id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.753 Rolnummer: A. 190548/IX-6140 Zaak: Arrest 188753 - Tucht (openbaar ambt) - 12/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-17 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 09:59 Fiche Arrest nr 188.753 van 12 december 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.753 van 12 december 2008 in de zaak A. 190.548/IX-
- In zake : Herman ROGGEMAN, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg 101 tegen : de burgemeester van de stad AALST, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Herman ROGGEMAN op 1 decem- ber 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van: “de beslissing van de burgemeester van de Stad Aalst dd. 20 november 2008, aan verzoeker ter kennis gebracht op 26 november 2008, waarbij de burgemeester vaststelt dat [...]: - verzoeker onregelmatig afwezig is met ingang van 17 oktober 2008, - haar geen gegeven meegedeeld of bekend is dat afbreuk doet aan deze vaststelling - verzoeker zich bevindt sinds 6 november 2008 in de voorwaarden die een toepassing van art. 125, Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, noodzakelijk maken - verzoeker ambtshalve en zonder opzegging het voorwerp is van een definitieve ambtsontheffing met ingang vanaf 20 november 2008”; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 december 2008, om 10.00 uur; Gezien de nota van de verwerende partij; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-6140-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. FLAMEND, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat T. DE SUTTER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidende advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker is inspecteur bij de lokale politie van Aalst. 1.
- Op 1 januari 2007 wordt hij overgeplaatst van de niet- geüniformeerde dienst van de lokale recherche van de zone Aalst naar de geüniformeerde dienst “Kantschriften”. Op grond van medische getuigschriften van zijn behandelende geneesheer, bekrachtigd door de arbeidsgeneesheer, wordt de verzoeker aanvankelijk vrijgesteld van het dragen van een uniform. Vanaf 1 oktober 2008 worden echter de medische getuigschriften van de behandelende geneesheer, die door de verzoeker worden ingediend met het oog op het verkrijgen van een verlenging van die vrijstelling, niet meer bekrachtigd door de arbeidsgeneesheer. 1.
- Met een nota van 6 oktober 2008 wijst politiecommissaris D.W. de verzoeker erop dat zijn vrijstelling van de verplichting een politie-uniform te dragen verstreken is en niet meer verlengd werd en hij geeft de verzoeker het bevel om vanaf de volgende dag zijn taak in politie-uniform uit te voeren. 1.
- De korpschef zet in een nota van 13 oktober 2008 aan de verzoeker uiteen dat de toepasselijke reglementaire bepalingen en dienstorders het dragen van een uniform op de dienst “Kantschriften” voorschrijven. Hij vermeldt tevens dat de verzoeker pas in dienstactiviteit wordt beschouwd wanneer hij zijn dienst in uniform uitvoert en dat de overheid, indien de verzoeker het gegeven bevel niet nakomt, verplicht is om hem als afwezig te beschouwen en hem in non-activiteit IX-6140-2/12 te plaatsen. Hij vestigt de aandacht van de verzoeker op het feit dat in het statuut in een bijzondere procedure is voorzien voor personeelsleden die meer dan tien dagen onwettig afwezig zijn geweest. De verzoeker ondertekent deze nota voor “niet akkoord, gelet op het bestaan van een nieuw medisch attest door de behandelende geneesheer van 6.10.08”. 1.
- Met een nota van 16 oktober 2008 bevestigt de korpschef het bevel aan de verzoeker om een politie-uniform te dragen. 1.
- Wanneer de verzoeker zich op 20 oktober 2008 aanbiedt om zijn dienst aan te vatten, stelt hij vast dat hij geen toegang meer heeft tot het politiecommissariaat. Hij ontvangt dan een nota, gedateerd op 17 oktober 2008, waarbij hij ervan in kennis wordt gesteld dat ten aanzien van hem verscheidene “maatregelen van inwendige orde” zijn getroffen, “tot de intrekking ervan op het ogenblik dat [hij] zoals voorzien [zijn] diensten geüniformeerd uitvoert”: zijn persoonlijke, elektronische badge is buiten werking gesteld, zijn toegang tot het computernetwerk van de lokale politie van Aalst is afgesloten en de toegang tot het politiecommissariaat wordt hem ontzegd. Voorts wordt hem een nota van 20 oktober 2008 overhandigd, waarin hij, “gelet op de maatregelen van inwendige orde die [hem] op 20 oktober 2008 werden opgelegd door de korpschef”, erop wordt gewezen “dat [hij] zich in staat van onwettige afwezigheid bevindt en dat deze status beschouwd wordt als non-activiteit”. De verzoeker ondertekent deze nota’s voor ontvangst, maar hij wijst op het bestaan van een nieuw medisch attest van zijn behandelende geneesheer, waarbij om een vrijstelling van het dragen van een uniform wordt verzocht. 1.
- Op 22 oktober 2008 dient de verzoeker bij de preventieadviseur een klacht in wegens “mobbing” en tevens een klacht bij de geneesheer- arbeidsinspecteur. 1.
- Dezelfde dag ontvangt de verzoeker vanwege de korpschef vooreerst een aangetekende brief, gedateerd op 17 oktober 2008, waarbij hem kennis wordt gegeven van artikel 125 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van IX-6140-3/12 een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, (hierna: de WGP) en de artikelen IX.I.6 en IX.I.10 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. In die brief vermeldt de korpschef dat de termijn van tien dagen onregelmatige afwezigheid, die krachtens artikel 125 van de WGP tot het ontslag van ambtswege van de politieambtenaar leidt, in verzoekers geval wordt berekend vanaf 17 oktober
- Voorts ontvangt de verzoeker nog een aangetekende brief, gedateerd op 21 oktober 2008, waarin de korpschef hem meedeelt dat de arbeidsgeneesheer duidelijk geen verlenging van de vrijstelling van het dragen van een uniform meer toestaat en dat dan ook geen rekening meer zal worden gehouden met de door hem ingediende medische attesten van zijn behandelende geneesheer, waarbij nog een dergelijke vrijstelling wordt gevraagd. 1.
- Met een aangetekende brief van 27 oktober 2008 repliceert de verzoeker dat zijn afwezigheid het gevolg is van de beslissing van de korpschef van 17 oktober 2008, waarbij hem de toegang tot het politiecommissariaat is ontzegd, dat hij genoodzaakt is om afwezig te blijven, aangezien hij niet in de mogelijkheid is om zijn dienst uit te voeren, maar dat hij ter beschikking blijft om zijn dienst aan te vatten, zodra hem daartoe de gelegenheid wordt geboden. 1.
- Met een op 29 oktober 2008 ter post aangetekend verzonden brief deelt de plaatsvervangend korpschef van de lokale politie van Aalst aan de verzoeker mee dat de termijn van tien dagen, bedoeld in artikel 125 van de WGP, op 26 okto-ber 2008 is verstreken en dat de burgemeester daarvan onmiddellijk werd ingelicht. De verzoeker wordt verzocht binnen de tien dagen zijn argumenten of enig ander gegeven mee te delen dat een uitspraak toelaat over het al dan niet onregelmatig karakter van zijn afwezigheid. De verzoeker antwoordt daar niet meer op. 1.
- Met een brief van 17 november 2008 deelt de geneesheer- arbeidsinspecteur aan de verzoeker mee dat hij zich aansluit bij het advies van de arbeidsgeneesheer. Volgens hem behoort het dragen van een uniform tot de opdracht van de verzoeker en zijn er geen medische redenen die het dragen ervan onmogelijk of niet-aangewezen maken. IX-6140-4/12 1.
- Op 18 november 2008 adviseert de korpschef aan de burgemeester van Aalst om de verzoeker met toepassing van artikel 125 van de WGP van ambtswege te ontslaan. 1.
- Op 24 november 2008 biedt de verzoeker zich op het politiecommissariaat aan met de mededeling dat hij zijn werk zal hervatten en het nodige zal doen om zich een uniform aan te schaffen. Naar zeggen van de verzoeker, wordt hem dan geantwoord dat hij niet meer moet komen werken, omdat hij al ontslagen is. 1.
- Op 26 november 2008 ontvangt de verzoeker een afschrift van de beslissing van 20 november 2008 van de burgemeester van de stad Aalst, waarbij hij met onmiddellijke ingang van ambtswege uit zijn ambt wordt ontslagen. Deze beslissing steunt in essentie op de volgende motieven: “[...] Gelet op artikel 125, Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus en de artikelen IX.I.1 en volgende, K.B. 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten; Overwegende dat het personeelslid dat overeenkomstig artikel 125, derde lid, Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is gebleven, ambtshalve en zonder opzegging het voorwerp uitmaakt van een definitieve ambtsontheffing; Overwegende dat uit de voorgaande overwegingen blijkt dat aan alle gestelde procedurele vereisten is voldaan om tot huidige beslissing te komen; Overwegende dat geen enkele gegeven meegedeeld, noch bekend is dat afbreuk doet aan de rechtmatigheid van het als onregelmatig beschouwen van de afwezigheid van INP Herman Roggeman; dat deze onregelmatige afwezigheid een aanvang heeft genomen op 17 oktober 2008; dat INP Herman Roggeman zich bijgevolg sinds 27 oktober 2008 in de voorwaarden bevindt van artikel 125, Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus; dat INP Herman Roggeman zichzelf buiten de dienst heeft geplaatst. [...]” Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering. IX-6140-5/12 Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De uiterst dringende noodzakelijkheid 2.1.
- Ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering voert de verzoeker vooreerst aan dat hij de bestreden beslissing op 26 november 2008 heeft ontvangen, zodat hij met de nodige spoed heeft gehandeld. Voorts zet de verzoeker uiteen dat hij de enige kostwinner is van zijn gezin, dat naast hemzelf nog drie minderjarige kinderen telt, en dat hij maandelijks ongeveer 1916 euro vaste kosten heeft. Ingevolge de bestreden beslissing verliest hij met onmiddellijke ingang zijn loon. Hij vreest ook -omwille van de inhoud van de bestreden beslissing- niet onmiddellijk een werkloosheidsvergoeding te kunnen genieten. Hoe dan ook zou een dergelijke vergoeding ontoereikend zijn voor het dragen van de vaste maandelijkse kosten van het gezin. De verzoeker meent dan ook dat zijn bestaanszekerheid en die van zijn gezin “acuut” in het gedrang komen. Ten slotte betoogt de verzoeker dat hij deelneemt aan selectieproeven voor overgang, in het kader van de mobiliteit, naar andere betrekkingen bij de federale politie. Hij is reeds geslaagd voor de schriftelijke proef en de mondelinge proef is inmiddels zeer goed verlopen, zodat hij goede hoop heeft op een gunstig afloop. Een benoeming in een andere betrekking zal hij echter slechts kunnen verkrijgen indien hij nog de hoedanigheid van politieman heeft. 2.1.
- De verzoeker heeft voorzeker diligent gehandeld door vijf dagen na de kennisname van de bestreden beslissing de voorliggende vordering in te dienen. IX-6140-6/12 Rekening gehouden met de gezinssituatie van de verzoeker als alleenverdiener, verantwoordelijk voor drie minderjarige kinderen, alsook met de door de verzoeker aan de hand van voldoende stavingsstukken bewezen maandelijkse vaste kosten van zijn gezin, moet worden aangenomen dat de bestreden beslissing de bestaanszekerheid van de verzoeker en zijn gezin spoedig in het gedrang kan brengen en dat een gewone vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hen daarvoor niet kan behoeden. Daarbij komt nog dat de vergevorderde deelname van de verzoeker aan selectieproeven in het kader van de mobiliteit, waarvan hij het beoogde resultaat slechts kan behalen indien hij de hoedanigheid van politieambtenaar behoudt, mede het beroep op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoordt. Zoals door de verwerende partij overigens niet wordt betwist, is aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering dan ook voldaan. Ernstig middel 2.2.
- De verzoeker voert in een eerste middel onder meer de schending aan van artikel 125 van de WGP en het ontbreken van in rechte deugdelijke motieven. Hij laat gelden dat artikel 125 van de WGP weliswaar toelaat een politieambtenaar die meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is gebleven, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, van ambtswege uit zijn ambt te ontslaan, maar hij betwist ten stelligste zelf onregelmatig afwezig te zijn gebleven. Hij argumenteert dat hij geen nieuw uniform heeft, omdat hij voorheen niet in een geüniformeerde dienst was tewerkgesteld en hij sedert zijn overplaatsing permanent van het dragen van een uniform was vrijgesteld. Om zijn functie in uniform te kunnen uitoefenen, moet hij eerst toegang krijgen tot zijn dienst, al was het maar om stappen te kunnen zetten voor het bestellen van een uniform. Die toegang heeft hij niet gekregen. Bij nota van 17 oktober 2008 werden hem immers “maatregelen van inwendige orde” opgelegd, waardoor hem de toegang tot het politiecommissariaat werd ontzegd. Vanaf dan is het voor hem onmogelijk geweest nog aanwezig te zijn. Dat is gebleken op 20 oktober 2008 en 24 november 2008, toen hij zich aanbood, IX-6140-7/12 maar hem de toegang werd geweigerd. De verzoeker acht de bestreden beslissing dan ook contradictoir: eerst wordt hem de toegang tot de dienst verboden en wanneer hij als gevolg daarvan op de dienst niet aanwezig kan zijn, wordt hij als onregelmatig afwezig beschouwd en vervolgens ontslagen. 2.2.
- De verwerende partij repliceert in haar nota met opmerkingen dat de verzoeker niet ernstig kan beweren dat het voor hem onmogelijk was zich in uniform aan te bieden, omdat hij over geen uniform zou beschikken, noch in de mogelijkheid zou zijn geweest er een te bekomen. Het niet in uniform verschijnen op het werk is slechts toe te schrijven aan de volgehouden onwil van de verzoeker, die meermaals is gewezen op de mogelijke gevolgen daarvan en nooit de wettigheid van de schriftelijke bevelen tot het dragen van een uniform heeft betwist. De verwerende partij stelt dat de verzoeker sedert zijn vroegere tewerkstelling op een geüniformeerde dienst over “alle nodige uniformstukken” beschikte en voldoende kledijpunten verzamelde om “dat basisuniform op peil te houden”. De verzoeker werd reeds vanaf maart 2008 aangemaand om zich in orde te stellen met betrekking tot zijn uniformstukken, maar heeft steeds geweigerd dat te doen. Volgens de verwerende partij blijkt uit het feit dat de verzoeker zich op 24 november 2008 alsnog heeft aangeboden op de dienst met de mededeling dat hij zich zou neerleggen bij de beslissing van de arbeidsinspecteur, des te meer dat de afwezigheid van de verzoeker onregelmatig was. Het regelmatige of onregelmatige karakter van de afwezigheid van de verzoeker hangt niet af van die laattijdige reactie van de verzoeker. De verzoeker had duidelijke bevelen gekregen, die hij niet heeft betwist, en er was duidelijk geen reden meer om nog een vrijstelling van het dragen van een uniform te verkrijgen. Tegen het advies van de arbeidsgeneesheer dienaangaande bestond geen beroepsmogelijkheid meer. De verzoeker is, aldus de verwerende partij, slechts tot inkeer gekomen toen de bestreden beslissing reeds was genomen. 2.2.3.
- Artikel 125 van de WGP luidt als volgt: “Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun beschikbaarheid. De politieambtenaren moeten gevolg geven aan elke oproep in verband met het vervullen van de dienst en alles vermijden dat het vertrouwen van het IX-6140-8/12 publiek in hun beschikbaarheid kan schaden. De politieambtenaren mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven. Wanneer zij meer dan tien dagen onregelmatig afwezig zijn gebleven, worden zij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, van ambtswege uit hun ambt ontslagen. Dit ontslag heeft voor de betrokken personen het verlies van hun hoedanigheid van personeelslid van hun politiekorps tot gevolg. Die maatregel wordt genomen door de Koning indien Hij het betrokken personeelslid in zijn laatste graad heeft benoemd en, naargelang van het geval, door de minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege, in de andere gevallen.” Uit het geheel van deze bepalingen lijkt te kunnen worden afgeleid dat de in artikel 125, tweede lid, van de WGP bedoelde maatregel van het ontslag van ambtswege slechts kan worden opgelegd, indien de betrokken politieambtenaar meer dan tien dagen zonder toelating of rechtvaardiging van zijn dienst is weggebleven. 2.2.3.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoeker geacht wordt sedert 17 oktober 2008 onregelmatig afwezig te zijn gebleven, waardoor hij zich vanaf 27 oktober 2008 in de voorwaarden zou bevinden om met toepassing van artikel 125 van de WGP van ambtswege te worden ontslagen. Met een nota van 17 oktober 2008 heeft de korpschef aan de verzoeker echter meegedeeld dat tegen hem “maatregelen van inwendige orde” werden genomen, waardoor verzoekers persoonlijke badge buiten werking werd gesteld, de toegang van de verzoeker tot het computernetwerk van de lokale politie van Aalst werd afgesloten en aan de verzoeker de toegang tot het politiecommissariaat werd ontzegd. De verzoeker heeft die nota op 20 oktober 2008 ontvangen en er bestaat geen betwisting over dat hij zich op die dag wel degelijk voor de dienst heeft aangeboden, maar dat hem de toegang werd geweigerd, omdat hij geen uniform droeg. De verzoeker is dus niet op zijn dienst weggebleven, maar de toegang tot de dienst werd hem door de verwerende partij ontzegd. In zijn aangetekende brief van 27 oktober 2008 aan de korpschef, waarin hij repliceert op de mededeling dat hij vanaf 17 oktober 2008 geacht wordt onregelmatig afwezig te zijn, stelt de verzoeker dat zijn afwezigheid het gevolg is van de beslissing van de korpschef van 17 oktober 2008, waarbij hem de toegang tot het politiecommissariaat is ontzegd, dat hij genoodzaakt is om afwezig te blijven, aangezien hij niet in de mogelijkheid is om zijn dienst uit te voeren, maar dat hij ter IX-6140-9/12 beschikking blijft om zijn dienst aan te vatten, zodra hem daartoe de gelegenheid wordt geboden. Uit deze gegevens blijkt dat de verzoeker wel degelijk bereid was zijn dienst uit te voeren en dat het niet zijn bedoeling was zonder toelating of rechtvaardiging op zijn dienst weg te blijven. Het is echter op grond van “maatregelen van inwendige orde” die de verwerende partij tegen hem had genomen “tot de intrekking ervan op het ogenblik dat [hij] zoals voorzien [zijn] diensten geüniformeerd uitvoert”, dat de verzoeker verhinderd werd op zijn dienst aanwezig te zijn. Daargelaten of de verwerende partij niet wettig dergelijke maatregelen tegen de verzoeker mocht nemen, lijkt het loutere feit dat de verzoeker zich zonder uniform bij haar aanbood, waarna hem de toegang tot de dienst werd ontzegd, haar niet toe te laten de verzoeker als onregelmatig afwezig te beschouwen, zoals bedoeld in artikel 125 van de WGP. Het eerste middel is alvast ernstig in zoverre het de schending van artikel 125 van de WGP en het ontbreken van in rechte deugdelijke motieven aanvoert. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.3.
- De verzoeker voert aan ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen lijden, dat er vooreerst in bestaat dat hij met onmiddellijke ingang zijn inkomen verliest, waardoor de bestaanszekerheid van zijn gezin in het gedrang komt. Voorts komt ook de gunstige afloop van de selectieproeven, waaraan hij heeft deelgenomen om in het kader van de mobiliteit een andere functie bij de federale politie te kunnen uitoefenen, op de helling te staan. Ten slotte berokkent de bestreden beslissing hem een belangrijk moreel nadeel en wordt zijn reputatie ernstig aangetast. 2.3.
- De verwerende partij betwist niet dat de bestreden beslissing aan de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. In het bijzonder erkent zij dat de verzoeker aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing de bestaanszekerheid van zijn gezin in het gedrang kan brengen. Anderdeels wijst zij erop dat de bestreden beslissing geen tuchtmaatregel betreft, zodat het morele nadeel dat er voor de verzoeker uit voortkomt, volgens haar kan worden hersteld IX-6140-10/12 door de retroactieve werking van een eventueel vernietigingsarrest. De mogelijke uitsluiting van de verzoeker van een werkloosheidsuitkering moet, aldus de verwerende partij, dan weer worden toegeschreven aan een eventuele beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en niet aan de thans bestreden beslissing. 2.3.
- Zoals reeds met betrekking tot de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering werd vastgesteld en door de verwerende partij niet wordt betwist, maakt de verzoeker met behulp van stavingsstukken die bij zijn verzoekschrift zijn gevoegd, aannemelijk dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, de bestaanszekerheid van hemzelf en zijn gezin in het gedrang kan brengen. Deze vaststelling volstaat op zich om te besluiten dat ook aan de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan. OM DIE REDENEN BESLIST de Wnd. VOORZITTER : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 november 2008 van de burgemeester van de stad Aalst, waarbij Herman ROGGEMAN met onmiddellijke ingang van ambtswege uit zijn ambt wordt ontslagen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6140-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 december 2008, door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6140-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.753 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.447 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.