id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.766 Rolnummer: A. 189342/X-13877 Zaak: Arrest 188766 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 10:04 Fiche Arrest nr 188.766 van 12 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.766 van 12 december 2008 in de zaak A. 189.342/X-13.
(2)dat de historische, culturele en/of esthetische context van het woongebied van ondergeschikt belang is gezien de omgeving reeds vrijwel volledig ingevuld is met verkavelingen, hetgeen beide nietszeggende en vage overwegingen en stijlclausules uitmaken die geenzins blijk geven van een gedegen beoordeling van de feitelijke situatie, de impact op de onmiddellijke omgeving en de aanpalende bebouwing, en terwijl in casu uit de feitelijke situatie blijkt dat bebouwing in de tweede bouwzone komt te liggen, i.e. bouwzone die geen kenmerkend gegeven is voor de ruimere omgeving, en terwijl de uit bij de verkavelingsaanvraag toegevoegde fotoreportage blijkt dat geen enkele foto is genomen met het zicht op de eigendom van de verzoekende partijen (...), en terwijl volgens de vaste rechtspraak van uw Raad een dergelijk overheidsbesluit de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn, hetgeen impliceert dat in concreto rekening moet worden gehouden met de omgevingskenmerken die of waarmee de vergunningsverlenende overheid rekening moet houden om tot de conclusie te kunnen komen dat de aanvraag in overeenstemming is met een goede plaatselijke aanleg (...), en terwijl, in casu evenwel moet worden vastgesteld dat in het bestreden besluit geen concrete gegevens worden aangereikt inzake de omliggende bebouwing, meer nog abstractie wordt gemaakt van de situering van de omgevende bebouwing (o.a. deze van verzoekende partijen), de concrete impact op de omliggende woonfuncties, de a- typische bebouwing in tweede bouwzone, de hiermee gepaard gaande visuele hinder en verstoring van het woon- en leefklimaat van de omliggende eigendommen en het verdwijnen van het groene binnengebied met (fruit)boomgaard, thans een tuinzone van de voorliggende, in eerste bouwzone gelegen woning, en terwijl aldus moet worden vastgesteld dat al deze argumenten die in het licht van de vereiste deugdelijke ruimtelijke afweging aan bod zouden moeten komen, ontbreken, minstens niet op een zorgvuldige en grondige wijze werden onderzocht, reden waarom meteen ook vaststaat dat er geen sprake kan zijn van een deugdelijke en afdoende motivering. zodat de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen zijn geschonden Het eerste middel is gegrond”. X-13.877-10/17 4.1.
- Beoordeling 4.1.2.
- Voor het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft, blijkt geen goedgekeurd algemeen of bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan te bestaan. In dat geval is het de taak van de vergunningverlenende overheid te onderzoeken of de aanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Het in het middel ingeroepen artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : het inrichtingsbesluit) houdt een bevestiging in van het bedoelde beginsel. De vergunning moet “afdoende” gemotiveerd zijn. Concreet betekent dit dat de opgegeven redenen het betrokken besluit moeten kunnen dragen. Toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening, volgt hieruit dat de vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar besluit steunt. Deze redengeving moet des te concreter en preciezer zijn wanneer het besluit afwijkt van een negatief besluit in eerste aanleg die op duidelijke en concrete elementen is gesteund. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 4.1.2.
- Het bestreden besluit overweegt onder meer wat volgt : “(...) dat de directe omgeving wordt gekenmerkt door soortgelijke situaties, waarbij in een tweede bouwzone een perceel werd bebouwd, waarbij het perceel enkel bereikbaar is vanaf de openbare weg, met vrij diepe en zeer smalle toegangswegen; dat op het achter het perceel van de voorliggende aanvraag gelegen bouwperceel eenzelfde situatie met diepe en smalle toegangsweg naar het perceel op zich, werd vergund; (...); dat (...) de omgeving reeds vrijwel volledig ingevuld is met verkavelingen, (...); X-13.877-11/17 dat de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een eengezinswoning op een nieuw te creëren bouwlot, met een maximum kroonlijsthoogte 4,50m en maximale nokhoogte 9m met gebruik van traditionele materialen; dat deze bouwwijze kenmerkend is voor de ruimere omgeving; dat het voorziene bouwlot een regelmatige rechthoekige configuratie heeft en dat voorzien wordt in ruime bouwvrije stroken van 10m breedte; dat de onderlinge afstand tussen de beoogde bebouwing op het nieuwe lot en de omliggende bebouwing varieert tussen 24 en 47m en dat dit betrekkelijk meer is dan gebruikelijk op de omliggende percelen; dat de bebouwing een maximum oppervlakte heeft van 250 m², bijgebouwen inbegrepen, op een terreinoppervlakte van 2171 m², wat resulteert in een bezetting van 11,5% en een woningdichtheid van 4,71 woningen/ha; dat de omgeving gekenmerkt wordt door soortgelijke situaties, en dat zelfs aangrenzend achteraan zich eenzelfde situatie voordoet; (...)”. 4.1.2.
- De verzoekers tonen niet aan dat de bebouwing in de tweede bouwzone niet kenmerkend is voor de directe omgeving, terwijl uit het voormelde citaat blijkt dat de vergunningverlenende overheid op concrete wijze oog heeft gehad voor de omliggende bebouwing en het ontwerp heeft getoetst op zijn verenigbaarheid ermee op het vlak van bouwwijze, afstanden, terreinbezetting en toegang. Het besluit blijkt op het eerste gezicht dan ook op voldoende concrete en juiste gegevens te zijn gesteund. De verzoekers maken voorts niet aannemelijk dat de verwerende partij bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening op kennelijk onredelijke wijze tot de conclusie is gekomen dat het ontwerp als verenigbaar met de omgevende bebouwing moet worden beschouwd. De omstandigheid dat de verzoekers de feiten anders appreciëren doet hieraan geen afbreuk. Het bestreden besluit blijkt op het eerste gezicht afdoende te zijn gemotiveerd. 4.1.2.
- Wat de aangevoerde schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening betreft, maken de verzoekers op het eerste gezicht niet aannemelijk dat deze bepaling kan worden ingeroepen bij het individueel onderzoek van de vergunningsaanvragen, nu dit artikel veeleer betrekking lijkt te hebben op de voorschriften die in acht moeten worden genomen bij het opmaken van plannen van aanleg. Bijgevolg kan deze bepaling in de huidige stand van het geding niet dienstig worden ingeroepen. 4.1.2.
- Onder een middel moet worden verstaan : de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel, en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Dit laatste ontbreekt wat de door de verzoekers aangevoerde schending van artikel 23, 4/ van de gecoördineerde X-13.877-12/17 Grondwet betreft, zodat het middel, in zoverre de schending van de voormelde bepaling wordt aangevoerd, onontvankelijk is. 4.1.2.
- Het eerste middel is niet ernstig. 4.
- Het tweede middel 4.2.
- Het aangevoerde middel De verzoekers nemen een tweede middel uit de schending van “artikel 6.1.2.3 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de gewestplannen en de ontwerp-gewestplannen en uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, de materiële motiveringsplicht, en uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen” : “doordat, de deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen een vergunning verleent strekkende tot het verkavelen van een perceel voor de oprichting van een ééngezinswoning, en terwijl het te verkavelen perceel volgens de bepalingen van het bij K.B. van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ gelegen is in een woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde, en terwijl artikel 6.1.2.3 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de gewestplannen en de ontwerp- gewestplannen bepaalt dat een wijziging van de bestaande toestand in een woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde aan bijzondere voorwaarden moet worden onderworpen, gegrond op de wenselijkheid van het behoud, en terwijl over de notie ‘wenselijkheid van het behoud’ geen uitspraak moet worden gedaan in het licht van hetgeen die ruimte in het verleden was, maar in het licht van de bestaande toestand zoals die bestaat op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen (...), en terwijl de bestaande toestand van het te verkavelen perceel gekenmerkt wordt door een waardevol, groen gebied met (fruit)boomgaard (aanpalend aan de omliggende percelen), die steeds een tuinfunctie heeft gekend bij de woning in eerste bouwzone, gelegen aan de Palepelstraat 27, en terwijl ruime achterliggende tuinpercelen kenmerkend zijn voor de ruime omgeving en het omliggende straatbeeld, respectievelijk de esthetische context bepalen van het betrokken woongebied, en terwijl uit de aanhef van het tweede bestreden besluit enkel te lezen valt: ‘dat het voorgestelde bouwperceel, volledig in overeenstemming is met de structuur van de omgeving, waarbij het bebouwen van een lot in tweede bouwzone, bereikbaar vanaf de openbare weg met diepe en smalle toegangswegen, kenmerkend is voor de ruimere omgeving (...) X-13.877-13/17 Dat de goede plaatselijke aanleg niet in het gedrang wordt gebracht, gezien de resterende voorste perceelsgedeeltes, nog voldoende ruimte bieden in verhouding tot de bebouwing op deze percelen’ en terwijl in de ruimere omgeving, bebouwingen in de tweede bouwzone met diepe en smalle toegangswegen hoegenaamd niet kenmerkend zijn voor het straatbeeld en een a- typisch karakter inhouden, en terwijl de wenselijkheid waarvan sprake is in artikel 6.1.2.3 bijgevolg bestaat in het behoud van bebouwingen in eerste bouwzone met ruime achterliggende tuinpercelen, en terwijl uit de aanhef van het tweede bestreden besluit eveneens te lezen valt: ‘(...) dat dient gesteld te worden dat het goed deel uitmaakt van een ruim woongebied, waarbij de historische, culturele en/of esthetische context van ondergeschikt belang is, gezien de omgeving reeds vrijweg volledig ingevuld is met verkavelingen, en het perceel volledig gelegen is buiten het gezichtsveld van beschermde monumenten binnen de ruimere omgeving’ en terwijl in het bestreden besluit nopens de wenselijkheid van het behoud van de bestaande toestand en de beoordeling ervan als zou dit in casu van ondergeschikt belang zijn, geen afdoende motivering is terug te vinden, en terwijl, de vaststelling an sich dat de omgeving reeds met diverse verkavelingen werd ingevuld, geen verantwoording kan vormen om het esthetisch architecturaal karakter van de bebouwing in de onmiddellijke omgeving (bijkomend) te schenden, respectievelijk een trendbreuk teweeg te brengen, en terwijl de bestreden verkavelingsaanvraag in harmonie moet zijn met de typerende kenmerken van de omgeving zoals voormeld, namelijk ééngezinswoningen gesitueerd in eerste bouwzone met ruime achterliggende tuinen (...), en terwijl verzoekende partijen er - gelet op het voormelde en de bepalingen van artikel 6.1.2.
- van het KB van 28 december 1972 - mochten op vertrouwen dat de overheid erover zou waken dat de door haar zélf aangehouden harmonie in deze omgeving - i.e. bebouwingen in eerste bouwzone met achterliggende tuin - steeds zou worden behouden en gevrijwaard, en terwijl aldus moet worden vastgesteld dat al deze argumenten die in het licht van de harmonieregel aan bod zouden moeten komen, ontbreken, minstens niet op een zorgvuldige en grondige wijze werden onderzocht, reden waarom meteen ook vaststaat dat er geen sprake kan zijn van een deugdelijke en afdoende motivering van de aspecten van de ‘wenselijkheid van het behoud’. zodat de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen zijn geschonden. Ook het tweede middel is ernstig”. 4.2.
- Beoordeling 4.2.2.
- De te verkavelen grond is blijkens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. X-13.877-14/17 Artikel 6.1.2.3 van het inrichtingsbesluit bepaalt dat in deze gebieden de wijziging van de bestaande toestand wordt onderworpen aan bijzondere voorwaarden, gegrond op de wenselijkheid van het behoud. Het stond aan de verwerende partij om de “wenselijkheid van het behoud” te appreciëren in het licht van de bestaande toestand op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen. 4.2.2.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit één en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is. Artikel 55, §3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), legt aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Derhalve vallen deze beslissingen niet onder de toepassing van laatsgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 55, §3 van het gecoördineerde decreet. 4.2.2.
- Het bestreden besluit overweegt onder meer wat volgt : “(...) dat dient gesteld te worden dat het goed deel uitmaakt van een ruim woongebied, waarbij de historische, culturele en/of esthetische context van ondergeschikt belang is, gezien de omgeving reeds vrijwel volledig ingevuld is met verkavelingen, en het perceel volledig gelegen is buiten het gezichtsveld van beschermde monumenten binnen de ruimere omgeving; (...) ”. X-13.877-15/17 4.2.2.
- Het tweede motief, luidende dat het perceel volledig is gelegen buiten het gezichtsveld van beschermde monumenten, wordt door de verzoekers niet betwist. Het eerste motief, luidende dat de omgeving bijna volledig is ingevuld met verkavelingen, vindt op het eerste gezicht steun in het bezwaarschrift van de verzoekers : “Aldus wordt lot 1 van de geplande verkaveling nagenoeg volledig ingesloten door een tiental bebouwde eigendommen (perceel 520a is weliswaar nog niet bebouwd, maar het is wél bebouwbaar als lot 7 van de verkaveling ‘Bouckaert’). Nu al die woningen en tuinen op dit lot uitkijken, moet de te verkavelen achtergrond van dit perceel als een te beschermen binnengebied worden aangemerkt, met een zeer waardevolle bufferende en rustgevende functie voor alle omwonenden. Echter, waar de voorliggende plannen er nu precies toe strekken dit enige overgebleven onbebouwde centrale perceel ook vol te bouwen (...) zou een aanzienlijke inbreuk worden gepleegd op wat voor deze specifieke ruimtelijke context als een essentieel ordeningselement mag worden aanzien. Immers, het spreekt voor zich dat dergelijke groene, onbebouwde/onbebouwbare ‘binnenpercelen’ absoluut noodzakelijk zijn voor een verantwoorde aanleg in een dergelijke dicht bebouwde omgeving. (...)”. Het bestreden besluit overweegt voorts, daarin niet tegengesproken door de verzoekers, “dat op het achter het perceel van de voorliggende aanvraag gelegen bouwperceel eenzelfde situatie met diepe en smalle toegangsweg naar het perceel op zich, werd vergund”. In het licht van deze feitelijkheden kan verzoekers stelling dat de bestaande toestand er één is gekenmerkt door bebouwingen in eerste bouworde met ruime achterliggende tuinpercelen, en ten aanzien waarvan het bestreden besluit een trendbreuk zou teweeg brengen, op het eerste gezicht niet worden bijgevallen. 4.2.2.
- Toegespitst op de “wenselijkheid van het behoud” in de zin van artikel 6.1.2.3 van het inrichtingsbesluit heeft de verwerende partij, op het eerste gezicht, op afdoende wijze gemotiveerd waarom de historische, culturele en/of esthetische context van het betrokken woongebied volgens haar van ondergeschikt belang is. 4.2.2.
- Het tweede middel is evenmin ernstig. Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. X-13.877-16/17 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Daniël DE SPAE EN Lilliane DE SPAE in het geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2008, door : de H. S. DE TAEYE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. S. DE TAEYE. X-13.877-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.766 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div