplannen voor wat betreft de betrokken percelen en dat het tweede bestreden besluit in strijd is met de bestemming die zijn percelen hebben gekregen door het ministerieel besluit van 29 november
  42. Evenmin wordt aangetoond waarom wordt afgeweken, in strijd met het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”, van de bestemming die door het voormelde ministerieel besluit werd toegekend. De verzoeker voegt daar in de toelichtende memorie ten aanzien van de tweede verwerende partij aan toe dat zijn percelen volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse in landschappelijk waardevol agrarisch gebied zijn gelegen, dat de vergunde werken in strijd zijn met die bestemming en dat de aanpassing van het gewestplan met het oog op de nieuwe pijpleiding weliswaar voorlopig werd vastgesteld, maar nadien werd stopgezet wegens procedurefouten en dat een nieuwe procedure tot gewestplanwijziging nog steeds lopende is. 4.3.
  43. Ook al kan men met de verzoeker aannemen dat het tweede bestreden besluit ten minste gedeeltelijk steunt op het eerste bestreden besluit, toch blijken de twee middelen die zijn gericht tegen het eerste bestreden besluit ongegrond te zijn, zodat de onwettigheid van het tweede bestreden besluit daaruit alvast niet kan blijken. X-13.470-11/14 4.3.
  44. Voorts moet het middel zo worden begrepen dat de schending wordt aangevoerd van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), veeleer dan van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Op 10 december 1999 stelde de Vlaamse Regering definitief de wijziging vast van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, waarbij op het gewestplan het tracé van een waterstoftransportleiding wordt ingetekend langs de drie reeds bestaande transportleidingen tussen Antwerpen en Feluy. Uit de aanhef van dat besluit blijkt dat na de voorlopige vaststelling van de gewestplanwijziging door het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 1998 het openbaar onderzoek werd gehouden zonder dat evenwel de vereiste aankondiging was bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Om die reden werd een nieuw openbaar onderzoek ingericht, zonder dat evenwel de procedure werd stopgezet of dat om een andere reden de geldigheid van de voorlopig vastgestelde gewestplanwijziging zou zijn aangetast. Aangezien de Vlaamse Regering op 19 mei 1998 derhalve op geldige wijze besloten had tot de voorlopige vaststelling van de gewestplanwijziging, vermocht de overheid rekening te houden met de bepalingen van dat voorlopig vastgestelde gewestplan bij het afgeven van de bestreden vergunning, overeenkomstig de artikelen 2, § 2 en 43, § 2, vierde lid van het gecoördineerde decreet. Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen in de mate dat het gebaseerd is op de strijdigheid van het tweede bestreden besluit met de gewestplanbestemming. 4.3.
  45. Zoals reeds werd vastgesteld bij het onderzoek van het eerste middel, kan uit het loutere feit dat de verzoeker door het ministerieel besluit van 29 november 1994 een subsidie kreeg voor de bebossing van de betrokken percelen, geen bestemming worden afgeleid waarmee het eerste bestreden besluit in strijd zou kunnen zijn. Die bevinding geldt evenzeer voor wat betreft het tweede bestreden besluit. De subsidie die door de overheid wordt toegestaan voor de bebossing van de betrokken percelen houdt geen juridische vaststelling in van een bepaalde bestemming, laat staan een stedenbouwkundige bestemming. Er wordt door de verzoeker niet aangetoond met welke andere juridische bestemming het tweede bestreden besluit in strijd zou zijn. X-13.470-12/14 4.3.
  46. Nog afgezien van de vaststelling dat het ministerieel besluit van 29 november 1994 een heel andere draagwijdte had dan het tweede bestreden besluit en geen stedenbouwkundige maatregel of vergunning inhoudt, is het ministerieel besluit geen rechtsregel, maar wel een individuele beslissing, zodat het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” hier geen toepassing kan vinden. 4.3.
  47. De verzoeker toont ten slotte niet aan waarin de schending berust van de overige door hem ingeroepen rechtsregels en beginselen. 4.3.
  48. Het derde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  49. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  50. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-13.470-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. P. LEFRANC, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.470-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.739 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.79.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.