id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.740 Rolnummer: A. 103630/X-10291 Zaak: Arrest 188740 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-19 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 09:48 Fiche Arrest nr 188.740 van 11 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.740 van 11 december 2008 in de zaak A. 103.630/X-10.
- In zake : Jan LEYSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat B. BIESEMANS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 b 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg
- tussenkomende partij : de n.v. NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER PIJPLEIDINGEN, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan LEYSSENS op 24 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 13 februari 2001 waarbij de oprichting van installaties voor het vervoer van gas door middel van leidingen, die private gronden bezetten op het grondgebied van de gemeenten Merchtem, Asse, Dilbeek, Ternat, Lennik, Pepingen en Halle (propyleenvervoerinstallaties DN 200 HD Merchtem-Seneffe (Feluy) - vak Merchtem-Halle (Lembeek) van openbaar nut verklaard wordt; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 25 juni 2001 ingediend door de n.v. Nationale Maatschappij der Pijpleidingen; Gelet op de beschikking van 29 juni 2001 die de tussenkomst van de n.v. Nationale Maatschappij der Pijpleidingen toelaat; X-10.291-1/9 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. BIESEMANS, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoeker is samen met zijn echtgenote eigenaar van verscheidene percelen te Lennik, kadastraal bekend sectie F, nrs. 163/a, 172/a, 179 en 189/a. Op deze percelen zijn vier ondergrondse pijpleidingen aanwezig. X-10.291-2/9 1.
- Op 7 december 1999 dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot het bekomen van een verklaring van openbaar nut voor het aanleggen van een bijkomende propyleenleiding naast de bestaande leidingen op het grondgebied van de gemeenten Merchtem, Asse, Dilbeek, Ternat, Lennik, Pepingen, Sint-Pieters-Leeuw en Halle. Het voorgestelde tracé loopt over de voormelde percelen van de verzoeker. 1.
- De gemeente Lennik gaat overeenkomstig de voorschriften over tot een onderzoek de commodo et incommodo betreffende de voorgenomen “bijkomende pijpleiding voor het vervoer van waterstof evenwijdig met de bestaande pijpleiding Feluy-Antwerpen”. Daartoe ligt het dossier een maand lang ter inzage op het gemeentehuis. De raadsman van de verzoeker dient een bezwaarschrift in. 1.
- Bij koninklijk besluit van 13 februari 2001 wordt de aanleg van de propyleenleiding van openbaar nut verklaard en wordt toestemming gegeven om daarvoor private gronden en onder meer de hierboven genoemde percelen van de verzoeker te bezetten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. Dit besluit is onder meer gemotiveerd als volgt: “Gelet op de liggingsplannen nummers (...); Gelet op het proces-verbaal van onderzoek opgesteld door de gemeenten Merchtem, Asse, Dilbeek, Ternat, Lennik, Pepingen en Halle; Overwegende dat het niet mogelijk is over de ganse lengte van het tracé het openbaar domein te gebruiken; Overwegende dat in sommige gevallen privé-gronden niet kunnen vermeden worden wegens de noodzakelijkheid om bepaalde bestemmingszones te vermijden, om technische en/of economische redenen en omwille van bepaalde eisen van openbare besturen en diensten in het kader van de gasvervoervergunning voor de betreffende gasvervoerinstallaties; Overwegende dat de ontvangen bezwaarschriften en mondelinge klachten, ingediend in het kader van het onderzoek tot verklaring van openbaar nut, geen enkel wettelijk beletsel vormen tegen de verklaring van openbaar nut van deze gasvervoerinstallaties en hun tracé; (...) Overwegende dat deze installaties het kenmerk van openbaar nut vertonen”. X-10.291-3/9
- Ontvankelijkheid 2.
- De verwerende partij betwist het belang van de verzoeker bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. Zij stelt dat de verzoeker niet automatisch belang heeft bij het aanvechten van een besluit waarmee zijn percelen met een erfdienstbaarheid van openbaar nut worden belast, dat er reeds leidingen aanwezig waren op de percelen bij de aankoop door de verzoeker, dat het tracé van die leidingen is opgenomen in het toepasselijke gewestplan, dat de subsidie die hij heeft ontvangen voor de bebossing van de percelen niet relevant is voor zijn belang in deze zaak, dat de opgelegde beperking van het eigendomsrecht reeds volledig wordt gecompenseerd, dat de betrokken pijpleiding geen gevaar inhoudt, gelet op de bestaande veiligheidsvoorschriften en dat de verzoeker niet op of aan de betrokken percelen woont. 2.
- Ook al ondergaat de verzoeker reeds een erfdienstbaarheid van openbaar nut ten aanzien van de bestaande pijpleidingen, toch ontneemt dit hem niet het belang om de vernietiging te vorderen van een besluit dat een nieuwe erfdienstbaarheid instelt voor de nieuwe pijpleiding. Het feit dat voorzien wordt in een financiële compensatie voor de betrokken erfdienstbaarheid, betekent nog niet dat hij het belang verliest om zich te verzetten tegen het besluit dat de erfdienstbaarheid oplegt. Ook het feit dat hij niet woont op de betrokken percelen neemt niet weg dat zijn beschikkingsvrijheid een nieuwe beperking ondergaat door het bestreden besluit en dat hij bijgevolg over het rechtens vereiste belang beschikt om dit besluit aan te vechten. 2.
- De exceptie is niet gegrond.
- Ten gronde 3.1.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 16 van de Grondwet, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna: de wet van 12 april 1965) en van het besluit van 29 november 1994 van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en Infrastructuur waarbij aan de verzoeker een subsidie werd toegekend voor bebossing of herbebossing van de betrokken percelen. X-10.291-4/9 In een eerste onderdeel stelt hij dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat over een strook van ongeveer 40 meter breed geen bouwwerken of beplantingen zullen mogen worden aangebracht, geen graafwerken mogen worden uitgevoerd, en dat derden steeds vrije toegang kunnen krijgen tot deze strook. De verzoeker ondergaat derhalve een belangrijke beperking van zijn eigendomsrecht, zonder dat hij daarvoor een billijke en voorafgaande schadevergoeding ontvangt, wat strijdt met de voormelde grondwetsbepaling. Er werd immers geen enkele vergoeding uitgekeerd als compensatie voor deze nieuwe pijpleiding. In een tweede onderdeel stelt hij dat het bestreden besluit installaties toestaat die niet stroken met de bestemming die de betrokken percelen hebben gekregen door het besluit van 29 november 1994, met name de bestemming als beschermd natuurgebied of alleszins een bepaalde bestemming waaraan een bepaald gebruik is verbonden. Aldus strijdt het eerste bestreden besluit met artikel 11 van de wet van 12 april 1965, dat bepaalt dat het gebruik waartoe het betrokken privaat domein is bestemd, moet worden geëerbiedigd. 3.1.
- Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 luidt als volgt: “Na onderzoek kan de Koning van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedenbouwverordeningen. Deze verklaring van openbaar nut verleent aan de houder van een gasvervoervergunning of -toelating, ten voordele van wie zij wordt gedaan, het recht gasvervoerinstallaties op te richten onder, op of boven deze private gronden, het toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan, onder de voorwaarden welke in die verklaring zijn genoemd. Met de uitvoering van de werken mag eerst een aanvang worden gemaakt twee maanden nadat de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte zijn gebracht bij ter post aangetekend schrijven”. Artikel 11, eerste lid van dezelfde wet luidt als volgt: “Het gebruik waartoe het openbaar of het privaat domein dat gedeeltelijk wordt bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd. Deze bezetting brengt generlei bezitsberoving mee, maar vormt een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke daad verbiedt welke de gasvervoerinstallatie of de exploitatie ervan kan schaden”. 3.1.
- Uit deze wetsbepalingen blijkt vooreerst dat de verklaring van openbaar nut niet leidt tot een eigendomsoverdracht, maar enkel een beperking inhoudt van het eigendomsrecht. De door artikel 16 van de Grondwet vereiste X-10.291-5/9 billijke en voorafgaande schadeloosstelling in geval van gedwongen eigendomsoverdracht is hier niet van toepassing. 3.1.
- Het eerste middelonderdeel kan niet worden aangenomen. 3.1.
- Uit deze wetsbepalingen kan evenmin worden afgeleid dat de bestemming, waarvan sprake is in artikel 11, eerste lid, refereert aan een stedenbouwkundige bestemming. De verzoeker toont bijgevolg ook niet aan dat het bestreden besluit ingaat tegen de stedenbouwkundige bestemming van de betrokken percelen. Uit het loutere feit dat de verzoeker door het ministerieel besluit van 29 november 1994 een subsidie kreeg voor de bebossing van de betrokken percelen, kan geen juridische bestemming worden afgeleid waarmee het bestreden besluit in strijd zou kunnen zijn. 3.1.
- Het tweede middelonderdeel kan niet worden aangenomen. 3.1.
- Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook het ontbreken van feitelijke grondslag, het gebrek aan motivering en de tegenstrijdigheid in de motivering. Hij stelt dat in het bestreden besluit niet nader wordt gemotiveerd waarom zijn eigendom, die eveneens als een zone met speciale bestemming en een speciaal gebruik moet worden beschouwd, niet kon worden vermeden. Ook geeft het besluit niet aan om welke “technische of economische redenen” en voor welke “eisen van openbare besturen en diensten” de betrokken percelen niet kunnen worden vermeden voor de doorvoer van gas. Ten slotte wordt evenmin verwezen naar de wettelijk vereiste raadpleging van de bestendige deputatie. 3.2.
- Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt alvast dat het wel degelijk is gemotiveerd; een gebrek aan motivering of een schending van de formele motiveringsplicht kan derhalve niet met goed gevolg worden aangevoerd. X-10.291-6/9 3.2.
- Naar luid van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen moet de opgelegde motivering “afdoende” zijn, wat betekent dat de opgegeven redenen het bestreden besluit moeten kunnen dragen. Aan de door deze wetsbepaling voorgeschreven motiveringsplicht is voldaan, wanneer het bestreden besluit duidelijk de redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat de adressaat of belanghebbende derden met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing kunnen opkomen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. 3.2.
- Uit de motivering van het bestreden besluit kan worden opgemaakt dat de overheid heeft gepoogd om zoveel als mogelijk het openbaar domein te gebruiken maar dat dit om de erin aangegeven redenen niet steeds mogelijk is gebleken en dat de leiding bijgevolg ook over privé-gronden moet lopen. Gelet op het grote aantal openbare en particuliere percelen waarover de pijpleiding zich uitstrekt, kan van de overheid niet redelijkerwijze worden verwacht dat voor elk afzonderlijk particulier perceel een motivering wordt gegeven van de concrete redenen waarom dat perceel niet kon worden vermeden. In uitvoering van de wet van 12 april 1965 voorziet het koninklijk besluit van 11 maart 1966 tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties in een openbaar onderzoek. De door de betrokken gemeenten bezorgde bezwaarschriften werden wel degelijk beoordeeld door de overheid die het bestreden besluit heeft uitgevaardigd, zoals ook blijkt uit het administratief dossier, maar gelet op de omvang van die beoordeling kan geredelijk worden aangenomen dat ze niet in de motivering van het bestreden besluit moet worden opgenomen. De verzoeker voert ook niet aan dat die beoordeling op onzorgvuldige of niet afdoende wijze zou zijn gebeurd. 3.2.
- Artikel 7 van de wet van 12 april 1965 luidt als volgt: “De vergunning of toelating bedoeld in artikel 3 wordt slechts verleend na voorafgaande raadpleging van de gemeente of van de provincie op wier openbaar domein de gasvervoerinstallaties komen. Komen die installaties op het openbaar domein van verschillende gemeenten, dan wordt bovendien de bestendige deputatie geraadpleegd. De Koning bepaalt de termijn binnen welke het advies moet worden gegeven”. Artikel 3 van dezelfde wet luidt als volgt: X-10.291-7/9 “Het gasvervoer als bedoeld in artikel 2, 1°, maakt het voorwerp uit van een vergunning. Het vervoer bedoeld in artikel 2, 2°, en in het laatste lid van artikel 2, is onderworpen aan een voorafgaande toelating wanneer gebruik moet worden gemaakt hetzij van het openbaar domein, hetzij van een privaat erf, dat niet aan de vervoerdienst, aan de vervoerder of aan de betrokken ondernemingen toebehoort. De Koning bepaalt de spoedprocedure die toepasselijk is op het vervoer waarvan sprake onder littera f) van artikel 2, 2°”. 3.2.
- Uit het voorgaande blijkt dat de raadpleging van de bestendige deputatie voorgeschreven is voor de vergunning of toelating voor gasvervoer door de leidingen, maar niet voor de verklaring van openbaar nut, bedoeld in artikel 10 van de wet. In de motivering van het bestreden besluit moest derhalve niet worden ingegaan op die raadpleging en moest niet worden vermeld waarom die raadpleging niet heeft plaatsgevonden. 3.2.
- Het tweede middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-10.291-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. P. LEFRANC, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.291-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.740 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div