← België

Arrest 188776 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.776 Rolnummer: A. 124102/X-11047 Zaak: Arrest 188776 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 10:11 Fiche Arrest nr 188.776 van 15 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.776 van 15 december 2008 in de zaak A. 124.102/X-11.047. In zake : 1. Jacqueline de STRYCKER VRANCKEN, 2. Catherine de STRYCKER VRANCKEN, 3. Jacques de STRYCKER VRANCKEN, 4. Louis de STRYCKER VRANCKEN, 5. Paule JADOT, die woonplaats kiezen bij advocaten H. SEBREGHTS en Y. LOIX, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jacqueline de STRYCKER VRANCKEN, Catherine de STRYCKER VRANCKEN, Jacques de STRYCKER VRANCKEN, Louis de STRYCKER VRANCKEN en Paule JADOT op 18 juli 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 augustus 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van Paul DE VOEGT ingesteld tegen het besluit van 14 februari 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een runderenstal en loods voor landbouwalaam, opslag van stro en hooi en een sleufsilo en voor de afbraak van een varkensstal op een terrein gelegen te Zandhoven, Bruggestraat 43, kadastraal bekend sectie C, nrs. 373/a en 375/g, wordt ingewilligd, en vergunning wordt verleend overeenkomstig de bijgevoegde plannen op voorwaarde dat alle gevels worden uitgevoerd in rood metselwerk; Gelet op het arrest nr. 121.724 van 16 juli 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-11.047-1/10 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 5 augustus 2003 ingediend door Jacqueline de STRYCKER VRANCKEN, Catherine de STRYCKER VRANCKEN, Jacques de STRYCKER VRANCKEN, Louis de STRYCKER VRANCKEN en Paule JADOT; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat D. VAN HEMELRIJCK, die loco advocaten J. TIMMERMANS en T. LAMMAR verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten De feiten werden uiteengezet in ’s Raads arrest nr. 121.724 van 16 juli 2003. X-11.047-2/10 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. De verzoekende partijen laten gelden dat de vierde verzoekende partij “op 27 mei 2002 heeft vastgesteld dat er werken waren gestart op de betrokken gronden” waarna hij “onmiddellijk contact (heeft) gezocht met de gemeente” en dat zij op hun schriftelijk verzoek “bij schrijven dd. 28 juni 2002 de bestreden beslissing (hebben) ontvangen”. 2.1.2. De verwerende partij repliceert dat dit betoog van de verzoekende partijen “volkomen ongeloofwaardig naar voor komt” gelet op het feit dat zij “dit dossier op de voet volgden en gelet op de kwalificatie van de betrokken verzoekers”, het bestreden besluit werd “overgemaakt bij aangetekend schrijven aan de verzoeker (...) dd. 4.10.2001”, “de verzoekende partijen (...) nagelaten hebben om naar behoren het nodige te doen om zekerheid te krijgen over hun vermoeden of, desgevallend, uitsluitsel op hun vragen temeer zij zeker op de hoogte waren van het ingestelde beroep (...) en het onwaarschijnlijk is dat in een tijdspanne van 7 maanden na de effectieve kennisgeving van de verlening van de vergunning (...) er door verzoekende partijen geenszins navraag zou zijn gedaan op de gemeente van Zandhoven of er reeds een beslissing was genomen door de beroepsinstantie”, en “men zelfs één maand heeft gewacht na aanvatten der werkzaamheden (...) om (...) kopie te vragen”. 2.1.3. De bestreden stedenbouwkundige vergunning moest noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partijen er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld X-11.047-3/10 artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem toentertijd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, geboden werd om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn is verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die opwerpt dat de verzoeker kennis had of had kunnen hebben van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren. 2.1.4. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet dat het bestreden besluit werd “overgemaakt bij aangetekend schrijven aan de verzoeker (...) dd. 4.10.2001”. De verwerende partij toont niet aan dat de verzoekende partijen meer dan zestig dagen voor het indienen van het annulatieberoep kennis hadden of geacht moesten worden kennis te hebben van het bestreden besluit. De exceptie wordt verworpen. Het beroep is tijdig. 2.2.1. De verzoekende partijen laten gelden dat de vergunde constructies “palen(...) aan” en “gelegen (zijn) in het onmiddellijke gezicht” van het “Boutersemhof (...) met omliggende gronden” waarvan de eerste, tweede, derde en vierde verzoekende partijen de onverdeelde naakte eigenaars zijn en de vijfde verzoekende partij het vruchtgebruik heeft. 2.2.2. De verwerende partij betwist het belang van de eerste, tweede, derde en vierde verzoekende partijen die “geenszins woonachtig zijn op het Boutersemhof”, omdat “zij geenszins deze zichtschade persoonlijk ondervinden”. 2.2.3. Uit het bij de aanvraag gevoegde liggingsplan blijkt dat de eigendom van de verzoekende partijen paalt aan de percelen waarvoor de bestreden vergunning is verleend. Alleen hierdoor reeds doen zij blijken van het wettelijk vereiste belang. De exceptie wordt verworpen. X-11.047-4/10 3. Ten gronde 3.1.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) “en de formele motiveringsplicht”. De verzoekende partijen betogen dat “in het bestreden besluit geen juridische motivering wordt opgenomen aangaande de bestemming van de litigieuze percelen” (eerste onderdeel), “in de bestreden beslissing (ten onrechte) wordt gesteld dat de betrokken inrichtingen een uitbreiding van een bestaand niet-industrieel bedrijf betreffen waarvoor de afstand van 300 m zoals bepaald in artikel 11.4.1. (...) niet van toepassing zou zijn” (tweede onderdeel), “het bestreden besluit noch in feite, noch in rechte, motiveert waarom artikel 11.4.1 (...) niet van toepassing zou zijn” (derde onderdeel). Zij lichten onder meer toe dat “de vergunde inrichting, in tegenstelling tot wat verwerende partij in de bestreden beslissing voorhoudt, een nieuw niet grondgebonden agrarisch bedrijf met industrieel karakter (betreft)” zodat “(d)e afstand van de geplande gebouwen tot de woonzone (...) 300 m (diende) te bedragen” terwijl “(i)n casu (...) de afstand van de vergunde inrichtingen tot het woongebied slechts 200 m (is)”, van een bestaand niet-industrieel bedrijf “door (...) uitbreiding (...) wordt overgegaan naar een nieuw intensief veelteeltbedrijf” terwijl in het bestreden besluit “(z)onder enige motivering wordt gesteld dat het om een uitbreiding van een bestaand niet-industrieel bedrijf gaat”, “(a)angezien de aanvraag in eerste aanleg precies werd geweigerd (...) op grond van de vaststelling dat het een nieuwe inrichting betreft voor intensieve veeteelt, diende verwerende partij, nu zij tot een ‘afwijkende’ visie komt, het tegendeel uitdrukkelijk te motiveren”, “(d)e bestreden beslissing (...) niet (zegt) wat een bestaand bedrijf is, noch waarom er in casu sprake zou zijn van een bestaand bedrijf” en “evenmin wat een industrieel bedrijf is, noch waarom er in casu geen sprake zou zijn van een industrieel bedrijf”. 3.1.2. De verwerende partij repliceert dat in het bestreden besluit “duidelijk wordt weergegeven dat het gewestplan Turnhout (...) van toepassing is en dat overeenkomstig dit gewestplan het terrein (...) in landschappelijk waardevol gebied gelegen is” en “duidelijk verwezen wordt naar de omzendbrief van 8.7.1997” zodat het “afdoende gemotiveerd is”, het “(i)n casu (...) duidelijk (gaat) om de uitbreiding van een bestaand bedrijf minstens (...) om de vestiging van een aan de X-11.047-5/10 grond gebonden bedrijf voor intensieve veeteelt” en “(i)n beide gevallen (...) artikel 11.4.1. niet van toepassing (is)”, en “uit de samenlezing van de gegevens vervat in het bestreden besluit duidelijk kan weerhouden worden dat er in casu een bestaand veeteeltbedrijf (varkens en runderen) voorhanden was m.n. een bedrijf dat reeds bestond op datum van de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning (en geruime tijd voordien)”. 3.1.3. Overeenkomstig artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit mogen gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts worden opgericht op ten minste 300m van een woongebied of op ten minste 100m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100m is niet voorgeschreven in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. 3.1.4. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, en dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (

  1. is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat betreft de motiveringsverplichting, de motiveringswet een wet van suppletoire aard is. Artikel 53, § 3, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. X-11.047-6/10 3.1.5. Gelet op de ligging van het vergunde wordt krachtens voormelde bepalingen vereist dat de vergunningverlenende overheid in de beslissing zelf en op een afdoende wijze de motieven kenbaar maakt op grond waarvan de afstandsregel bedoeld in artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit wel of niet toepasselijk is op deze aanvraag. 3.1.6. Het bestreden besluit overweegt in dit verband wat volgt: “Overwegende dat de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter op een afstand van 300m van een woongebied dienen te worden opgericht; dat deze afstandsregel echter niet geldt voor de uitbreiding van bestaande bedrijven of voor aan de grond gebonden bedrijven; dat het in casu gaat om de uitbreiding van een bestaand niet-industrieel bedrijf met het oog op de modernisering ervan; dat derhalve de afstand van 300 m tot een woongebied niet vereist is; dat de aanvraag in overeenstemming is met de voorschriften van het gewestplan”. 3.1.7. Deze redengeving bevat geen enkel gegeven met betrekking tot een onderzoek naar de vraag of de vergunde aanvraag een nieuwe bedrijvigheid dan wel de uitbreiding van het bestaande bedrijf betreft. Deze redengeving dringt zich des te meer op nu uit de gegevens van de zaak blijkt dat in het beroepen besluit van 14 februari 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven de aanvraag werd geweigerd omdat de aanvraag niet de uitbreiding van het bestaande melkveebedrijf maar een nieuwe inplanting van een intensief veeteeltbedrijf betreft waardoor de aangehaalde afstandsregel in artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit wel geldt. Het eerste middel is in die mate gegrond. 3.2.1. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 43, § 2 van het gecoördineerde decreet, van de artikelen 15.4.6.1 en 19, laatste lid van het inrichtingsbesluit en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. De verzoekende partijen betogen dat “de vergunde inrichtingen gelegen zijn in landschappelijk waardevol gebied” en “de schoonheidswaarde van het betrokken landschap in gevaar brengen en onverenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening” (eerste onderdeel) en “in de bestreden beslissing slechts wordt verwezen naar adviezen van afdeling Monumenten en Landschappen en van afdeling Land” terwijl “in de bestreden beslissing diende gemotiveerd te worden dat de vergunde inrichtingen de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen en dat de inrichtingen verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke plaatselijke ordening” (tweede onderdeel). X-11.047-7/10 3.2.2. De verwerende partij repliceert dat zowel de afdeling Monumenten en Landschapen als de afdeling Land “positief advies” hebben uitgebracht, “het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar ook nergens spreekt over het feit dat de inplanting niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening of de schoonheidswaarde van het landschap in gevaar brengt”, “het bestreden besluit zeer duidelijk weergeeft op welke ‘feitelijke elementen’ en ‘adviezen’ verwerende partij zich baseert teneinde tot haar besluit te komen en dit volkomen correct gebeurd is en in redelijkheid heeft geoordeeld”, en “aangaande de schoonheidswaarde duidelijk verwezen wordt in het bestreden besluit naar het gunstig advies van de afdeling monumenten en landschappen (...) en verwerende partij dit zich eigen maakt door expliciet te weerhouden dat er aan de bestaande lineaire landschapselementen niet geraakt wordt”. 3.2.3. De verzoekende partijen dupliceren dat de verwerende partij voormelde adviezen niet “tot de hare heeft gemaakt” in het bestreden besluit en dat “de invalshoek” van de respectieve afdelingen “niet samenvalt met die van de vergunningverlenende overheid”. 3.2.4. Om de reden vermeld in randnummer 3.1.4 wordt de ingeroepen schending van de motiveringsplicht geacht te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. 3.2.5. Artikel 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt : “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Uit de samenlezing van artikel 11, 4.1 en artikel 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit volgt dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst : 1) een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en 2) een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap. X-11.047-8/10 3.2.6. Krachtens voormelde bepalingen moet het bestreden besluit de redenen vermelden waarom de aanvraag bestaanbaar wordt geacht zowel met de bestemming agrarisch gebied als met de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol gebied. De Raad van State is niet bevoegd om zijn oordeel bij de uitoefening van zijn wettigheidscontrole in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij kan enkel rekening houden met de feiten en de beoordeling ervan die in het bestreden besluit zelf zijn vermeld. 3.2.7. Het bestreden besluit overweegt in verband met het esthetisch criterium wat volgt: “(...) dat het groenscherm dat rond de nieuwe gebouwen voorzien is een passende integratie van de gebouwen in de omgeving toelaat; dat de aanvraag de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengt; Overwegende echter dat de gebouwen gedeeltelijk in metaalplaten zullen worden opgericht (topgevels); dat ons college van oordeel is dat in een agrarisch gebied die materialen uit esthetisch oogpunt onaanvaardbaar zijn; dat de aanvraag slechts voor vergunning in aanmerking komt indien als voorwaarde wordt opgelegd dat alle gevels worden uitgevoerd in rood metselwerk”. 3.2.8. Het bestreden besluit bevat geen enkele motivering met betrekking tot de verenigbaarheid van de aanvraag met de nadere aanwijzing “landschappelijk waardevol gebied” die het gewestplan aan het betrokken agrarisch gebied heeft gegeven. De enkele vermelding dat “het groenscherm (...) een passende integratie van de gebouwen in de omgeving toelaat” en “de aanvraag de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengt” is niets meer dan een loutere affirmatie aangezien zij door geen enkel concreet gegeven wordt gestaafd. Het feit dat de bestreden vergunning wordt verleend “op voorwaarde dat alle gevels worden uitgevoerd in rood metselwerk” doet niets af aan deze feitelijke vaststelling. Het tweede middel is in die mate eveneens gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 30 augustus 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van Paul DE VOEGT ingesteld tegen het besluit van 14 februari 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zandhoven houdende weigering X-11.047-9/10 van de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een runderenstal en loods voor landbouwalaam, opslag van stro en hooi en een sleufsilo en voor de afbraak van een varkensstal op een terrein gelegen te Zandhoven, Bruggestraat 43, kadastraal bekend sectie C, nrs. 373/a en 375/g, wordt ingewilligd, en vergunning wordt verleend overeenkomstig de bijgevoegde plannen op voorwaarde dat alle gevels worden uitgevoerd in rood metselwerk. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1750 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.047-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.776 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.121.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.