id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.741 Rolnummer: A. 190582/VII-37292 Zaak: Arrest 188741 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 11/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-15 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 09:49 Fiche Arrest nr 188.741 van 11 december 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.741 van 11 december 2008 in de zaak A. 190.582/VII-37.292. In zake : het VIRGA JESSEZIEKENHUIS, dat woonplaats kiest bij advocaten F. DEWALLENS en A. VIJVERMAN, kantoor houdende te LEUVEN, Bondgenotenlaan 138 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd.VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat het VIRGA JESSEZIEKENHUIS op 5 december 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de "beslissing" van de administrateur-generaal van het VLAAMS AGENTSCHAP ZORG EN GEZONDHEID van 28 november 2008 waarbij wordt gesteld dat de verzoekende partij "niet (beschikt) over een erkenning voor het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde B' en (...) bijgevolg (een) inbreuk (pleegt) tegen artikel 71 van de wet van 07 augustus 1987 op de ziekenhuizen" en zij wordt aangemaand "met onmiddellijke ingang, alle activiteiten die kaderen binnen het zorgprogramma 'reproductieve geneeskunde B' stop (
- te)zetten"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 december 2008, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-37.292-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. DIERICKX die, loco advocaten F. DEWALLENS en A. VIJVERMAN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging De Vlaamse Gemeenschap is de verwerende partij in deze zaak. 2. De gegevens van de zaak Artikel 25 van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's "reproductieve geneeskunde" moeten voldoen om erkend te worden (hierna : het "erkenningsbesluit"), stelt als erkenningsvoorwaarde voor het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde B" voorop dat het ziekenhuis moet beschikken over minimum zes jaar ervaring op het vlak van medisch begeleide voortplanting (hierna : MBV). Op 21 mei 1999 dient de verzoekende partij bij de Raad van State een verzoekschrift tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring in van het erkenningsbesluit. Met een besluit van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen van 12 december 2000 wordt aan de verzoekende partij de erkenning voor het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde B" geweigerd omdat zij geen zes jaar ervaring heeft op het vlak van MBV. Op 22 december 2000 dient de verzoekende partij bij de Beroepscommissie bij het (federaal) Ministerie bevoegd voor de Volksgezondheid een verzoekschrift in tot nietigverklaring van dit ministerieel besluit van 12 december 2000. VII-37.292-2/5 In zijn arrest nr. 140.123 van 3 februari 2005 vernietigt de Raad van State artikel 25 van het erkenningsbesluit wegens het discriminatoir karakter ervan en wegens een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij stelt dat sinds die nietigverklaring definitief vaststaat dat de erkenningsvoorwaarde volgens dewelke een ziekenhuis minstens zes jaar ervaring moet hebben op het vlak van MBV in strijd is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Zij leidt daaruit af dat het reeds vermelde ministerieel besluit van 12 december 2000 haar ten onrechte de erkenning voor het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde B" ontzegt, en dat de eerste verwerende partij daardoor een fout heeft begaan in de zin van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Volgens de verzoekende partij bestonden er voorafgaand aan het erkenningsbesluit en het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde" (hierna : programmabesluit) geen wettelijke bepalingen die het aanbieden van het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde B" aan voorwaarden onderwierpen. De verstrekkingen die deel uitmaken van het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde B" konden volgens haar in de periode voorafgaand aan het erkenningsbesluit, het programmatiebesluit en het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen van de wet op de ziekenhuizen die op hen van toepassing zijn, dan ook legitiem worden uitgevoerd door de daartoe opgeleide en bevoegde geneesheer-specialisten. 3. De beoordeling Het erkenningsbesluit somt een aantal criteria op. Voldoet een aanvrager niet aan deze criteria, dan kan hij niet worden erkend om te voorzien in een zorgprogramma "reproductieve geneeskunde". Anderzijds is er het programmabesluit. Een ziekenhuis dat voldoet aan alle normen om te voorzien in het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde", kan worden opgenomen in de programmatie. Een ziekenhuis moet aan de normen voldoen om te kunnen mededingen om een planningsvergunning te bekomen. Maar als een ziekenhuis aan de normen voldoet, komt men desgevallend in concurrentie met andere ziekenhuizen om een planningsvergunning te bekomen, of moet er worden vastgesteld dat er op VII-37.292-3/5 het ogenblik dat een ziekenhuis aan de erkenningsnormen voldoet (of zou voldoen), geen programmatorische ruimte meer bestaat. De verzoekende partij zet uiteen dat zij een aanvraag indiende tot erkenning van het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde B". Het programmabesluit bepaalt echter in zijn artikel 3, 3/, met betrekking tot het zorgprogramma "reproductieve geneeskunde B" : "Per provincie mag er maximum één niet-universitair zorgprogramma, dat voldoet aan de desbetreffende erkenningsnormen, erkend worden. (...)". Die planningsvergunning werd door de bevoegde Vlaamse minister toegekend aan het ziekenhuis dat op dat ogenblik aan de federale normen voldeed, namelijk het ziekenhuis Oost-Limburg te Genk. Dit besluit werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 12 december 2000. Tegelijk werd haar gewezen op de mogelijkheid om daartegen een beroep bij de Raad van State in te dienen. Tegen dat besluit heeft de verzoekende partij evenwel geen beroep aangetekend. Daaruit volgt op het eerste gezicht dat de verzoekende partij geen tweede zorgprogramma "reproductieve geneeskunde B" meer kan aanbieden in de provincie Limburg. De nietigverklaring door de Raad van State van artikel 25 van het erkenningsbesluit verandert niets aan die vaststelling. Een gebeurlijke nietigverklaring - en a fortiori ook een schorsing van de tenuitvoerlegging - kan aan de verzoekende partij geen concreet nut opleveren. Zij heeft bijgevolg op het eerste gezicht geen belang bij het instellen van de huidige vordering. Los van de vraag of de bestreden beslissing een voor vernietiging vatbare rechtshandeling is, volstaat deze vaststelling om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen, VII-37.292-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf december tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.292-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.741 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div