← België

Arrest 188772 - Varia (justitie) - 15/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.772 Rolnummer: A. 174524/IX-5362 Zaak: Arrest 188772 - Varia (justitie) - 15/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 10:10 Fiche Arrest nr 188.772 van 15 december 2008 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.772 van 15 december 2008 in de zaak A. 174.524/IX-

  1. In zake : Leendert LAMBRECKS, die woonplaats kiest bij advocaat L. SAVELKOUL, kantoor houdende te BERINGEN-PAAL, Paalsesteenweg 133 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat S. BUTENAERTS, kantoor houdende te BRUSSEL, Leopold II-laan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leendert LAMBRECKS op 3 juli 2006 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 4 mei 2006 van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders in zoverre zijn vraag tot vergoeding die hij vorderde als rechtsopvolger van zijn zus E.L., wordt afgewezen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5362-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. SAVELKOUL die, in eigen naam en loco advocaat J. VERCRAEYE, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat W. GILLARD die, loco advocaat S. BUTENAERTS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. E.L., de zus van de verzoeker, wordt op 22 augustus 1995 ontvoerd. Ongeveer één jaar later wordt haar lichaam teruggevonden, nadat één van de daders (Marc D.) de vindplaats heeft aangeduid. 1.
  4. Bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie Luxemburg van 22 juni 2004 wordt Marc D. veroordeeld tot een levenslange opsluiting, Michelle M. tot een gevangenisstraf van 30 jaar en Michel L. tot een gevangenisstraf van 25 jaar. Bij arrest van hetzelfde hof van 23 juni 2004 worden de daders solidair veroordeeld om aan de verzoeker volgende bedragen te betalen: 25.000 euro, te vermeerderen met de intresten, voor de morele schade, 4.000 euro voor de procedurekosten en 125.000 euro voor de schade ex haerede, in zijn hoedanigheid van erfgenaam van wijlen E.L. De eigendommen van de daders blijken quasi waardeloos te zijn en blijken evenmin vatbaar voor publieke verkoop. 1.
  5. Met een verzoekschrift van 10 augustus 2005 vraagt de verzoeker de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna kortweg de Commissie genoemd) om toekenning van een hoofdhulp van 62.000 euro voor de schade geleden ten gevolge van het gewelddadige overlijden van zijn zus, E.L. De schade wordt geraamd als volgt: IX-5362-2/13 - als onrechtstreeks slachtoffer: - morele schade: 25.000 euro - gerechtskosten: 4.000 euro - als rechtsopvolger van het rechtstreeks slachtoffer E.L.: 125.000 euro. Op 4 mei 2006 verklaart de Commissie het verzoek ontvankelijk en kent ze de verzoeker als onrechtstreeks slachtoffer een hulp toe van 25.000 euro. Het verzoek tot het verkrijgen van een hulp als rechtsopvolger van E.L. wordt daarentegen afgewezen. Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “V. Beoordeling door de Commissie Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de daders zijn quasi onbestaande. De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstelling’, maar wel op het eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1965 nageleefd te worden.
  6. Wat betreft de vordering als nabestaande van het slachtoffer Na kennisname van het dossier dat aan de Commissie werd voorgelegd enerzijds en vooral na de betrokken (raadsman van de) familieleden te hebben gehoord in hun uiteenzetting anderzijds, meent de Commissie een hulp te kunnen toekennen op basis van volgende elementen: - de grote onzekerheid die de familie kende sinds de verdwijning van E.L. op 22 augustus 1995 gepaard gaande met een enorme belangstelling van de pers en van de maatschappij; - de vele inspanningen die de familie zich getroost heeft om onmiddellijk na de verdwijning van E.L. alle mogelijke diensten in te schakelen, en om zelf initiatieven te nemen. Bij het nader bepalen van de toe te kennen financiële hulp wordt eveneens rekening gehouden met het feit dat de maatschappij veel meer dan voorheen tilt aan dossiers als die van E.L., zodat ook de Commissie op basis van het principe van solidariteit van de maatschappij ten aanzien van slachtoffers en hun naasten, hiermee rekening houdt bij het bepalen van het toe te kennen bedrag. Op basis van de hiervoor aangehaalde elementen meent de Commissie naar billijkheid aan verzoeker, als broer van E.L., een globale hulp te kunnen toekennen zoals hierna bepaald.
  7. Wat betreft de vordering als rechtsopvolger van E.L. en de vergoeding wegens schade ex haerede. IX-5362-3/13 Uit de wet blijkt duidelijk dat de financiële tegemoetkoming die door de Commissie wordt toegekend geen recht op schadeloosstelling uitmaakt, voorzien in het burgerlijk recht, zoals bijvoorbeeld de toepassing van art. 1382 B.W. of een vorm van tegemoetkoming voorzien in het sociale zekerheidsrecht. Dat het een volledig op zich staande tegemoetkoming betreft, blijkt uit diverse elementen: - De tegemoetkoming wordt toegekend vanuit de filosofie van een solidariteit van de maatschappij/overheid ten aanzien van de slachtoffers of hun nabestaanden van opzettelijke geweldmisdrijven, en sinds kort ook van occasionele redders. - De bevoegdheid tot toekenning van deze financiële tegemoetkoming werd niet aan de gewone rechtbanken toegekend, doch aan een specifiek daartoe opgericht administratief rechtscollege. - Een specifieke rechtspleging is voorzien. - Er is een limitatieve opsomming zowel wat betreft de rechthebbenden, als (wat betreft) de schadeposten waarvoor tussenkomst kan worden gevraagd. In tegenstelling tot hetgeen de raadslieden van verzoeker voorhouden, is het derhalve afdoende duidelijk dat de wet van 1 augustus 1985 afwijkt van het gemeen recht. De limitatieve opsomming van de categorieën van rechthebbenden, met het belangrijke onderscheid tussen de rechtstreekse slachtoffers en de nabestaanden enerzijds, en van de in aanmerking te nemen schadeposten anderzijds, brengt met zich mee dat verzoeker niet tegelijkertijd ook een financiële tegemoetkoming kan bekomen als erfopvolger van zijn zus voor het leed dat zijzelf (ontegensprekelijk) heeft geleden. De raadslieden zien ook ten onrechte een juridische nuance in de terminologie gehanteerd in de artikelen 31 en 31bis van de wet ('kan' en 'wordt'). Uit het samenlezen van de tekst blijkt voldoende duidelijk dat aan de voorwaarden gekoppeld aan de hoedanigheid van verzoekers en de opsomming van de schadeposten waarvoor wordt tussengekomen, cumulatief dient te worden voldaan. VI. Begroting van de hulp door de Commissie De Commissie meent in billijkheid de hulp te kunnen begroten op i 25.000,00.” In zoverre deze beslissing de vordering van de verzoeker tot het verkrijgen van een hulp als rechtsopvolger van zijn zus E.L. afwijst, vormt ze het voorwerp van het voorliggende cassatieberoep. Ten gronde 2.1.
  8. De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, van de burgerrechtelijke bepalingen van gemeen IX-5362-4/13 erfrecht, van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur zoals het proportionaliteitsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de algemene billijkheid, en van artikel 149 van de Grondwet. Hij voert aan dat de Commissie ten onrechte stelt dat de financiële tegemoetkoming die door haar wordt toegekend niet als een patrimoniaal burgerlijk recht kan worden beschouwd en dat de wet van 1 augustus 1985 afwijkt van het gemene recht. Nergens stelt de wet van 1 augustus 1985 dat het terzake geen patrimoniaal burgerlijk recht zou betreffen in hoofde van de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, en evenmin dat dit recht onoverdraagbaar zou zijn. In de toelichting bij het middel verwijst de verzoeker naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 augustus 1985, in het bijzonder naar de verklaringen van de heer Baert en het antwoord van de Minister van Justitie tijdens de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 23 juli 1985 (Parl. Hand., Kamer, 1984-85, 23 juli 1985, p. 3483), om daaruit af te leiden dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het niet zou gaan om een burgerlijk recht en om een overdraagbare vordering. Hij wijst er voorts op dat het later in de wet ingevoegde artikel 31bis bepaalt dat “de financiële hulp (...) wordt toegekend onder (een aantal nader bepaalde) voorwaarden” en leidt inzonderheid uit de woorden “wordt betaald” af dat wanneer aan de bedoelde voorwaarden is voldaan, de Commissie geen andere mogelijkheid heeft dan de hulp toe te kennen. Voor de in artikel 31 bedoelde categorieën van personen gaat het dus wel degelijk om een patrimoniaal, burgerlijk recht, dat in geld waardeerbaar is en dat aldus in het vermogen valt. In dat geval heeft de beoordeling door de Commissie slechts betrekking op het bedrag van de vergoeding -vast te stellen tussen een minimum en een maximum- doch niet op het principiële recht op vergoeding zelf. De verzoeker vervolgt dat, als het een patrimoniaal recht betreft, er geen enkele reden is om, bij gebrek aan andersluidende wetsbepaling, te stellen dat dit recht niet in het patrimonium van de overleden rechtstreekse slachtoffers zou vallen, en al evenmin om te stellen dat dit bij hun overlijden teloor zou gaan en niet, zoals alle andere patrimoniale rechten en plichten, zou “vererven” op hun erfgenamen. Er anders over oordelen zou volgens de verzoeker de deur openzetten voor ongerijmdheden en zelfs onbillijkheden allerhande. De erfgenamen van het rechtstreekse slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad dat zou overlijden nadat het rechtstreekse slachtoffer zijn of haar recht ten opzichte van de Commissie heeft uitgeoefend en betaling heeft gekregen, zouden dan immers deze gelden erven, IX-5362-5/13 terwijl de erfgenamen van een ander rechtstreeks slachtoffer, dat overleden is ingevolge de opzettelijke gewelddaad, of zelfs na de opzettelijke gewelddaad doch vóór de uitbetaling van de gelden, dit recht zouden zien teloorgaan. Dergelijke situaties zouden, aldus de verzoeker, totaal strijdig zijn met elk beginsel van proportionaliteit, redelijkheid en billijkheid, en met de beginselen van behoorlijk bestuur. Er kan immers geen wettelijk noch met de redelijkheid, billijkheid en proportionaliteit in overeenstemming te brengen verklaring gevonden worden om nabestaanden van rechtstreekse slachtoffers, die overleden zijn nadat zij vergoed zijn door de Commissie, anders te behandelen dan nabestaanden van rechtstreekse slachtoffers die overleden zijn voordat zij hun aanspraak te gelde konden maken, of zelfs nadat de aanspraak te gelde werd gemaakt, doch voordat een betaling gebeurde. 2.1.
  9. Op het verweer van de verwerende partij dat de Commissie geen vergoeding wegens schade ex haerede kan toekennen omdat een dergelijke schade niet is opgenomen in de limitatieve lijst van schadeposten, vervat in artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985, antwoordt de verzoeker dat de vraag niet is of de schade ex haerede in artikel 32 van de wet van 1 augustus1985 is vermeld, maar wel of de in artikel 32, § 1, vermelde schadeposten, zo deze zijn ontstaan bij een naderhand overleden slachtoffer, overgaan op de erfgenamen. De verzoeker voert voorts aan dat artikel 31, eerste lid, en artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 niet uitdrukkelijk bepalen dat enkel de rechtstreekse slachtoffers van een opzettelijke gewelddaad aanspraak kunnen maken op een vergoeding en dat de erfgenamen van het slachtoffer diens rechten niet kunnen voortzetten. De verzoeker herhaalt dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 augustus 1985 terzake evenmin duidelijkheid verschaft. Bij gebreke van specifieke bepalingen in de wet, moet dan ook worden aangenomen dat het de bedoeling was om het gemene recht onverkort te laten. Subsidiair vraagt de verzoeker dat, indien de Raad van State zou oordelen dat het niet gaat om een patrimoniaal burgerlijk recht, met als gevolg de niet-overdraagbaarheid van de vordering, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld zou worden: “Schenden de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien zij zo worden geïnterpreteerd dat deze artikelen een ‘sui generis aanspraak’ invoeren in hoofde van de in artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985 bedoelde categorieën van personen, dat deze ‘aanspraak’ niet als een burgerlijk patrimoniaal recht kan worden beschouwd, met als gevolg dat deze bij IX-5362-6/13 overlijden van de in artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985 bedoelde categorieën van personen komt te vervallen, en (dat deze aanspraak) niet overdraagbaar is op de erfgenamen, met als concreet gevolg dat er een verschil in behandeling ontstaat tussen de erfgenamen van in artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985 beoogde personen wier rechtsvoorganger overleden is nadat een aanspraak bij de Commissie werd geformuleerd en na uitbetaling van de gelden, ten opzichte van de erfgenamen van in artikel 31 beoogde categorieën van personen wier rechtsvoorganger overleed vóór een aanspraak kon worden geformuleerd c.q. een aanspraak werd geformuleerd doch nog geen uitspraak werd gedaan c.q. een uitspraak werd gedaan door de Commissie doch de vergoeding nog niet werd uitbetaald?” 2.1.
  10. In zijn laatste memorie merkt de verzoeker op dat, waar de auditeur-verslaggever in zijn verslag stelt dat het recht op hulp pas ontstaat bij de toekenning door de Commissie, waarna het wel in het patrimonium terechtkomt en kan overgaan op de erfgenamen, dit niet de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn. In die interpretatie zou er immers een ontoelaatbare ongelijkheid bestaan tussen slachtoffers die wel een verzoek om hulp kunnen indienen en slachtoffers die ingevolge overlijden, door welke oorzaak dan ook, dit niet kunnen. Als repliek op de stelling van de auditeur-verslaggever, die van oordeel is dat het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag onontvankelijk is, merkt de verzoeker op dat uitkeringen en tegemoetkomingen op grond van maatschappelijke solidariteit wel degelijk de openbare orde aanbelangen en dat de regelgeving daaromtrent ontegensprekelijk van openbare orde is. In elk geval heeft hij zijn verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag gedaan in het eerste processtuk waarin hij dat kon doen. Het bedoelde verzoek is immers een reactie op een stelling die de verwerende partij heeft ontwikkeld in haar memorie van antwoord. 2.
  11. De verzoeker voert onder meer de schending aan van “de beginselen van behoorlijk bestuur zoals het proportionaliteitsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de algemene billijkheid”, van “de burgerrechtelijke bepalingen van gemeen erfrecht” en van artikel 149 van de Grondwet. De Commissie is geen orgaan van actief bestuur, maar een administratief rechtscollege. Zoals uit de benaming “beginselen van behoorlijk bestuur” alleen al blijkt, zijn deze beginselen gericht tot de organen van het actief bestuur en niet tot de rechterlijke instanties. Deze beginselen zijn dan ook niet van toepassing op de Commissie. IX-5362-7/13 De Raad van State kan voorts alleen de rechtmatigheid van de hem voorgelegde beslissing onderzoeken. Hij is niet bevoegd om deze op haar billijkheid te toetsen. In zoverre de verzoeker de schending aanvoert van “de burgerrechtelijke bepalingen van gemeen erfrecht”, moet worden vastgesteld dat de verzoeker niet voldoende duidelijk maakt welke rechtsregels hij geschonden acht. In dit opzicht voldoet het middel niet aan de vereisten die voor de ontvankelijkheid van een middel gelden. In zoverre het middel de schending inroept van artikel 149 van de Grondwet, wordt niet uiteengezet waarin de schending van dit artikel zou bestaan. In zoverre de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de algemene billijkheid, van de burgerrechtelijke bepalingen van gemeen erfrecht en van artikel 149 van de Grondwet wordt ingeroepen, kan het middel derhalve niet aangenomen worden. 2.3.
  12. In zoverre de schending wordt ingeroepen van een aantal bepalingen van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, heeft het middel in essentie kritiek op de interpretatie die de bestreden beslissing geeft aan artikel 31 van die wet. Die bepaling, vervangen bij de wet van 26 maart 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, luidde ten tijde van de bestreden beslissing als volgt: “De Commissie kan een financiële hulp toekennen aan: 1/ personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad; 2/ nabestaanden van of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad; 3/ ouders of personen die voorzien in het onderhoud van een minderjarig slachtoffer dat als gevolg van een opzettelijke gewelddaad een langdurige medische of therapeutische behandeling behoeft; 4/ verwanten tot en met de tweede graad van of verwanten die in duurzaam gezinsverband samenleefden met een slachtoffer dat sinds meer dan een jaar vermist is indien deze vermissing naar alle waarschijnlijkheid te wijten is aan een opzettelijke gewelddaad. 5/ hen die vrijwillig hulp bieden aan slachtoffers, niet in het kader van de uitoefening van een beroepsactiviteit in verband met de veiligheid en niet in het kader van een deelname aan eender welke gestructureerde vereniging teneinde hulp en bijstand te verlenen aan derden, en die ‘occasionele redders’ genoemd IX-5362-8/13 worden of, in geval van overlijden, hun rechthebbenden, zoals opgesomd in artikel 42, § 5.” Artikel 31bis, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, bepaalt onder welke voorwaarden de financiële hulp als bedoeld in artikel 31, 1/ tot 4/, wordt toegekend. Artikel 32, vervangen bij de wet van 26 maart 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, somt de bestanddelen van de schade op waarvoor een hulp kan worden toegekend. Artikel 33, vervangen bij de wet van 26 maart 2003, heeft betrekking op de vaststelling van het bedrag van de hulp. Artikel 33bis ten slotte, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2003, bepaalt dat de Commissie zelf het in aanmerking te nemen nadeel kan bepalen, als er geen definitieve rechterlijke beslissing is over de burgerlijke belangen. Door de partijen wordt niet betwist dat rekening moet worden gehouden met de bepalingen van de wet van 1 augustus 1985 zoals die van kracht waren op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd gewezen. 2.3.
  13. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 augustus 1985 is door de minister benadrukt dat het “nooit de bedoeling (is geweest) aan het slachtoffer de gelegenheid te geven zijn financiële toestand te herstellen doch enkel hem financiële middelen ter beschikking te stellen om aan het geleden verlies enigszins tegemoet te komen” (verslag namens de bevoegde commissie, Parl. St., Senaat, 1984-85, nr. 873-2/1/, p. 36). Het kwam er met andere woorden op aan, rekening houdend met de beschikbare budgettaire middelen, het leed van de slachtoffers enigszins te verzachten. Tijdens de bespreking van het desbetreffende ontwerp in de plenaire vergadering van de Kamer van Volksvertegenwoordigers vatte verslaggever Barzin het aldus samen: “que la formule mise en place relevant d’un souci d’équité, avait un caractère supplétif et consistait en un “geste de solidarité” qui n’impliquait pas dans le chef des demandeurs, un droit à l’obtention” (Parl. Hand., Kamer, 1984- 85, 23 juli 1985, p. 3491). IX-5362-9/13 Uit de parlementaire voorbereiding blijkt aldus dat er geen subjectief recht op de toekenning van de financiële hulp bestaat. Die zienswijze blijkt ook uit het arrest nr. 61/98 van 4 juni 1998 van het Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, dat in verband met de grondslag en de aard van de financiële tegemoetkoming de volgende overwegingen bevat: “B.4.
  14. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat de wetgever het ‘billijk’ heeft geacht ‘te voorzien in een financiële tegemoetkoming vanwege de Staat bij de schadeloosstelling van het slachtoffer, wanneer de misdaadpreventie de opzettelijke gewelddaad niet heeft kunnen voorkomen’. De grondslag voor de tegemoetkoming vanwege de Staat is geenszins ‘een vermoeden van schuld dat op de Staat rust, omdat deze laatste het misdrijf niet heeft kunnen voorkomen’ maar wel ‘een principe van collectieve solidariteit tussen de leden van een zelfde natie’. ‘Het ontwerp is dan ook in generlei opzicht een verzwakking van de aansprakelijkheid van de daders van het misdrijf en evenmin voert het een soort van aansprakelijkheid van de Staat in’ (Gedr. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/1, p. 17, en nr. 873/2/1°, p. 5) . De wetgever heeft bijgevolg gekozen voor een stelsel van subsidiaire hulp (artikel 31, § 1, 1/, van de wet van 1 augustus 1985) , waarvan het bedrag naar billijkheid wordt bepaald en de door de wetgever vastgestelde bedragen niet mag overschrijden (artikel 33 van die wet). Artikel 32 stelt bovendien op beperkende wijze de nadelen vast die voor de toekenning van de hulp in aanmerking kunnen worden genomen. Die beginselen van subsidiariteit en beoordeling naar billijkheid zijn volgens de wetgever essentieel (Gedr. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/2/1°, pp. 7 en 8). Artikel 35 van de wet bepaalt zijnerzijds dat de hulp toegekend ingevolge de beslissing van de commissie, door de Minister van Justitie wordt vereffend, rekening houdend met de beschikbare middelen van het Fonds. Uit de parlementaire voorbereiding volgt ten slotte dat het om een buitengewone schadeloosstelling gaat, «hetgeen betekent dat de toekenning ervan nooit als een recht kan worden opgevorderd» (Gedr. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/2/1°, p. 19).” 2.3.
  15. Rekening houdend, enerzijds, met de beperktheid van de financiële middelen, en anderzijds, met de bekommernis om het leed van de meest behartenswaardige slachtoffers toch enigszins te verlichten, heeft de wetgever de toekenning van de hulp beperkt tot de rechtstreekse slachtoffers bedoeld in artikel 31, 1/, en tot bepaalde categorieën van onrechtstreekse slachtoffers, bedoeld in artikel 31, 2/ tot 4/. Enkel de limitatief opgesomde rechthebbenden komen in aanmerking voor de financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. IX-5362-10/13 Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 augustus 1985 is door een lid van de bevoegde Senaatscommissie de vraag gesteld “of de personen die ten laste zijn van het slachtoffer alleen in eigen hoofde of ook in de plaats van het slachtoffer kunnen optreden”. Hierop heeft de Minister van Justitie geantwoord “dat deze personen niet kunnen optreden in de plaats van het slachtoffer” (Parl. St., Senaat, 1984-85, nr. 873-2/1/, p. 31). Ook al zijn de noties van het ten laste zijn en van het hebben van de hoedanigheid van erfopvolger niet gelijk, toch blijkt uit het antwoord van de minister dat het niet de bedoeling was dat derden, waaronder erfgenamen, in de plaats van het slachtoffer zouden kunnen optreden. Toen de minister in de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegen- woordigers uitdrukkelijk gevraagd werd naar de mogelijkheid voor de erfgenamen van een overleden slachtoffer om de vordering als erfgenamen te kunnen voortzetten, heeft hij op die vraag geen precies antwoord gegeven en heeft hij zich ertoe beperkt te erkennen dat de voorgelegde tekst niet volmaakt was en dat moeilijkheden naar aanleiding van de toepassing van de wet opgelost moesten worden (verklaring van de heer Baert en antwoord van de Minister van Justitie, Parl. Hand., Kamer, 1984-85, 23 juli 1985, p. 3483). In geen geval kan uit dit onderdeel van de parlementaire voorbereiding worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling zou hebben gehad om een vordering ex haerede te erkennen. Wel kunnen nabestaanden van een overleden slachtoffer op grond van artikel 31, 2/, onder bepaalde voorwaarden in eigen naam aanspraak maken op een financiële hulp voor de door henzelf geleden schade. In de voorliggende zaak heeft de Commissie de verzoeker uit dien hoofde trouwens een hulp van 25.000 euro toegekend. De Commissie oordeelt te dezen dan ook wettig dat “de wet van 1 augustus 1985 afwijkt van het gemeen recht” en dat “de limitatieve opsomming van de categorieën van rechthebbenden (...) met zich meebrengt dat verzoeker niet tegelijkertijd ook een financiële tegemoetkoming kan bekomen als erfopvolger van zijn zus voor het leed dat zijzelf (ontegensprekelijk) heeft geleden”. 2.3.
  16. Het recht op de financiële hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden ontstaat voorts niet op het ogenblik van het schadelijk feit -de opzettelijke gewelddaad- of van het indienen van het verzoek om hulp, doch wel op het ogenblik dat de Commissie beslist om de hulp toe te kennen. Voordien is er geen recht op deze hulp en kan de aanspraak op een hulp dus niet tot de nalatenschap van een overleden slachtoffer behoren. IX-5362-11/13 Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door artikel 31bis van de wet van 1 augustus 1985, waarin wordt bepaald dat de financiële hulp “wordt toegekend” onder bepaalde voorwaarden. Uit niets blijkt immers dat de wetgever door de invoeging in 2003 van dat artikel in de wet zou beoogd hebben de principes te verlaten die sinds 1985 aan de grondslag liggen van de regeling. In de inleidende zin van artikel 31 is overigens nog steeds sprake van de -loutere- mogelijkheid om een financiële hulp toe te kennen: “De Commissie kan een financiële hulp toekennen ...”. Terloops moet worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot wat de verzoeker meent, het recht op de hulp niet ontstaat bij de uitbetaling ervan, doch wel bij de toekenning ervan door de Commissie. Wanneer het rechtstreeks slachtoffer na de toekenning van de financiële hulp overlijdt, behoort de schuldvordering met betrekking tot die hulp tot zijn of haar nalatenschap en kan ze eventueel door zijn erfgenamen worden uitgeoefend indien de hulp nog niet is uitbetaald. De verzoeker gaat er derhalve ten onrechte van uit dat “zelfs een toegekende hulp aan een rechtstreeks slachtoffer, die evenwel nog niet is uitbetaald, alsnog niet zou kunnen worden betaald als het slachtoffer na de beslissing van de Commissie doch vóór de betaling overlijdt”. 2.3.
  17. In zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie voert de verzoeker aan dat artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985, in de hiervóór gegeven interpretatie, een discriminatie in het leven roept tussen, enerzijds, erfgenamen van een rechtstreeks slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad, dat overleden is nadat de Commissie het slachtoffer een hulp heeft toegekend, en anderzijds, erfgenamen van een rechtstreeks slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad, dat overleden is voordat de Commissie een hulp heeft toegekend. Voor de eerste categorie van personen is de aan het slachtoffer toegekende hulp overdraagbaar, terwijl dit voor de tweede categorie van personen niet het geval is. Volgens de verzoeker maakt dit verschil in behandeling een discriminatie uit. Hij verzoekt de Raad van State om op dit punt een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Zo er al een verschil in behandeling is tussen de door de verzoeker genoemde categorieën van personen, vloeit dit verschil niet voort uit de in het middel ingeroepen bepalingen. Het enige wat uit artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985 kan worden afgeleid, is immers dat de wet niet voorziet in een recht voor nabestaanden van een overleden slachtoffer om de rechten van het slachtoffer IX-5362-12/13 ex haerede uit te oefenen. Dat nabestaanden van een overleden slachtoffer, wiens recht op hulp vóór zijn of haar overlijden is erkend door de Commissie, dat recht terugvinden als een bestanddeel van de nalatenschap van het slachtoffer, heeft niets te maken met de regeling vervat in de wet van 1 augustus
  18. Die situatie is het uitsluitende gevolg van de toepassing van de regels inzake het erfrecht. Nu het aangevoerde verschil in behandeling geen betrekking heeft op de in het middel ingeroepen grief, rijst terzake geen vraag die prejudicieel aan het Grondwettelijk Hof dient te worden voorgelegd. 2.3.
  19. In zoverre de verzoeker de schending inroept van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985, faalt het middel naar recht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 15 december 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5362-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.772 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.