id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.769 Rolnummer: A. 108788/IX-2990 Zaak: Arrest 188769 - Tucht (openbaar ambt) - 15/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 10:09 Fiche Arrest nr 188.769 van 15 december 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.769 van 15 december 2008 in de zaak A. 108.788/IX-
- In zake : Guido VERSCHAEREN, die woonplaats kiest bij advocaat J. DERIDDER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210A tegen : de NV BELGACOM, die woonplaats kiest bij advocaten L. DE SCHRIJVER en D. CORNELIS, kantoor houdende te GENT, Baarledorpstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido VERSCHAEREN op 10 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 juni 2001 van de Director Shared Services Center van de NV BELGACOM waarbij hij wordt ontslagen bij tuchtmaatregel met ingang van 13 juni 2001; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 31 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 december 2008; IX-2990-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DERIDDER, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat L. DE SCHRIJVER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker was sedert 1973 werkzaam bij de RTT, thans de NV Belgacom, waar hij op het tijdstip van de bestreden beslissing een functie van niveau 1 uitoefende. 1.
- Van 1 februari 2000 tot 31 januari 2002 wordt aan verzoeker disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden toegekend. Tijdens voornoemde periode richt verzoeker een BVBA op onder de maatschappelijke naam “Euman”, met als doelstelling “consultancy in HR, kwaliteit, oprichting firma’s, opstart buitenlandse firma’s in België...”, waarvan hij zaakvoerder wordt. De BVBA Euman aanvaardt de opdracht om vanaf 13 maart 2000 deel te nemen aan het management van de NV Euphony Communications Benelux, waarbij verzoeker zou optreden als afgevaardigd bestuurder. Euphony Communications zou vanaf 2 mei 2000 op de Belgische markt starten als alternatief operator via 1595 van Mobistar, met “relationship marketing” als verkoopsinstrument. IX-2990-2/12 1.
- Belgacom stelt een intern onderzoek in naar de activiteiten van Euphony Communications welke zij strijdig acht met artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken. Er wordt vastgesteld dat verzoeker activiteiten uitoefent die een inbreuk vormen op artikel 103 van het administratief personeelssta- tuut van Belgacom en op de Belgacom Gedragscode. 1.
- Met een aangetekende brief van 1 maart 2001 wordt aan verzoeker een voorstel tot ontslag bij tuchtmaatregel toegezonden, om volgende redenen: “Uit de inhoud van het onderzoeksverslag RVL/2001/107 dat ten laste van betrokkene werd opgesteld door de diensten van Group Protection & Prevention - Cel Investigations & Fraud is gebleken dat de heer Verschaeren Guido zich, tijdens de hem toegestane periode van disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden, ingelaten heeft met handelsactiviteiten die strijdig zijn met de belangen van Belgacom en die zelfs in concurrentie staan met de activiteiten van Belgacom. Inzonderheid bent u opgetreden als afgevaardigde beheerder van een firma wier maatschappelijk doel de verkoop van telefoondiensten is. Dergelijke activiteiten maken een inbreuk uit op de geldende Belgacom- gedragscode met betrekking tot de uitoefening van een activiteit buiten Belgacom. Deze activiteiten vormen tevens een inbreuk op artikel 103 van het administratief personeelsstatuut van Belgacom. De activiteiten ontplooid door de firma waarin u een verantwoordelijke functie bekleedt vormen bovendien een inbreuk op artikel 84 (van) de wet betreffende de handelspraktijken. Uitgeoefend door een personeelslid van Belgacom vormen deze activiteiten derhalve een aantasting van het imago van Belgacom.” 1.
- Met een aangetekende brief van 6 maart 2001, eveneens verzonden per fax, biedt verzoeker zijn ontslag aan “met onmiddellijke ingang (zoals eigenlijk de initiële bedoeling was op 01.05.2000)”. 1.
- Met een brief van 7 maart 2001 antwoordt de Director Shared Services Center aan verzoeker dat zijn aanvraag tot ontslag niet aanvaard wordt en dat Belgacom eraan houdt “de reeds opgestarte procedure verder door te voeren”. 1.
- Op 27 maart 2001 wordt verzoeker gehoord met betrekking tot het voorstel tot ontslag bij tuchtmaatregel. 1.
- Met een brief van 6 april 2001 wordt aan verzoeker het verslag van die hoorzitting betekend alsmede de beslissing van de benoemende overheid tot ontslag bij tuchtmaatregel. IX-2990-3/12 1.
- Op 13 april 2001 dient verzoeker bij de Chief Human Resources Officer een hiërarchisch beroep in tegen die beslissing, waarbij hij vraagt “de beslissing te herbekijken en alsnog in te gaan op (zijn) vraag tot ontslag van 06.03.2001”. Hij dient eveneens een verzoek in om te worden gehoord door de raad van beroep. 1.
- Met een aangetekende brief van 19 april 2001 antwoordt de Chief Human Resources Officer, met verwijzing naar de brief van 6 april 2001, dat verzoekers ontslag niet wordt aanvaard en de lopende tuchtprocedure wordt verdergezet. 1.
- Nadat verzoeker is gehoord, oordeelt de raad van beroep op 28 mei 2001 dat de opgelegde tuchtstraf van het ontslag “volkomen verantwoord is”. 1.
- Op 14 juni 2001 beslist de Director Shared Services Center verzoeker met ingang van 13 juni 2001 bij tuchtmaatregel te ontslaan. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd: “(...) Gelet op het onderzoeksrapport RVL/2001/017 door de benoemende overheid ontvangen op 26 februari 2001 en dat het verslag bevat van het verhoor van 22 februari 2001 afgenomen door GRS/GPP/Investigations&Fraud van de h. Guido Verschaeren (Pernr. 035849) die dit verslag heeft gelezen en goedgekeurd en er een kopie van heeft ontvangen; Gelet op de verklaringen van de h. Guido Verschaeren op 22 februari 2001 ten overstaan van GRS/GPP/Investigations&Fraud, waarin : - hij toegeeft in een periode van toegestane disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden, vanaf maart 2000 afgevaardigd bestuur- der te zijn (geweest) van de firma Euphony Benelux NV, firma die (zich) bezighoudt met de verkoop van telefoondiensten (reseller) en dat hij in zijn functie geafficheerd was op de internetsite van deze firma, met als vermelding ‘Guido Verschaeren verdiende zijn sporen bij de nationale telecom-operator’; - hij stelt dat hij in oktober 2000 zijn ontslag zou hebben gegeven bij voornoemde firma maar dat dit nog aanhangig is bij een handelsrecht- bank; - hij toegeeft dat de activiteiten van Euphony in strijd waren met de belangen van Belgacom en dat ze zelfs onwettelijk zijn (kettingverkoop); Gelet op de beslissing van de benoemende overheid van 6 april 2001 om de h. Guido Verschaeren na hem te hebben gehoord in zijn rechtvaardigingen en IX-2990-4/12 verklaringen op 27 maart 2001, te straffen met het ontslag omwille van het feit dat hij zich tijdens een periode van toegestane disponibiliteit wegens persoon- lijke aangelegenheden heeft ingelaten met handelsactiviteiten die de belangen van Belgacom schaden en die zelfs in concurrentie staan met de activiteiten van Belgacom (in casu, verkoop van telefoondiensten) en aldus strijdig zijn met de voor de personeelsleden geldende Belgacom-gedragscode en met art. 103 van het administratief personeelsstatuut; Gelet op het beroep dat de h. Guido Verschaeren heeft ingesteld bij de Raad van Beroep en waarover de Raad van Beroep op 28 mei 2001 een gemotiveerd advies heeft uitgebracht waarbij deze van oordeel is dat de aan betrokkene opgelegde bestraffing volkomen verantwoord is; Na heroverweging van alle elementen van het dossier en rekening houdend met het gemotiveerd advies van de Raad van Beroep beslis ik om de straf die aan de h. Guido Verschaeren werd opgelegd, te behouden.” Over de gegrondheid van het beroep 2.
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel, doordat de opgelegde sanctie van het ontslag niet in verhouding staat tot de feiten en derhalve kennelijk onredelijk is. Verzoeker argumenteert dat de feiten hebben plaatsgevonden tijdens de hem toegekende periode van disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden, wanneer hij dus niet bij Belgacom werkzaam was, dat hij de feiten heeft gepleegd gedurende een periode van vijf maanden, ervan uitgaande dat een terugkeer naar Belgacom niet meer mogelijk was, dat de verwerende partij slechts na afloop van die periode een onderzoek heeft ingesteld, dat zij onmiddellijk de zwaarste sanctie heeft gevorderd, terwijl uit de stukken blijkt dat de feiten niet gekwalificeerd werden als een tekortkoming die een dringende reden vormt voor ontslag, dat het ontslag bij tuchtmaatregel voor hem een handicap inhoudt bij het postuleren naar een nieuwe betrekking en dat het verlies van pensioenrechten een te zware straf is gelet op de ernst van de feiten. 2.
- De verwerende partij antwoordt dat de Raad van State enkel een kennelijk onevenredige straf als onwettig kan beschouwen, hetgeen in casu niet het geval is. Zij wijst erop dat verzoeker zich ervan bewust was dat hij als afgevaardigd bestuurder van Euphony Benelux betrokken was bij een activiteit die concurrerend was met Belgacom en derhalve in strijd was met artikel 103 van het administratief personeelsstatuut en met de Belgacom Gedragscode en dat verzoeker zelf heeft toegegeven dat die feiten zwaarwichtig waren. Zij stelt dat ook feiten die geen aanleiding geven tot een ontslag om dringende reden aanleiding kunnen geven tot IX-2990-5/12 een tuchtmaatregel, zelfs tot ontslag, wanneer zij zwaarwichtig genoeg zijn en dat de feiten van die aard zijn dat zij het functioneren van verzoeker binnen Belgacom onmogelijk maken. Volgens haar is het ontslag dus niet als onevenredig te beschouwen. 2.
- Verzoeker repliceert dat rekening moet worden gehouden met de bijzondere context waarin de feiten zich hebben voltrokken: hij heeft de disponibili- teit wegens persoonlijke aangelegenheden aangevraagd ingevolge zijn toenemende ontevredenheid bij Belgacom, waar het management blijk geeft van aversie ten opzichte van de statutaire ambtenaren, in een poging om hogerop te geraken en de beknellende situatie binnen Belgacom achter zich te laten. Voorts argumenteert hij dat hij gedurende zevenentwintig jaar geen enkele tuchtstraf heeft opgelopen, dat hij zich meer dan normaal heeft ingespannen teneinde zijn opdrachten voor de verwerende partij zo goed mogelijk uit te voeren, wat zou blijken uit zijn externe bijscholing en met name uit het behalen van een licentiaatsdiploma bestuursweten- schappen en van het diploma Master of Public Administration, dat hij ten volle met het onderzoek heeft meegewerkt en dat de hem ten laste gelegde feiten geen enkele weerslag hebben gehad op de goede naam van de verwerende partij of op het vertrouwen van het publiek in haar diensten. De tuchtoverheid heeft derhalve een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door hem meteen de zwaarste tuchtstraf op te leggen. 2.
- Bij het bepalen van de aard en de zwaarte van een tuchtsanctie beschikt de overheid over een ruime appreciatiebevoegdheid en kan de Raad van State enkel een kennelijk volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig beschouwen, met andere woorden een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. Artikel 103 van het administratief personeelsstatuut van Belgacom bepaalt dat met de functies van statutair personeelslid onverenigbaar is “elke bezigheid verricht door de belanghebbende zelf of door middel van een tussen- persoon, die het bedrijf nadeel kan berokkenen en die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt in strijd is”. Luidens de Belgacom Gedragscode mogen de personeelsleden geen activiteiten uitoefenen “die in concurrentie zouden kunnen staan” met Belgacom of één van haar filialen. IX-2990-6/12 Verzoeker heeft deze voorschriften bewust overtreden door de functie van afgevaardigd bestuurder uit te oefenen in een concurrerend bedrijf. Het uitoefenen van concurrerende activiteiten kon door de verwerende partij in redelijkheid beschouwd worden als een zware inbreuk die tot het ontslag bij tuchtmaatregel kan leiden. De omstandigheid dat verzoeker zelf zijn ontslag heeft aangeboden, ontneemt aan de feiten hun ernstig karakter niet. De omstandigheid dat binnen de raad van beroep uiteenlopende meningen bestonden over de gepastheid van de tuchtsanctie -zes leden stemden voor en vier leden tegen het ontslag bij tuchtmaatregel- wijst er enkel op dat die sanctie zich niet evident opdrong, maar niet dat ze zich evident niet opdrong. Dat de feiten gepleegd werden tijdens de aan verzoeker toegekende periode van disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden en dat verzoeker de intentie had Belgacom te verlaten, zijn geen omstandigheden die de tuchtoverheid ertoe moesten aanzetten de feiten te minimaliseren en een mildere sanctie op te leggen. Verzoeker was tijdens de periode van disponibiliteit nog steeds personeelslid van Belgacom en diende derhalve de verplichtingen opgelegd bij het administratief personeelsstatuut van Belgacom en bij de Belgacom Gedragscode loyaal na te leven. Het argument dat het uitoefenen van concurrerende activiteiten in het kader van de tuchtprocedure niet gekwalificeerd werd als een tekortkoming die een dringende reden vormt, kan evenmin aanvaard worden. Artikel 113bis, § 1, van het administratief personeelsstatuut van Belgacom bepaalt dat “onverminderd de mogelijkheid om het ontslag ook voor andere feiten uit te spreken (...) de tekort- koming die een dringende reden vormt, bestraft (wordt) met het ontslag”. De omstandigheid dat het uitoefenen van concurrerende activiteiten niet vermeld wordt bij de handelingen die in artikel 113bis van het personeelsstatuut beschouwd worden als tekortkomingen die een dringende reden vormen, sluit derhalve niet uit dat dergelijke activiteiten met een ontslag bij tuchtmaatregel kunnen worden bestraft. Het verlies van pensioenrechten en de problematiek van het vinden van een nieuwe betrekking zijn weliswaar ernstige nadelen, maar dit betekent nog niet dat er een kennelijke wanverhouding zou bestaan tussen de feiten en de bestreden beslissing. Die kennelijke onevenredigheid wordt evenmin aangetoond door het loutere feit dat de verwerende partij een lichtere tuchtstraf kon IX-2990-7/12 opleggen, door de omstandigheid dat verzoeker een vlekkeloze staat van dienst had en bijzondere inspanningen zou hebben geleverd bij het uitvoeren van zijn opdrachten voor de verwerende partij, door het feit dat hij zijn volledige medewerking heeft verleend aan het onderzoek en door de omstandigheid dat de gebeurtenissen geen weerslag zouden hebben gehad op het aanzien van de verwerende partij bij het publiek. Bijgevolg heeft de Director Shared Services Center de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet overschreden door aan verzoeker de zwaarst mogelijke tuchtsanctie op te leggen. Het eerste middel is niet gegrond. 3.
- In een tweede middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing gebaseerd is op foutieve gegevens, doordat in de motivering ervan ten onrechte wordt vermeld dat hij ten overstaan van GRS/GPP/Investigations&Fraud heeft toegegeven “dat de activiteiten van Euphony in strijd waren met de belangen van Belgacom en dat ze zelfs onwettelijk (onwettig) zijn (kettingverkoop)”, terwijl hij volgens het verslag in kwestie verklaard heeft: “Het systeem van consultants is volgens mij op het randje van de wettelijkheid. Het Engels systeem is in België zeker onwettelijk (onwettig)”. 3.
- De verwerende partij antwoordt dat verzoeker erkend heeft dat de praktijken van Euphony minstens dubieus waren en dat, hoe dan ook, de al dan niet onwettigheid van de praktijken waarmee verzoeker zich heeft ingelaten niet doorslaggevend was bij het ontslag, maar wel de omstandigheid dat hij zich tijdens een periode van disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden heeft ingelaten met handelsactiviteiten die de belangen van Belgacom schaden en die zelfs concurreren met de activiteiten van Belgacom en aldus in strijd zijn met de voor de personeelsleden geldende Belgacom Gedragscode en met artikel 103 van het administratief personeelsstatuut. Zij wijst erop dat het concurrentieel karakter van die activiteiten en de onverenigbaarheid ervan met een tewerkstelling bij Belgacom nooit door verzoeker werd betwist. 3.
- Verzoeker repliceert dat de verwerende partij de activiteiten van Euphony Benelux gekwalificeerd heeft als zijnde onwettig, en dit ten onrechte en in strijd met zowel zijn verklaringen als met de juridische werkelijkheid, nu IX-2990-8/12 Euphony Benelux over een vergunning beschikte om haar zogenaamde “dubieuze” activiteiten uit te oefenen. Volgens verzoeker is die onterechte kwalificatie van de activiteiten van Euphony Benelux als zijnde onwettig van aanzienlijk belang geweest, vermits zij door de verwerende partij beschouwd is als een bezwarende factor bij het bepalen van de strafmaat en zelfs één van de twee relevante motieven uitmaakt waarop de bestreden beslissing gesteund is. Verzoeker acht de motiveringsplicht dan ook geschonden, in het bijzonder nu de motivering, gelet op de zware gevolgen van de opgelegde sanctie, volstrekt ondubbelzinnig moet zijn. 3.
- Verzoeker voert de schending aan van de materiële motiverings- plicht -en in zijn laatste memorie, zij het ten overvloede, ook van de formele motiveringsplicht- omdat in de bestreden beslissing verkeerdelijk gesteld zou zijn dat hij de onwettigheid van de activiteiten van Euphony Benelux heeft toegegeven en die beslissing dan ook gesteund zou zijn op een verkeerd feitelijk gegeven. De beslissing zou ook ten onrechte uitgaan van het onwettig karakter van die activiteiten. Er dient te worden vastgesteld dat verzoeker bij zijn verhoor op 22 februari 2001 inderdaad niet heeft toegegeven dat de activiteiten van Euphony Benelux “onwettelijk” zouden zijn. Verzoeker stelt dan ook terecht dat de bestreden beslissing een verkeerd feitelijk gegeven vermeldt. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt echter dat aan verzoeker het ontslag bij tuchtmaatregel wordt opgelegd “omwille van het feit dat hij zich tijdens een periode van toegestane disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheden heeft ingelaten met handelsactiviteiten die de belangen van Belgacom schaden en die zelfs in concurrentie staan met de activiteiten van Belgacom (in casu, verkoop van telefoondiensten) en aldus strijdig zijn met de voor de personeelsleden geldende Belgacom-gedragscode en met art. 103 van het administratief personeelsstatuut”. Aldus blijkt dat de eventuele onwettigheid van de activiteiten van Euphony Benelux niet weerhouden wordt als een motief van de bestreden beslissing. In tegenstelling tot het oorspronkelijk strafvoorstel maakt de bestreden beslissing geen melding van de tenlastelegging dat de activiteiten van Euphony Benelux een inbreuk vormen op artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken. Verzoeker kan dan ook niet gevolgd worden waar hij stelt dat het vermeende IX-2990-9/12 onwettige karakter van die activiteiten een bezwarende factor is geweest bij het bepalen van de strafmaat en zelfs één van de twee relevante motieven van de bestreden beslissing. Het feit dat de bestreden beslissing een foutieve vermelding bevat met betrekking tot de verklaringen van verzoeker omtrent de onwettigheid van die activiteiten, heeft derhalve geen weerslag gehad op de bestreden beslissing. Bijgevolg is de materiële motiveringsplicht niet geschonden. Het tweede middel kan niet aangenomen worden. 4.
- In een derde middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing is ingegeven door andere dan bestuurlijke motieven en dat het beginsel van de gewekte verwachtingen is geschonden. Met name zou gedurende de ganse procedure, zowel bij het verhoor door GRS/GPP/Investigations&Fraud als in een later stadium, de indruk zijn gewekt dat hij, mits medewerking aan het onderzoek, zou kunnen rekenen op verzachtende omstandigheden. Bovendien zou zelfs het indienen van vrijwillig ontslag zijn aangemoedigd gedurende de ganse procedure. 4.
- De verwerende partij antwoordt dat het middel berust op gratuïte beweringen, die niet zijn gestaafd of zelfs maar aannemelijk gemaakt. Zij wijst erop dat verzoeker zijn vrijwillig ontslag pas heeft aangevraagd op 6 maart 2001, op een ogenblik dat hij reeds verhoord was en het voorstel tot tuchtmaatregel reeds ontvangen had en dat onmiddellijk aan verzoeker is meegedeeld dat, gelet op de lopende tuchtprocedure, niet kon worden ingegaan op zijn verzoek tot vrijwillig ontslag. 4.
- Verzoeker repliceert dat bij hem de indruk werd gewekt te kunnen rekenen op verzachtende omstandigheden, en dit ingevolge de ondervragingstechnieken gehanteerd door erkende privé-detectives werkzaam voor de dienst Security van Belgacom. Hij werpt de vraag op waarom hij anders zou hebben meegewerkt aan een onderzoek dat tot zijn ontslag bij tuchtmaatregel zou leiden. Hij stelt, nu de verwerende partij van mening is dat “verder functioneren binnen Belgacom onmogelijk” was, dat dit euvel redelijkerwijze verholpen kon worden door zijn vrijwillig ontslag te aanvaarden, maar dat de verwerende partij heeft beoogd hem persoonlijk te raken als statutair ex-RTT/Belgacom-werknemer. IX-2990-10/12 4.
- Verzoeker brengt geen enkel gegeven aan waaruit kan blijken dat hem tijdens het onderzoek werd toegezegd dat hij op verzachtende omstandigheden zou kunnen rekenen. Overigens komt het niet toe aan de met het onderzoek belaste diensten, maar uitsluitend aan de bevoegde tuchtoverheid om over het bestaan van eventuele verzachtende omstandigheden te oordelen. De toezeggingen die zouden zijn gedaan tijdens het onderzoek zouden die overheid dan ook niet hebben kunnen binden. Voorts is evenmin aangetoond dat de verwerende partij hem zou hebben aangemoedigd om vrijwillig ontslag te nemen. Verzoeker heeft zijn ontslag trouwens pas aangeboden op 6 maart 2001, enkele dagen nadat hem het voorstel tot ontslag bij tuchtmaatregel betekend was. Het verzoek tot vrijwillig ontslag werd reeds op 7 maart 2001 geweigerd. Wat betreft de bewering dat de bestreden beslissing ingegeven zou zijn door andere dan bestuurlijke motieven, brengt verzoeker evenmin enig concreet gegeven aan waaruit zou blijken dat de tuchtoverheid haar bevoegdheid van haar doel zou hebben afgewend. Het derde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-2990-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 15 december 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2990-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.769 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.