id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.775 Rolnummer: A. 80086/X-8368 Zaak: Arrest 188775 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-23 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-29 10:11 Fiche Arrest nr 188.775 van 15 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.775 van 15 december 2008 in de zaak A. 80.086/X-8368. In zake : Marc VAN IMPE, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : 1. de stad ZOTTEGEM, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : Christiane BEERENS, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VAN IMPE op 24 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 augustus 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem waarbij aan Christiane BEERENS de bouwvergunning wordt verleend voor het oprichten van een eengezinswoning op een perceel gelegen te Zottegem, Tulpenstraat (God), kadastraal bekend sectie A, nr. 118/b (deel); Gelet op het arrest nr. 75.734 van 11 september 1998 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 23 februari 1999 ingediend door Christiane BEERENS; X-8368-1/10 Gelet op de beschikking van 10 maart 1999 die de tussenkomst van Christiane BEERENS toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij, de toelichtende memorie ten aanzien van de eerste verwerende partij, en de memorie van wederantwoord ten aanzien van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 13 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 6 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERHELST, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. DE MULDER, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-8368-2/10 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten De feiten werden uiteengezet in ’s Raads arrest nr. 75.734 van 11 september 1998. 2. Ten gronde 2.1.1. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 48, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), en van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, “Doordat, het bestreden besluit een bouwvergunning verleent voor het oprichten van een eengezinswoning, zonder dat de grond waarop de voorgenomen werken zullen uitgevoerd worden, gelegen is aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende uitgerust is, en zonder dat uit het bestreden besluit of uit het dossier blijkt dat de overheid in redelijkheid en op zorgvuldige wijze een feitelijk onderzoek heeft gewijd aan de precieze ligging van het perceel ten aanzien van de Tulpenstraat en op welke wijze beide zogenaamd zouden verbonden zijn door een buurtweg en een vermeende servitudeweg, Terwijl, de vergunningverlenende overheid vergunning kan weigeren voor het bouwen op een stuk grond die gelegen is aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende uitgerust is; dat zulks impliceert dat, het verlenen van een bouwvergunning geen automatisme is, wanneer uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat ernstige twijfels rijzen omtrent de ligging aan een voldoende uitgeruste weg, hetgeen alleen al blijkt uit het liggingsplan vermeld op de met het bestreden besluit goedgekeurde bouwplannen, waaruit blijkt dat het perceel nr. 118b ingesloten is en alleen toegang kan nemen ten aanzien van de Tulpenstraat middels een buurtweg nr. 30 met een breedte van 1m en zonder dat de aanduiding op dat liggingsplan, met name als zou de toegang tot het perceel 4m breed zijn, van aard is om deze ernstige twijfels weg te nemen; dat het de vergunningverlenende overheid op grond van artikel 48, 3/ lid van het hoger aangehaald decreet alsmede op grond van de beginselen van de zorgvuldigheid en de redelijkheid toekomt een eigen en op de concrete gegevens van het dossier toegespitst onderzoek uit te voeren naar de werkelijke mogelijkheid toegang te kunnen nemen tot de openbare weg; dat de resultaten van dit eigen onderzoek door de vergunningverlenende overheid minstens dienen voor te liggen in het administratief dossier, hetgeen in casu niet het geval is; en terwijl het tot de interne richtlijnen behoort van de overheid dat er geen vergunningen worden verleend voor percelen die niet minstens een toegang van minstens 5 meter breed hebben, daar waar de maximale toegangsbreedte vanuit de Tulpenlaan naar het perceel slechts 1 meter bedraagt, dat er daarenboven geen bestrating bestaat ter hoogte van de voetweg nr. 30, zelfs geen verharding X-8368-3/10 met aangestampte aarde; dat er evenmin nutsvoorzieningen liggen: geen water-, gas-, electriciteit-, TV/distributie, noch verlichting; dat evenmin de beweerde servitudeweg van drie meter breed, naast de voetweg nr. 30 dienstig kan zijn om de toegang tot de Tulpenlaan te verzekeren; dat tenslotte het bestreden besluit geen enkele concrete aanduiding geeft van de werkelijke aard en het gebruik van de voetweg en van de zogenaamde servitudeweg, die overigens zelf evenmin bestraat of zelfs maar verhard is; dat daarmee is aangetoond dat de vergunningverlenende overheid zich niet in redelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gekweten van haar verplichting om na te gaan of de voorliggende weg wel voldoende uitgerust is; dat in casu het bestreden besluit evenwel overweegt dat er een servitudeweg zou zijn met aanduiding van de breedte, zonder daarmee uitdrukkelijk aan te geven dat de voorliggende weg uitgerust is; dat dit ofwel de impliciete conclusie is van het bestreden besluit, in welk geval aan de notie ‘uitgeruste weg’, ‘gelet op de plaatselijke toestand’, een draagwijdte wordt gegeven die deze wettelijk niet heeft, ofwel het bestreden besluit impliciet te kennen geeft dat er in casu weliswaar geen uitgeruste weg is, dat de plaatselijke toestand het afgeven van een vergunning toelaat; dat in dit laatste geval de beslissing dient genomen te worden op grond van een eigen beoordeling van de eisen, gesteld door de plaatselijke aanleg (...), beoordeling die in casu niet gebeurde of kan afgeleid worden uit het bestreden besluit (...)”. 2.1.2. Het bij artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening opgeheven artikel 48, derde lid van het gecoördineerde decreet bepaalde wat volgt : “De vergunning kan ook worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust”. 2.1.3. Het bestreden besluit overweegt met betrekking tot de toegang van het bouwperceel tot de openbare weg wat volgt : “Overwegende dat het bestaan van een erfdienstbaarheid inzake toegang tot de Tulpenstraat (3 meter losweg) een zaak (van) burgerlijk belang (
- is)en bij betwisting behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechtbank. Overwegende dat de voetweg nr 30 (1m breed) is ingeschreven in de atlas der buurtwegen en een meerdere breedte heeft van 4 meter (1+3m losweg). Gelet op bijgevoegd inplantingsplan met bijkomende aanduidingen ter verduidelijking van de aangebrachte motivering. Overwegende dat ongeacht de burgerlijke betwisting inzake het al dan niet verzwaren van de private erfdienstbaarheid inzake toegang tot de Tulpenstraat voor het bereiken van het perceel in kwestie als landbouwuitbating of woning, een breedte van 4 meter als voldoende kan worden beschouwd”. X-8368-4/10 Op het bijgevoegde inplantingsplan is de toegang van het bouwperceel tot de Tulpenstraat grafisch voorgesteld met vermelding van de geciteerde afmetingen. 2.1.4. De voormelde bepaling van artikel 48, derde lid van het gecoördineerde decreet legt aan de vergunningverlenende overheid niet de verplichting op, maar geeft enkel de mogelijkheid, een bouwvergunning te weigeren indien het bouwperceel gelegen is aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust. Het bouwperceel heeft volgens de aanduidingen op het inplantingsplan een 4m brede toegang tot de Tulpenstraat. Het wordt niet betwist dat de Tulpenstraat een voldoende uitgeruste weg is. Het komt niet aan de vergunningverlenende overheid als orgaan van het actief bestuur toe een eigen onderzoek in te stellen naar het bestaan en de omvang van een door de aanvrager beweerde erfdienstbaarheid van losweg indien daarover betwisting bestaat. Betwistingen omtrent het al dan niet bestaan en de omvang van een erfdienstbaarheid behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken. Bouwvergunningen worden afgegeven onder voorbehoud van de betrokken burgerlijke rechten. Het middel is in zoverre niet gegrond. De verzoeker legt voorts geen enkel stuk voor waaruit het bestaan blijkt van “interne richtlijnen” volgens welke geen vergunningen kunnen worden verleend voor percelen die geen toegang van minstens 5 meter breed hebben. Het middel is in zoverre evenmin gegrond. 2.2.1. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 2 van het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning, de schending van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, en de schending van de zorgvuldigheidsplicht en het motiveringsbeginsel (materieel en formeel), als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “Doordat, het bestreden besluit genomen werd op grond van een onvolledig aanvraagdossier en het besluit wordt gebaseerd op feitelijke veronderstellingen die nergens uit het dossier blijken, Terwijl, op grond van hoger vermeld artikel, om volledig te worden beschouwd, het aanvraagdossier onder meer een tekening dient te bevatten van de plaatsing van het bouwwerk, waarin onder meer wordt aangegeven : de bestaande, door ’s mensen toedoen op het perceel gevestigde erfdienstbaarheden; dat uit de debatten in de zaak A. 76.550/X-7872 is gebleken dat de titularis van de bouwvergunning zich beroept op een conventioneel gevestigde erfdienstbaarheid van losweg, waardoor hij zou kunnen toegang nemen tot de openbare weg; dat bij gebreke van aanduiding X-8368-5/10 daarvan in het aanvraagdossier de adviesverlenende en de vergunningverlenende overheden uiteraard niet bij machte waren om dit ontbrekend gegeven te implementeren in hun respectieve beoordelingsbevoegdheid; dat dit gegeven nochtans cruciaal is om na te gaan of voldaan is aan de eis van artikel 48, 3/ lid van het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening; dat bijgevolg moet worden aangenomen dat deze onvolledigheid de overheid heeft kunnen misleiden en de nadien verleende bouwvergunning om die reden vicieert; dat men uit de bestreden beslissing eventueel zou kunnen afleiden dat het Coll(e)ge van burgemeester en schepenen inmiddels kennis heeft gekregen van het zogezegde bestaan van een erfdienstbaarheid, erfdienstbaarheid waarvan het bestaan door verzoekende partij formeel wordt betwist; dat men zich niettemin de vraag dient te stellen op welke wijze het college van burgemeester en schepenen aan deze informatie is gekomen en of deze informatie wel correct is, vermits er nergens in de aanvraag aangifte werd gedaan van het bestaan van dergelijk erfdienstbaarheid; dat het college van burgemeester en schepenen er bij haar aanvraag van uitgaat dat er een erfdienstbaarheid bestaat, ofschoon uit geen enkel stuk het bestaan daarvan valt af te leiden; dat de bestreden beslissing weliswaar stelt dat het bestaan van een erfdienstbaarheid inzake toegang tot de Tulpenstraat (3 meter losweg) een zaak van burgerlijk belang is en bij betwisting behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechtbank, doch dat dit de overheid niet ontslaat om omstandig na te gaan wat dan wel de actuele toestand is m.b.t. de beweerde erfdienstbaarheid en om dit vast te stellen op grond van de concrete gegevens van het dossier; dat het immers niet volstaat om enerzijds te stellen dat er betwisting bestaat over het feit of er al dan niet een erfdienstbaarheid bestaat, om vervolgens een beslissing te nemen uitgaande van de premisse dat er een losweg zou bestaan die het voorwerp uitmaakt van een erfdienstbaarheid, terwijl in het aanvraagdossier niet eens sprake is van dergelijke erfdienstbaarheid; dat dit des te meer klemt aangezien de zogenaamde servitudeweg op het terrein (de visu) niet eens te bekennen valt (geen bestrating, geen verharding, geen nutsvoorzieningen : niets), zodat alleen al de zorgvuldigheid gebiedt dat in het bestreden besluit daarover preciese informatie zou worden verstrekt, teneinde de Raad toe te laten zijn controle uit te oefenen over de beoordeling van de overheid dat het perceel aan een voldoende uitgeruste weg zou zijn gelegen”. 2.2.2. Het bij artikel 24 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om een bouwvergunning opgeheven artikel 2, 3/,
- b)van het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning, bepaalde onder meer: “Art. 2. Om als volledig te worden beschouwd, moet het dossier van een aanvraag om bouwvergunning bevatten, ongerekend de door de gemeentelijke verordening voorgeschreven bescheiden en gegevens : (...) 3/ de tekeningen van het uit te voeren bouwwerk, ondertekend door de aanvrager en de architect, omvattende : (...)
- b)een tekening van de plaatsing van het bouwwerk op het terrein aangevende : (...) X-8368-6/10 - de bestaande, door ’s mensen toedoen op het perceel gevestigde erfdienstbaarheden; (...)”. 2.2.3. De bestreden bouwvergunning vermeldt de erfdienstbaarheid van losweg van 3 meter breed, met zoveel woorden. De verzoeker legt geen elementen voor die toelaten aan te nemen dat het niet uitdrukkelijk vermelden op het inplantingsplan dat de toegangsweg van 3 meter breed tot de Tulpenstraat een erfdienstbaarheid van losweg betreft, de overheid heeft kunnen misleiden wat betreft de aard en de omvang van deze toegangsweg. Het middel is in zoverre niet gegrond. Het middel betreft voor het overige het bestaan en de omvang van deze erfdienstbaarheid. Zoals reeds uiteengezet in het onderzoek van het eerste middel, komt het aan de vergunningverlenende overheid als orgaan van het actief bestuur niet toe een eigen onderzoek in te stellen naar het bestaan en de omvang van een door de aanvrager beweerde erfdienstbaarheid indien daarover betwisting bestaat. Betwistingen omtrent het bestaan en de omvang van een erfdienstbaarheid behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken en bouwvergunningen worden afgegeven onder voorbehoud van de betrokken burgerlijke rechten. Het middel is in zoverre evenmin gegrond. 2.3.1. De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van artikel 48, derde lid van het gecoördineerde decreet, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bestaande uit het materiële motiveringsbeginsel, “Doordat, het bestreden besluit vergunning verleent, voor het bouwen op een stuk grond, niet gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, zonder de eigen redenen aan te geven waarom de vergunning dan wel verleend kon worden, Terwijl, in artikel 48, 3/ lid DROG valt te lezen dat de vergunning ‘kan’ geweigerd worden voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust; dat hieruit volgt dat de overheid die uitspraak doet over de aanvraag er toe gehouden is na te gaan of de voorliggende weg wel voldoende is uitgerust; dat het desbetreffende perceel waarvoor vergunning werd verleend slechts aanpaalt aan de voetweg nr. 30, dewelke slechts een breedte heeft van 1 meter; dat deze voetweg niet verhard, noch aangestampt is, doch gewoon een pad betreft dat tussen de percelen loopt en slechts te onderscheiden is van de aangrenzende percelen doordat het gras op het pad enigszins is ‘platgetreden’; dat algemeen als minimumvoorwaarde voor de uitrusting van een weg wordt gesteld dat er een duurzame verharding aanwezig zou zijn en dat een landbouwweg of een aardeweg gewoonlijk niet kunnen beschouwd worden als een voldoende uitgeruste weg (PEREMANS, R., ‘De onvoldoende uitrusting van de weg waaraan een perceel is gelegen als weigeringsgrond van bouw- en X-8368-7/10 verkavelingsaanvragen’, T.B.P., 1974, 144); dat de overheid in principe streng de hand houdt aan deze principes en zodoende een ongunstig advies voor een bouwaanvraag geeft langs wegen die onvoldoende zijn uitgerust; dat de voetweg nr. 30, zoals reeds eerder aangegeven, nauwelijks als een pad kan aanzien worden en dat er evidenterwijze geen riolering, telefoon, electriciteit of enige andere voorzieningen aanwezig zijn; dat er in principe dus geen vergunning kon verleend worden; dat een deel van de voetweg nr. 30 aangrenst aan de losweg (de zogezegde servitudeweg, die niet meer is dan een klein strookje gazon)- zodat de voetweg nr. 30 samen met de losweg plaatselijk ‘een breedte heeft van 4 meter’, doch dat een servitudeweg, die geen openbare weg, is niet in aanmerking komt voor bebouwing (PEREMANS, R., 1.c., 145); dat de feitelijke toestand derhalve zo is dat er geen sprake is van een behoorlijk uitgeruste weg; dat de bouwvergunning bovendien een achterliggend perceel betreft dat geen directe toegang heeft tot de Tulpenlaan; dat de bestreden beslissing echter met geen woord rept over de motieven die aan de basis zouden gelegen hebben om toch een vergunning te verlenen overeenkomstig artikel 48, 3/ lid DROG, ofschoon het perceel niet ligt aan een behoorlijk uitgeruste weg; overwegende dat de plaatselijke toestand zich verzet tegen het verlenen van een vergunning; dat de mogelijkheid om een vergunning te verlenen overeenkomstig artikel 48, 3/ lid DROG als een uitzondering moet beschouwd worden op de algemene regel dat in principe geen vergunning wordt verleend voor percelen gelegen aan een niet uitgeruste weg, en dat, indien er toch een afwijking wordt verleend in strijd met de plaatselijke toestand en ongeacht de niet uitgeruste weg, die beslissing dan omstandig de motieven moet weergeven die een afwijking legitimeren, en die de eigen beoordeling weergeven van de overheid over de plaatselijke toestand, (...)”. 2.3.2. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. 2.3.3. Zoals hiervoor bij het onderzoek van het eerste middel reeds uiteengezet, legt voormelde bepaling van artikel 48, derde lid van het gecoördineerde decreet aan de vergunningverlenende overheid niet de verplichting op, maar geeft enkel de mogelijkheid, een bouwvergunning te weigeren indien het bouwperceel gelegen is aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, en vereist evenmin dat het bouwperceel zelf onmiddellijk moet palen aan een voldoende uitgeruste weg. 2.3.4. Het bestreden besluit voldoet aan de motiveringsverplichting door concreet aan te geven waarom de toegang van het bouwperceel tot de openbare weg als voldoende kan worden beschouwd. Het middel is niet gegrond. X-8368-8/10 2.4.1. De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van artikel 63, § 1, 5/ van het gecoördineerde decreet, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “waaronder de rechtszekerheid en het rechtmatig vertrouwen dat de overheid zich steunt op de continuïteit van haar beleid, en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet”, “Doordat, het bestreden besluit bouwvergunning verleent op grond van het met dat besluit goedgekeurd bouwplan, waarvan de op dat plan aangeduide technische gegevens strijdig zijn met de voorwaarden die de gemachtigde ambtenaar had geformuleerd in het stedenbouwkundig attest nr. 2, verleend op 18 november 1996 en zonder dat uit het bestreden besluit of uit het administratief dossier blijkt waarom er stedenbouwkundige redenen waren om bij het beoordelen van de bouwaanvraag van deze voorwaarden af te wijken, Terwijl, de rechtskracht van een stedenbouwkundig attest nr. 2, verleend met toepassing van artikel 63, § 1, 5/ lid van hogervermeld decreet, meebrengt dat de zonder voorbehoud geformuleerde voorwaarden hun geldingskracht behouden gedurende een periode van één jaar te rekenen vanaf de uitreiking van het attest dat die voorwaarden vermeldt; dat de gemachtigde ambtenaar in het stedenbouwkundig attest nr. 2, verleend op 18 november 1996 had opgelegd de hoogte van het gebouw te beperken tot maximaal 4m met een maximale nokhoogte van 9m; dat de standvensters in het dak niet zijn toegelaten boven een maximale kroonlijsthoogte van 4m en dat de bedaking een helling dient te bevatten tussen de 35 en de 40/ en de vorm dient aan te nemen van een zadel-, tent-, of schilddak; dat het met het bestreden besluit goedgekeurd bouwplan niet beantwoordt aan deze technische voorschriften en uit geen enkel gegeven van het bestreden besluit of van het administratief dossier blijkt waarom daarvan kon afgeweken worden bij het beoordelen van de bouwaanvraag; dat met toepassing van artikel 159 van de Grondwet geen toepassing kan gemaakt worden van het Koninklijk Besluit van 22 oktober 1971 ter uitvoering van artikel 63 van hogervermeld decreet, met name in zoverre voormeld besluit het gebruik van formulieren zou toelaten, waarin bij wijze van inhoudsloze standaardformulering staat gedrukt dat ‘de bovenstaande adviezen worden gegeven louter ter inlichting’ en dat ‘ze gelden zolang de voorschriften inzake ruimtelijke ordening niet worden gewijzigd’ en tenslotte dat ‘met dit attest in genendele wordt vooruitgelopen op de beslissingen van de administratie ten aanzien van de vergunningsaanvrager’; dat dergelijke standaardformulering immers niet kan beschouwd worden als een inhoudelijke beperking die kan geformuleerd worden in een stedenbouwkundig attest nr. 2 met betrekking tot de aldaar opgelegde voorwaarden; (...)”. 2.4.2. Artikel 63, § 1, 5/ van het gecoördineerde decreet bepaalt : “§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt : (...) 5/ de vorm en de inhoud van de stedenbouwkundige attesten alsmede de instanties die deze afgeven; de in een stedenbouwkundig attest zonder beperking aangegeven bestemming en de opgelegde voorwaarden voor een perceel of een perceelsgedeelte blijven van kracht gedurende één jaar te rekenen vanaf de uitreiking van het attest; (...)”. X-8368-9/10 2.4.3. Het betrokken stedenbouwkundig attest nr. 2 werd afgegeven door het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem op 18 november 1996. De bestreden bouwvergunning werd afgegeven op 10 augustus 1998, dit is méér dan één jaar nadat het stedenbouwkundig attest werd afgegeven. Het stedenbouwkundig attest was op dat ogenblik vervallen. Het betoog van de verzoeker in de laatste memorie dat in het vervallen attest “een bepaalde beleidslijn werd uitgestippeld” en dat “de gemachtigde ambtenaar (in zijn advies) uitdrukkelijk de naleving van de voorschriften uit het stedenbouwkundig attest nr. 2 (had) vooropgesteld” doet niets af aan deze feitelijke vaststelling. Het middel is om deze reden alleen reeds niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-8368-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.775 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.75.734 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div