id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.770 Rolnummer: A. 172553/IX-5304 Zaak: Arrest 188770 - Accountants en Belastingconsulenten - 15/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-31 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-29 10:09 Fiche Arrest nr 188.770 van 15 december 2008 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.770 van 15 december 2008 in de zaak A. 172.553/IX-
- In zake : Henk HOOGSTRATEN, p/a de BVBA HOOGSTRATEN, gevestigd te TURNHOUT, Graatakker 189 tegen : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, dat woonplaats kiest bij advocaat M. LEBBE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Henk HOOGSTRATEN op 2 mei 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 6 maart 2006 van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, waarbij zijn beroep tegen de fictieve weigeringsbeslis- sing om hem de hoedanigheid van belastingconsulent toe te kennen, zonder voorwerp wordt verklaard en waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 3 februari 2003 van de Raad van het Instituut van de Accountants en de Belasting-consulenten om hem die hoedanigheid toe te kennen onder de dubbele opschortende voorwaarde van aanvaarding door het Beroepsinstituut van de Erkende Boekhouders en Fiscalisten van zijn ontslag uit dit instituut en van het afsluiten van een verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor beroepswerkzaamheden als belastingcon- sulent, lid van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, en dit binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van die beslissing, ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; IX-5304-1/14 Gelet op de beschikking van 13 november 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2008, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 24 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, en van advocaat A. VAN VAERENBERGH die, loco advocaat M. LEBBE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- De wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfs- revisoraat reglementeerde het beroep en de titel van accountant en richtte het Instituut der Accountants -hierna: het IDAC- op, dat tot doel had toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functie van accountant uit te oefenen. 1.
- Op 30 november 1994 legt de tuchtcommissie van het IDAC aan verzoeker, die lid was van het IDAC, de tuchtstraf op van de definitieve intrekking van zijn hoedanigheid van accountant. IX-5304-2/14 Op 13 september 1995 verklaart de Commissie van Beroep van het IDAC het beroep van verzoeker tegen die beslissing ontvankelijk maar ongegrond. Op 8 november 1996 verwerpt het Hof van Cassatie het tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep, zodat die beslissing definitief is. 1.
- De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen -hierna: de wet van 22 april 1999 - strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglemente- ren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. Artikel 2 van die wet richt het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten -hierna: het Instituut- op. Dit Instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het IDAC treedt, heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen. Het Instituut verleent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt de hoedanig- heid van accountant en/of belastingconsulent indien hij aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 van die wet voldoet. Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning om, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of beroepservaring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent te bepalen die afwijken van de wet en om de voorwaarden te bepalen waaronder vennoot-schappen die de diensten van belastingconsulent vóór 1 januari 1999 leverden gedurende een periode van maximum drie jaar de titel van belastingconsu- lent mogen dragen, na de inwerkingtreding van deze wet. Tijdens deze perioden neemt de Raad van het Instituut de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het Instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning zijn bepaald voor de toegang tot de titel van belastingconsulent. Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten -hierna: het koninklijk besluit van 4 mei IX-5304-3/14 1999- regelt ter uitvoering van artikel 60 van de wet van 22 april 1999 in de artikelen 2 tot 5 de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende een overgangsperiode van 18 maanden na de inwerkingtreding van die wet, die eindigt op 29 december
- Op basis van dit besluit dient verzoeker een aanvraag in tot aansluiting bij het Instituut als belastingconsulent. Op 11 april 2000 wordt hij dienaangaande gehoord door de erkenningscommissie van het Instituut. 1.
- In december 2001 stelt verzoeker een vordering tot eerherstel in bij het Instituut met betrekking tot de definitieve intrekking van zijn hoedanigheid van accountant. 1.
- Het koninklijk besluit van 18 maart 2002 tot toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen op grond van beroepservaring regelt ter uitvoering van artikel 60 van de wet van 22 april 1999 de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen die uiterlijk op 15 april 2002 hun kandidatuur hiertoe stellen. Op basis van dit besluit dient verzoeker met een brief van 8 april 2002 een tweede aanvraag in tot aansluiting bij het Instituut als belastingconsulent. Blijkens deze brief had de erkenningscommissie, nadat zij verzoeker had gehoord naar aanleiding van zijn eerste toetredingsaanvraag als belastingconsulent, besloten om haar beslissing inzake die aanvraag op te schorten tot na de beslissing van de Commissie van Beroep van het Instituut inzake zijn eerherstel als accountant. 1.
- Op 11 april 2002 verklaart de Commissie van Beroep verzoekers vordering tot eerherstel als accountant ongegrond. Op 28 mei 2002 stelt verzoeker tegen deze beslissing beroep in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 170.044 van 16 april 2007 heeft de Raad van State de afstand van het geding vastgesteld. IX-5304-4/14 1.
- Met een brief van 1 oktober 2002 deelt het Instituut aan verzoeker mee dat sedert zijn verschijning voor de erkenningscommissie op 11 april 2000 zijn eerste toetredingsaanvraag als belastingconsulent in beraad wordt gehouden tot nadere kennisgeving van zijnentwege en verzoekt zij hem mee te delen welk gevolg hij wenst te geven aan die aanvraag, vooraleer zij het onderzoek van zijn tweede toetredingsaanvraag kan aanvatten. 1.
- Met een brief van 3 oktober 2002 antwoordt verzoeker -weliswaar foutief- dat zijn eerste toetredingsaanvraag op een uitspraak wacht van de Raad van State en verzoekt hij de erkenningscommissie een datum mee te delen waarop een beslissing inzake zijn tweede toetredingsaanvraag verwacht mag worden, nu beide dossiers afzonderlijk kunnen worden behandeld en niets de behandeling van dit tweede dossier in de weg staat. 1.
- Met een brief van 16 januari 2003 meldt verzoeker aan de Commissie van Beroep dat het in gebreke blijven van het Instituut om hem een datum mee te delen waarop een beslissing mag worden verwacht inzake zijn tweede toetredingsaanvraag als belastingconsulent als een fictieve weigeringsbeslissing wordt beschouwd en dat hij beroep instelt tegen die afwijzing. 1.
- Op 21 januari 2003 verleent de erkenningscommissie inzake zijn tweede aanvraag een gunstig advies om verzoeker te erkennen in de hoedanigheid van belastingconsulent aangezien aan de wettelijke voorwaarden werd voldaan. 1.
- Met een brief van 22 januari 2003 bevestigt de Commissie van Beroep de ontvangst van het door verzoeker ingestelde beroep tegen de fictieve weigering om hem te erkennen als belastingconsulent. 1.
- Blijkens een uittreksel uit de notulen van 3 februari 2003 bevestigt de Raad van het Instituut het gunstig advies van de erkenningscommissie en kent hij verzoeker de hoedanigheid van belastingconsulent toe onder de opschortende voorwaarden van aanvaarding door het Beroepsinstituut van de Erkende Boekhou- ders en Fiscalisten -hierna: het BIBF- van zijn ontslag uit dit instituut en van het afsluiten van een verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor beroeps- werkzaamheden als belastingconsulent, lid van het Instituut, en dit binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van die beslissing. IX-5304-5/14 Met een brief van 18 maart 2003 wordt deze beslissing als volgt meegedeeld aan verzoeker: “De Raad van het Instituut heeft vastgesteld dat u thans bent ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van de Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF). Het Instituut is van oordeel dat er een onverenigbaarheid bestaat tussen de hoedanigheid van boekhouder(-fiscalist) en die van belastingconsulent, zodat een gelijktijdige inschrijving op het tableau van het BIBF en dat van het IAB niet mogelijk is. De stelling van het Instituut werd bijgetreden door het Arbitragehof in zijn arrest nr. 5/2001 d.d. 25 januari
- De Raad van het Instituut heeft, na een positief advies van de Erkennings- commissie, op zijn vergadering van 3 februari 2003 beslist u toe te laten als extern belastingconsulent onder de volgende opschortende voorwaarden : 1/ de aanvaarding van het verzoek tot weglating van het tableau van de leden van het BIBF, door de uitvoerende kamer of, in graad van hoger beroep, de Nederlandstalige kamer van de raad van beroep van dit beroepsinstituut; 2/ het afsluiten van een polis ter verzekering van uw burgerlijke aansprakelijk- heid van een extern belastingconsulent (cfr. art. 33 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen). U dient aan deze voorwaarden te voldoen binnen een termijn van 6 maanden te rekenen vanaf de datum van deze kennisgeving. Van zodra u het bewijs heeft geleverd dat aan beide voorwaarden werd voldaan, zal de Raad u, mits eedaflegging voor de territoriaal bevoegde rechtbank van koophandel, inschrijven op de deellijst van de externe belastingconsulenten. (...).” 1.
- Met een brief van 25 maart 2003 stelt verzoeker beroep in tegen deze beslissing bij de Commissie van Beroep. Zijn bezwaren luiden onder meer als volgt : “Aanvaarding van het verzoek tot weglating van de leden van het tableau van het BIBF Het zal een ieder duidelijk zijn dat het BIBF de belangen van de cliënten van de BIBF leden en die van de leden zelf als hoogste prioriteit ziet. Een aanvaarding van schrapping als BIBF lid zal naar onze stellige overtuiging door de uitvoerende kamer van het BIBF alleen aanvaard worden indien het BIBF lid een passende oplossing heeft gevonden voor de boekhoudkundige opdrachten die het BIBF lid na schrapping niet meer mag uitvoeren. BIBF leden zijn dan ook stelselmatig op zoek naar BIBF collega’s die door het IAB worden gedwongen hun cliëntenbestand van de hand te doen opdat zij de erkenning van Belastingconsulent kunnen verkrijgen. Deze aanvaarding kan wel eens langer op zich laten wachten dan de genoemde termijn van 6 maanden in de bestreden beslissing. Het automatische gevolg is verlies van erkenning. 6-Maandstermijn Nu de 6-maandstermijn te kort is voor volledige cliënten overdracht van boekhoudkundige taken wordt belanghebbende gedwongen zijn cliëntenbestand IX-5304-6/14 op zeer korte termijn van de hand te doen aan een BIBF-lid. Dit heeft tot gevolg een daling van de opbrengst. Een andere mogelijkheid is dat Dhr. Hoogstraten de boekhoudkundige opdrachten van zijn cliënten niet meer laat uitvoeren door zijn Belgische vennootschappen doch door zijn Nederlandse eenmanszaak. De boekhoudkundige taken worden dan in Nederland verricht, hetgeen gedwongen lidmaatschap van het BIBF of IAB met zich meebrengt. Waar het redelijkheidscriterium is te vinden om de bedoelde termijn op 6 maanden te stellen wordt niet gemeld! Opschortende voorwaarden strijdig met het EG-recht Het EG-recht regelt het vrij verkeer van personen en diensten. De Belgische overheid bij monde van het IAB weigert een dubbel lidmaatschap. Zij steunt haar visie op het arrest van het Arbitragehof. Doch het IAB laat wel oogluikend een dubbel lidmaatschap toe voor IAB leden die tevens als BIBF lid zetelen in de Nederlandstalige kamer van de raad van beroep. Een objectief meetbaar criterium waarom een dergelijk dubbel lidmaatschap wel is toegelaten wordt niet gemeld! Waar het objectief meetbaar element gevonden moet worden om opschortende voorwaarden in te roepen wordt niet gemeld.” 1.
- Op 20 april 2004 dient verzoeker een nieuw verzoek tot eerherstel als accountant in bij de Commissie van Beroep. 1.
- Met een brief van 12 oktober 2004 meldt verzoeker aan de Commissie van Beroep dat zijn boekhoudkundige, fiscale en adviserende activiteiten plaatsvinden in zowel België als Nederland en zijn specialisatie grensoverschrijdende situaties betreft en dat hij aan de door het Instituut gestelde opschortende verzekeringsvoorwaarde enkel kan voldoen met betrekking tot activiteiten in België die uitsluitend de Belgische boekhouding en fiscaliteit betreffen. Hij vraagt de Commissie van Beroep mee te delen of die verzekerings- voorwaarde ook geldt voor activiteiten als belastingconsulent in het buitenland die de Belgische fiscaliteit betreffen in grensoverschrijdende situaties. 1.
- Nadat verzoeker sedert februari 2003 geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodigingen om te verschijnen voor de Commissie van Beroep, voorname- lijk omdat hij verschillende commissieleden wenste te wraken, verklaart die commissie op 6 maart 2006 zijn beroep tegen de fictieve weigeringsbeslissing om hem de hoedanigheid van belastingconsulent toe te kennen zonder voorwerp en zijn beroep tegen de beslissing van 3 februari 2003 van de Raad van het Instituut om hem die hoedanigheid toe te kennen onder de dubbele opschortende voorwaarde van aanvaarding door het BIBF van zijn ontslag uit dit instituut en van het afsluiten van een verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor beroepswerkzaamheden als belastingconsulent, lid van het Instituut, en dit binnen een termijn van zes IX-5304-7/14 maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van die beslissing, ongegrond. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : “De middelen die appellant doet gelden ten aanzien van deze opschortende voorwaarden, zijn verwoord in zijn brieven van 25 maart 2003 en 12 oktober 2004, en kunnen als volgt samengevat worden :
- een erkenning kan niet voorwaardelijk zijn;
- het ontslag BIBF zal enkel aanvaard worden indien een passende oplossing wordt gevonden voor de boekhoudkundige opdrachten die na het ontslag niet meer mogen uitgevoerd worden, en dit kan langer dan zes maanden duren;
- de termijn van zes maanden is onredelijk;
- de opschortende voorwaarden zijn strijdig met het Europees recht;
- aan de beoogde verzekeringsvoorwaarde kan niet worden voldaan. Deze middelen zijn ongegrond. Een erkenning kan voorwaardelijk zijn in de mate dat de opgelegde voorwaarden een onverenigbaarheid met de uitoefening van de functie van belastingconsulent doen ophouden, en in de mate dat een waarborg wordt geëist onder de vorm van het afsluiten van een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid voor beroepswerkzaamheden. De uitoefening van de functie als lid van het BIBF is onverenigbaar met de functie als belastingconsulent, lid van het IAB. De voorwaarde om de functie als lid van het BIBF op te geven, en dus een einde te stellen aan die onverenigbaar- heid, is gewettigd. De opgelegde termijn van zes maanden om dit te doen is niet onredelijk; minstens wordt niet aangetoond dat deze termijn in dit geval onredelijk is. De verzekeringsvoorwaarde is evenmin onredelijk. De opgelegde opschortende voorwaarden zijn niet strijdig met het Europees recht; minstens wordt niet aangetoond welke Europeesrechtelijke regels daarmee geschonden zouden worden. De opgelegde voorwaarden kunnen gelden voor elke Europese onderdaan.” 1.
- Op 6 maart 2006 verklaart de Commissie van Beroep ook verzoekers tweede vordering tot eerherstel als accountant ongegrond. Op 2 mei 2006 stelt verzoeker tegen die beslissing beroep in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 170.045 van 16 april 2007 heeft de Raad van State ook in die zaak de afstand van het geding vastgesteld. Gegrondheid van het beroep
- Verzoeker voert in het tweede middel een motiveringsgebrek aan, doordat de bestreden beslissing geenszins aangeeft waarom het dubbel lidmaat- schap van het Instituut én van het BIBF verboden is en de huidige leden van het Instituut op die wijze een kunstmatige stop van het lidmaatschap invoeren zonder objectief meetbare gegevens te hanteren die een dergelijke discriminatie rechtvaar- IX-5304-8/14 digen. Wat de voorwaarde van het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsver- zekering betreft, stelt hij dat de vennootschap waarin hij zijn beroepsactiviteiten uitoefent, verzekerd is middels een polis bij het BIBF die slechts kan worden opgezegd nadat het lidmaatschap van het BIBF is opgezegd en dat de bestreden beslissing geenszins de reden vermeldt van de noodzaak van een dubbele verzekering. Voorts betoogt hij dat de termijn van zes maanden in de praktijk niet haalbaar is, vermits alle boekhoudkundige dossiers dan aan een collega zouden moeten worden overge-dragen, wat zou leiden tot schadeclaims met betrekking tot lopende contracten. Een werkbare situatie zou er volgens verzoeker in bestaan dat de lopende opdrachten gedurende het lopende boekjaar worden afgehandeld en dat geen nieuwe opdrachten worden aanvaard.
- De verwerende partij antwoordt dat de Commissie van Beroep het verbod van het dubbel lidmaatschap van het Instituut en van het BIBF op afdoende wijze heeft gemotiveerd door te stellen dat dit verbod gewettigd is en dat de Commissie van Beroep geenszins de motieven van dit motief dient aan te geven. Zij stelt dat indien verzoeker dit verbod als onwettig zou beschouwen, hij dit op concrete en precieze wijze in zijn verzoekschrift moet aantonen, wat hij niet doet. Zij merkt overigens op dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 5/2001 van 25 januari 2001 heeft geoordeeld dat dit verbod niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en bijgevolg niet discriminerend is. Wat de voorwaarde van het afsluiten van een verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid als externe belastingconsulent betreft, stelt zij dat er in de bestreden beslissing geenszins sprake is van een dubbele verzekering, maar dat deze voorwaarde, die voortvloeit uit artikel 33 van de wet van 22 april 1999, dient te worden samengelezen met de voorwaarde van het ontslag uit het BIBF waardoor een einde kan worden gesteld aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekering als erkend boekhouder. Wat de termijn van zes maanden betreft om aan beide voorwaarden te voldoen, is zij van mening dat verzoekers kritiek niet kan worden aangenomen, vermits hij niet preciseert welke rechtsregel de Commissie van Beroep zou hebben geschonden door te oordelen dat die termijn niet onredelijk is, minstens dit niet kan worden aangeno- men, nu hij geenszins aantoont dat te dezen die termijn onjuist of onredelijk is.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het de voorwaarde van de aanvaarding door het BIBF van zijn ontslag uit dit instituut is die niet kan worden aanvaard en dat zijn huidige polis inzake beroepsaansprakelijkheid als boekhouder-fiscalist bij het BIBF ook dekking verleent voor de activiteiten als IX-5304-9/14 belastingconsulent, waarbij het risico niet wijzigt door de titel waaronder de werkzaamheden worden verricht of door de opzegging van het lidmaatschap van het BIBF. Wat de onverenigbaarheid betreft van het lidmaatschap van het Instituut met dat van de BIBF, is hij van oordeel dat de vaststelling dat die niet in strijd is met de Grondwet geen afdoende motivering vormt gezien dit niet zonder meer betekent dat die onverenigbaarheid toelaatbaar is. Hij merkt op dat er geen rechtvaardigings- grond is aangegeven waarom de belastingconsulent geen werkzaamheden kan verrichten als extern boekhouder en dat niet kan worden ingezien waarom een dubbel lidmaatschap tot schade leidt aan het Instituut, in het bijzonder nu het Instituut en het BIBF in onderhandeling zijn omtrent fusering. Wat de termijn van zes maanden betreft om de dossiers over te dragen, stelt hij dat deze onredelijk is, vermits hij nagenoeg uitsluitend dossiers behandelt met een grensoverschrijdend karakter en de kennis bij de collega’s van het Instituut en van het BIBF op dit vlak gering is, zodat hij zelfs met behulp van een externe professionele bemiddelaar geen overnemer van alle boekhouddossiers kan vinden, dat het staken van het aangeno- men werk binnen de zes maanden tot aanzienlijke schadeclaims van de cliënten zal leiden en dat bijgevolg enkel de leden van het BIBF die over weinig boekhouddos- siers beschikken in de mogelijkheid verkeren om te worden erkend als belastingcon- sulent.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat verzoeker voor de Commissie van Beroep geenszins de wettigheid van de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van het Instituut met dat van de BIBF heeft bekritiseerd, maar wel de termijn van zes maanden waarin hij een oplossing moet vinden voor de lopende boekhoudkundige opdrachten, zodat de Commissie van Beroep niet verder diende in te gaan op die onverenigbaarheid en zij aan de motiveringsplicht heeft voldaan door te stellen dat de voorwaarde van de aanvaarding door het BIBF van verzoekers ontslag uit dit Instituut gewettigd is om reden van een onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van het BIBF en de uitoefening van de functie van belastingconsulent als lid van het Instituut. Bovendien moeten de motieven van de motieven niet worden vermeld, waardoor het motief van het bestaan van een onverenigbaarheid niet nader diende te worden gemotiveerd door aan te geven waarom die onverenigbaarheid bestaat. Voorts betwist zij het auditoraatsverslag, waar dit stelt dat “in feite de voorwaarde, een einde te stellen aan de onverenigbaar- heid, gemotiveerd (wordt) door de stelling dat er een onverenigbaarheid is en dat het beëindigen ervan een wettige voorwaarde is zodat de voorwaarde tegelijk het motief ervan is”, vermits de eerste voorwaarde er niet in bestaat “een einde te stellen aan IX-5304-10/14 de onverenigbaarheid”, maar wel in de aanvaarding door het BIBF van het ontslag van verzoeker uit dit Instituut, welke voorwaarde volgens de Commissie van Beroep gewettigd is, gelet op voormelde onverenigbaarheid.
- Verzoeker stelt de motiveringsplicht aan de orde. Zoals hiervóór is vastgesteld, treedt de Commissie van Beroep van het Instituut, wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot verlening van de hoedanigheid van belasting- consulent, op als een administratieve overheid en niet als een administratief rechts- college. Er moet dan ook worden aangenomen dat te dezen de motiveringsplicht voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
- Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de bestreden beslissing niet, zoals wel het geval is voor jurisdictionele uitspraken, alle aangevoerde middelen diende te beantwoorden. Volgens de bewoordingen van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 volstaat het daarentegen voor een administratieve beslissing dat de motivering draagkrachtig is, wat echter ook betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen zonder dat alle door de rechtzoekende aangehaalde feitelijke en juridische argumenten worden beantwoord, met dien verstande echter dat zij de bestuurde redelijkerwijze in staat moet stellen te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen, dermate dat hij kan oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft.
- Te dezen bevestigt de Commissie van Beroep de opschortende voorwaarden waaronder verzoeker wordt erkend als belastingconsulent bij het Instituut, met name de aanvaarding door het BIBF van zijn ontslag uit dit Instituut en het afsluiten van een verzekering inzake burgerlijke aansprakelijkheid als belastingconsulent, lid van het Instituut, en dit binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beslissing. Uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat de bezwaren tegen die voorwaarden, door verzoeker geformuleerd in zijn brieven van 25 maart 2003 en 12 oktober 2004, door de Commissie van Beroep in aanmerking genomen zijn bij het nemen van haar beslissing. De Commissie van Beroep steunt de verwerping van die bezwaren op de volgende redenen : ten eerste, een erkenning kan voorwaardelijk zijn in de mate dat die voorwaarden een onverenigbaarheid met de uitoefening van de functie van belastingconsulent doen ophouden en in de mate dat een waarborg wordt geëist IX-5304-11/14 onder de vorm van het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering; ten tweede, de voorwaarde om het lidmaatschap van het BIBF op te zeggen is gewettigd, vermits op die wijze een einde wordt gesteld aan de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van het BIBF met de functie als belastingconsulent bij het Instituut; ten derde, de opgelegde termijn van zes maanden is niet onredelijk, minstens wordt niet aangetoond dat die termijn in casu onredelijk is; ten vierde, de verzekerings-voorwaarde is evenmin onredelijk; ten vijfde, de opgelegde voorwaar- den zijn niet in strijd met het Europees recht en kunnen gelden voor elke Europese onderdaan.
- Wat de voorwaarde van het ontslag uit het BIBF betreft, blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat deze voorwaarde volgens de Commissie van Beroep voortvloeit uit een bestaande onverenigbaarheid van het lidmaatschap van het BIBF met dat van het Instituut. In de motivering wordt door de Commissie van Beroep echter niet verduidelijkt waarop deze onverenigbaarheid steunt. Verzoeker blijft aldus in het ongewisse of die onverenigbaarheid voortvloeit uit enige rechtsregel, dan wel of zij het gevolg is van een eigen appreciatie van het Instituut. In de tweede hypothese wordt ook niet duidelijk gemaakt waarop een dergelijke appreciatie steunt. De motivering die de verwerende partij achteraf geeft, met name in haar memorie van antwoord, en die verband houdt met het arrest nr. 5/2001 van het Grondwettelijk Hof, kan de onregelmatigheid van de motivering van de bestreden beslissing niet goedmaken. Overigens voert de verwerende partij ten onrechte aan dat verzoeker voor de Commissie van Beroep de wettigheid van de onverenigbaarheid niet zou hebben betwist. In zijn beroepschrift van 25 maart 2003 heeft hij immers aan de beslissing van 3 februari 2003 van de Raad verweten dat ze nergens melding maakte van een “objectief meetbaar criterium” op grond waarvan het dubbel lidmaatschap voor sommigen wel en voor anderen, zoals verzoeker, niet werd toegestaan. Wat de termijn van zes maanden betreft om aan de voorwaarden te voldoen, stelt de Commissie van Beroep eenvoudig dat deze termijn niet onredelijk is, minstens dat niet wordt aangetoond dat hij in casu onredelijk is. In zijn beroepschrift van 25 maart 2003 heeft verzoeker evenwel aangevoerd dat de termijn van zes maanden in zijn geval onredelijk was, gelet op de tijd die vereist is voor de IX-5304-12/14 overdracht van zijn volledige cliëntenbestand, wat betreft de boekhoudkundige taken, aan een lid van het BIBF. Verzoeker heeft bovendien gewezen op het feit dat hij de boekhoudkundige taken laat uitvoeren, zowel door zijn Belgische vennoot- schappen als door zijn Nederlandse eenmanszaak. Aan het grensoverschrijdend karakter van zijn activiteiten heeft verzoeker bovendien herinnerd in zijn schrijven van 12 oktober
- De Commissie van Beroep maakt echter niet duidelijk dat zij ook maar enige aandacht heeft besteed aan de bijzondere omstandigheden waarop verzoeker gewezen heeft. Wat betreft de voorwaarde om een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid voor beroepswerkzaamheden als belastingconsulent, lid van het Instituut af te sluiten, overweegt de Commissie van Beroep eveneens eenvoudig dat die voorwaarde niet onredelijk is. In zijn schrijven van 12 oktober 2004 heeft verzoeker evenwel aangevoerd dat hij aan de bedoelde voorwaarde niet kan voldoen, aangezien slechts een beperkte dekking mogelijk is, namelijk voor activiteiten in België die betrekking hebben op de Belgische boekhouding en fiscaliteit. De Commissie van Beroep maakt echter niet duidelijk in hoeverre zij met het grensoverschrijdend karakter van de activiteiten van verzoeker rekening houdt bij de beoordeling van de redelijkheid van de voorwaarde. Het feit dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord lijkt aan te geven dat hij zijn bezwaren tegen de voorwaarde in verband met het afsluiten van een verzekering intrekt, doet aan de voornoemde vaststelling geen afbreuk. Op de drie genoemde punten is de bestreden beslissing aangetast door een gebrek in de motieven.
- Het tweede middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 6 maart 2006 van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belasting- consulenten, waarbij het beroep van Henk HOOGSTRATEN tegen de beslissing van IX-5304-13/14 3 februari 2003 van de Raad van het Instituut van de Accountants en de Belasting- consulenten deels zonder voorwerp en deels ongegrond wordt verklaard. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 15 december 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5304-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.770 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.