id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.822 Rolnummer: Zaak: Arrest 188822 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 10:25 Fiche Arrest nr 188.822 van 16 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.822 van 16 december 2008 in de zaak A. 78.128/X-8075 A. 78.556/X-8144 A. 81.153/X-8541. I. In zake : 1. Raphaël VAN HERPE, 2. Lutgardis VAN DAELE, wonende te 9630 ZWALM, Dikkelsebaan 18 tegen : het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. II. In zake : 1. Raphaël VAN HERPE, 2. Lutgardis VAN DAELE, wonende te 9630 ZWALM, Dikkelsebaan 18 tegen : 1. de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. III. In zake : 1. Raphaël VAN HERPE, 2. Lutgardis VAN DAELE, wonende te 9630 ZWALM, Dikkelsebaan 18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. X-8075 en 8144 en 8541-1/13 D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raphaël VAN HERPE en Lutgardis VAN DAELE op 3 april 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het bindend ongunstig advies van 10 december 1997 van het bestuur Monumenten en Landschappen verleend in het kader van de aanvraag door de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm ingediend tot het bekomen van een bouwvergunning voor het bouwen van een woning te Zwalm (Dikkele), Dikkelsebaan 14/A, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 193/b (A. 78.128); Gezien het verzoekschrift dat Raphaël VAN HERPE en Lutgardis VAN DAELE op 11 mei 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het bindend ongunstig advies van 20 april 1998 van het bestuur Monumenten en Landschappen verleend in het kader van het administratief beroep door de verzoekende partijen bij de bestendige deputatie van de provincieraad Oost- Vlaanderen ingesteld tegen het besluit van 29 december 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm, waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning te Zwalm (Dikkele), Dikkelsebaan 14/A, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 193/b (A. 78.556); Gezien het verzoekschrift dat Raphaël VAN HERPE en Lutgardis VAN DAELE op 16 november 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 oktober 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van hun beroep tegen het besluit van 23 april 1998 van de bestendige deputatie van provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij de bouwvergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning te Zwalm (Dikkele), Dikkelsebaan 14/A, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 193/b (A. 81.153); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET in de drie zaken; Gelet op de beschikkingen van 20 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; X-8075 en 8144 en 8541-2/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in de zaak A. 78.128; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en de tweede verwerende partij in de zaak A. 78.556; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen in de zaak A. 81.153; Gelet op de beschikkingen van 29 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. HEYNDRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partijen in de drie zaken, van advocaat P.-J. STAELENS, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij in de zaak A. 78.128 en voor de tweede verwerende partij in de zaak A. 78.556, van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST, die verschijnt voor de eerste verwerende partij in de zaak A. 78.556, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij in de zaak A. 81.153; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET in de drie zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging 1.1. Het annulatieberoep in de zaak A. 78.556 is uitsluitend gericht tegen het bindend ongunstig advies van 20 april 1998 van het bestuur Monumenten en Landschappen. De bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- X-8075 en 8144 en 8541-3/13 Vlaanderen werd in deze zaak verkeerdelijk als verwerende partij aangewezen en moet buiten de zaak worden gesteld. 1.2. De verzoekende partijen vragen de samenvoeging van de zaken gekend onder de nrs. A. 78.128, A. 78.556 en A. 81.153. De onwettigheid van de beslissingen in de zaken A. 78.128 en A. 78.556 heeft de onwettigheid van het besluit in de zaak A. 81.153 tot gevolg. De zaken zijn verknocht, zodat het aangewezen is ze samen te voegen. 2. De feiten 2.1. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel grond gelegen aan de Dikkelsebaan te Zwalm (Dikkele), kadastraal bekend sectie A, nr. 193/b. 2.2. Overeenkomstig het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, is het betrokken perceel gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het perceel is tevens gelegen binnen de omschrijving van de bij het ministerieel besluit van 24 december 1980 als dorpsgezicht beschermde dorpskom van Dikkele te Zwalm. Het kwestieuze perceel maakt ook deel uit van een verkavelingsvergunning die door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 9 december 1993 aan Clara VAN HOECKE werd verleend, onder de voorwaarde dat lot 1 uit de verkaveling wordt gesloten. De voormelde verkavelingsvergunning is onder meer als volgt gemotiveerd : “dat evenwel dient opgemerkt te worden dat het advies van het Bestuur van Monumenten en Landschappen niet werd verstrekt binnen de dertig dagen zodat het niet bindend is; Dat kan gesteld worden dat gelet op de in de omgeving vergunde verkavelingen, de goede plaatselijke ordening met onderhavig voorstel niet zal worden geschaad; dat evenwel dient opgemerkt dat op lot 1 de typische bebouwing best behouden blijft; dat om deze redenen het beroep vatbaar is voor inwilliging mits lot 1 uit de verkaveling wordt gesloten”. X-8075 en 8144 en 8541-4/13 2.3. De eerste verzoeker dient op 28 oktober 1994 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm een eerste aanvraag in voor het bouwen van een woning op het onder randnummer 2.1 vermelde perceel. Op 28 november 1994 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm deze aanvraag onder verwijzing naar het ongunstig advies van 22 november 1994 van het bestuur Monumenten en Landschappen : “Met betrekking tot (
- de)in hoofding vermelde aangelegenheid brengt het bestuur Monumenten en Landschappen een bindend, ongunstig advies uit. De op te richten woning is gelegen binnen de omschrijving van een verkaveling waarvoor mijn bestuur eerder een bindend ongunstig advies heeft uitgebracht om reden dat het opsplitsen van bestaand(
- e)percelen de bouwdensiteit binnen de beschermde dorpskom van Dikkele verhoogt. Door deze toename van de bouwdichtheid gaat de eigenheid en het karakter van deze dorpskom volledig verloren”. 2.4. Het door de verzoekende partijen tegen het voormelde weigeringsbesluit ingestelde administratief beroep wordt op 9 maart 1995 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verworpen, enerzijds, om de reden dat de aanvraag niet voldeed aan de verkavelingsvoorschriften en, anderzijds, omdat het bestuur Monumenten en Landschappen een ongunstig bindend advies had verstrekt. 2.5. Op 28 maart 1995 dienen de verzoekende partijen tegen de voormelde weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie een administratief beroep in. Bij het beroepsschrift is een gewijzigd plan gevoegd. 2.6. Bij ministerieel besluit van 8 november 1995 wordt het voormelde beroep verworpen op grond van het bindend ongunstig advies van 22 november 1994 van het bestuur Monumenten en Landschappen. Tegen dit weigeringsbesluit dienen de verzoekende partijen een vordering tot schorsing en een annulatieberoep in bij de Raad van State. Deze zaak is gekend onder het nr. A. 67.055. Bij arrest van de Raad van State nr. 71.238 van 28 januari 1998 wordt de vordering tot schorsing verworpen. Bij arrest nr. 80.953 van 15 juni 1999 wordt de afstand van het geding in deze zaak toegewezen in toepassing van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. X-8075 en 8144 en 8541-5/13 2.7. Op 6 november 1997 dient de eerste verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm een tweede aanvraag in tot het bouwen van een woning op het meer vermelde perceel. 2.8. Op 10 december 1997 verleent het bestuur Monumenten en Landschappen het volgende ongunstig advies : “Met betrekking tot bovengemelde aangelegenheid brengt de Cel Monumenten en Landschappen een, bindend, ongunstig advies uit. De op te richten woning is gelegen binnen de omschrijving van een verkaveling waarvoor de cel Monumenten en Landschappen eerder een ongunstig advies heeft uitgebracht om reden dat het opsplitsen van bestaande percelen de bouwdensiteit binnen de beschermde dorpskom van Dikkele verhoogt. Door deze toename van de bouwdichtheid gaat de eigenheid en het karakter van deze dorpskom verloren. Een kopie van dit advies wordt heden aan de gemachtigde ambtenaar bij de Cel Ruimtelijke Ordening toegestuurd”. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 78.128. 2.9. Op 29 december 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm overeenkomstig het voormelde ongunstig advies de gevraagde vergunning. Tegen deze laatste beslissing dienen de verzoekende partijen op 24 februari 1998 een administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 2.10. Op 20 april 1998 deelt het bestuur Monumenten en Landschappen het volgende mee aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen : “Met betrekking tot bovengenoemde aangelegenheid kan ik U meedelen dat de cel Monumenten en Landschappen zijn eerder ongunstig advies van 10 december 1997 wenst te behouden. Gelet op de bescherming van de dorpskom van Dikkele (M.B. 24 december 1980) is mijn bestuur ervan overtuigd dat een verdichting van de bebouwing, de eigenheid en het karakter van deze omgeving zal schaden. Gelieve in bijlage een kopie van dit advies te vinden”. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 78.556. X-8075 en 8144 en 8541-6/13 2.11. Op 23 april 1998 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoekende partijen in te willigen. 2.12. Op 11 mei 1998 dienen de verzoekende partijen tegen het voormelde besluit een administratief beroep in, dat bij besluit van 13 oktober 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening wordt verworpen. Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 81.153. 3.1. Over de ontvankelijkheid van het beroep in de zaken A. 78.128 en A. 78.556. 3.1.1. De aangevoerde excepties De verwerende partij voert in de beide zaken de volgende excepties aan : “II.1 Een bevestigende beslissing is niet vatbaar voor schorsing of vernietiging. In casu werd naar aanleiding van de tweede bouwaanvraag geen eigenlijke nieuwe beslissing genomen, er werd en er diende geen nieuw onderzoek te worden ingesteld. Elke bouwvergunningsaanvraag strandt op dezelfde bezwaren, nl. door het bebouwen van het perceel van verzoekende partijen wordt de bouwdensiteit verhoogd waardoor het eigene en het karakter van de dorpskom verloren gaan. Bovendien dienden er zich geen nieuwe feitelijke of juridische omstandigheden aan, waardoor een nieuw onderzoek ten gronde nodig zou zijn geweest. Het advies naar aanleiding van de tweede bouwaanvraag verschilt in niets van het advies nopens de eerste bouwaanvraag. Het advies verschilt noch qua draagwijdte, noch qua gevolgen, noch qua motieven van het vorige advies. II.2 Oordelen dat huidige vordering ontvankelijk zou zijn, zou betekenen dat wordt geraakt aan de door artikel 19 van de Rv.St.-wet voorgeschreven beroepstermijn die van openbare orde is en aldus ook aan de rechtszekerheid. Verzoekende partijen hebben alle gelegenheid gehad zich te voorzien in een annulatieberoep tegen het ongunstig advies dat werd verleend nopens het eerste bouwdossier, hetgeen ze hebben nagelaten. Door het indienen van een nieuwe bouwaanvraag en dus het uitlokken van een (bevestigend) ongunstig advies pogen verzoekende partijen zichzelf een nieuwe beroepstermijn te verschaffen tegen een beslissing (lees : bindend advies) die volledig gelijk is aan de eerste beslissing en gegrond is op dezelfde feitelijke en rechtsgegevens, maar die ze niet hebben aangevochten”. X-8075 en 8144 en 8541-7/13 3.1.2. Beoordeling 3.1.2.1. Artikel 11, § 2 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, zoals dit van toepassing was op het ogenblik van het nemen van de bestreden adviezen, stelt dat voor alle vergunningen te verlenen op grond van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), alle vergunningverlenende instanties alsmede de gemachtigde ambtenaar ertoe gehouden zijn binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier het advies in te winnen bij de minister of zijn gemachtigde, dat de minister binnen dertig dagen bij hen een bindend advies uitbrengt en dat bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn overgezonden advies, dit als gunstig wordt beschouwd. Op grond van de voormelde bepaling waren de vergunningverlenende instanties verplicht om in het kader van de nieuwe vergunningsaanvraag van 6 november 1997 het advies van het bestuur Monumenten en Landschappen te vragen. In hoofde van dit laatste bestond dan weer de verplichting om binnen de voorgeschreven termijn over de adviesaanvraag uitspraak te doen, bij gebreke waarvan het advies als gunstig diende beschouwd te worden. Gelet op de verplichting tot adviesverstrekking in hoofde van het bestuur Monumenten en Landschappen, kunnen de bestreden adviezen niet als louter bevestigende beslissingen worden beschouwd. Dit laatste geldt nog meer nu het voorwerp van de vergunningsaanvraag van 6 november 1997 die tot de bestreden adviezen heeft geleid, verschilt van dit van de eerste vergunningsaanvraag van 28 november 1994. Het feit dat het bestuur van Monumenten en Landschappen de beide vergunningsaanvragen om dezelfde reden ongunstig heeft geadviseerd, is niet van aard om anders te oordelen. 3.1.2.2. Het beroep in de zaak A. 78.556 werd voorts binnen de beroepstermijn ingediend, terwijl de verwerende partij niet aantoont en uit het dossier evenmin blijkt dat het beroep in de zaak A. 78.128 laattijdig zou zijn ingediend. Aangenomen moet immers worden dat de verzoekende partijen, zoals zij aangeven, slechts op 5 februari 1998 van het besluit van 29 december 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm, met daarin de vermelding van het in de zaak A. 78.128 bestreden advies, kennis hebben gekregen, zodat het op 3 april 1998 ingediende annulatieberoep tijdig is. X-8075 en 8144 en 8541-8/13 3.1.2.3. De excepties kunnen niet worden aangenomen. 3.2. Over de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 81.153. 3.2.1. De aangevoerde exceptie De verwerende partij voert aan dat de verzoekende partijen “slechts over het rechtens vereiste belang bij het vorderen van de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 13 oktober 1999 (beschikken), in zoverre de vordering tot nietigverklaring van de gunstige (lees: ongunstige) adviezen van het bestuur Monumenten en Landschappen gegrond zouden verklaard worden”. De vergunningverlenende overheid kon volgens de verwerende partij niet anders dan het bindend advies van het bestuur Monumenten en Landschappen volgen. Indien de annulatieberoepen tegen de bestreden adviezen van het voormelde bestuur worden afgewezen, dan beschikken de verzoekende partijen niet (meer) over het rechtens vereiste belang voor het instellen van een vordering tot nietigverklaring tegen het bestreden ministerieel besluit van 13 oktober 1998. 3.2.2. Beoordeling Hierna zal blijken dat de beroepen in de zaken A. 78.128 en A. 78.556 gegrond zijn. De exceptie kan niet worden aangenomen. 4.1. Over de gegrondheid van het beroep in de zaken A. 78.128 en A. 78.556. 4.1.1. Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel voeren de verzoekende partijen het volgende aan : “1. Aangezien het advies van het bestuur Monumenten en Landschappen geen betrekking kan hebben op de bouwvergunningsprocedure, bestaat er geen motivering, minstens een verkeerde motivering. Het Bestuur Monumenten en Landschappen herhaalt een advies welke zij gaf in het kader van de verkavelingsvergunningsprocedure. In deze procedure gaf het Bestuur Monumenten en Landschappen een ongunstig advies vermits het opsplitsen van de bestaande percelen binnen de beschermde dorpskom van Dikkele de bouwdensiteit zou verhogen wat de eigenheid van dit dorpsgezicht in het gedrang zou brengen. X-8075 en 8144 en 8541-9/13 Het Bestuur Monumenten en Landschappen stelt ten onrechte dat het voormelde advies in de verkavelingsvergunningsprocedure bindend zou geweest zijn vermits het advies werd gegeven buiten de termijn van 30 dagen (cfr. supra de feitelijkheden). De verkavelingsaanvraag werd uiteindelijk op 09.12.93 goedgekeurd door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad Oost-Vlaanderen (...), waartegen niemand hoger beroep instelde. Wanneer het Bestuur Monumenten en Landschappen later in de bouwvergunningsprocedure verwijst naar haar motivering in de verkavelingsvergunningprocedure en stelt dat de bouwdensiteit zou verhogen en de eigenheid van het dorpsgezicht in het gedrang zou komen, dan miskent zij het feit dat woningen conform de verkavelingsvergunning kunnen gebouwd worden. Het Bestuur Monumenten en Landschappen kon in de bouwvergunningsprocedure alleen nagaan (hetgeen zij niet deed) of de geconcipieerde woning van verzoekers in casu op één of andere wijze strijdig zou zijn met de bepalingen van het beschermingsbesluit. 2. In haar brief dd. 02.10.96 aan de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling geeft het Bestuur Monumenten en Landschappen een overzicht van de diverse procedures m.b.t. de verkavelings- en bouwaanvragen in het beschermd dorpsgezicht van Dikkele (...). Het bestuur Monumenten en Landschappen stelt op pag. 6 van de voormelde brief m.b.t. de verkaveling Vermassen: ‘- 05.06.1992: Noel Maë - bouwen woning op lot 1: ‘Aangezien hoger vermelde bouwaanvraag gelegen is binnen de goedgekeurde verkaveling van voor de bescherming van Dikkele als dorpsgezicht moet het Bestuur bebouwen van deze percelen aanvaarden volgens de voorziene verkavelingsvoorschriften. Het bestuur adviseert echter wel omwille van de landschappelijke integratie de volgende gevelmaterialen te gebruiken: -natuurlijke dakpannen; - donker rood-bruine handvormgevelsteen of wit geverfde (gekaleide) handvormsteen’. In de onderhavige zaak bestaat ook een goedgekeurde verkaveling (ook al dateert die van na het kwestige beschermingsbesluit) zodat het bestuur Monumenten en Landschappen het bebouwen van deze percelen volgens de voorziene voorschriften dient te aanvaarden”. 4.1.2. Beoordeling Ingevolge de verkavelingsvergunning van 9 december 1993 houdende de toelating tot opdeling van het kwestieuze perceel in twee loten voor het oprichten van alleenstaande landelijke woningen, werd de bouwdichtheid van het kwestieuze perceel op definitieve wijze vastgelegd. Door zich te steunen op het motief dat “door deze toename van de bouwdichtheid de eigenheid en het karakter van deze dorpskom verloren (gaat)”, respectievelijk “dat een verdichting van de bebouwing, de eigenheid en het karakter van deze omgeving zal schaden”, miskennen de bestreden adviezen de verkavelingsvergunning van 9 december 1993. Het betoog van de verwerende partij dat een verkavelingsvergunning geen onvoorwaardelijk recht tot bouwen schept en X-8075 en 8144 en 8541-10/13 zij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning negatief kan adviseren omwille van de bescherming als dorpsgezicht, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. In zoverre het betoog van de verwerende partij dat het beschermingsbesluit van 24 december 1980 aldus een “lege huls” wordt, kan worden aangenomen, is dit niet het gevolg, zoals zij aanvoert, van een miskenning van “de wetgeving bescherming van monumenten en dorpsgezichten” ten voordele van “de wetgeving ruimtelijke ordening”, of nog, van een “beperking contra legem” van de door artikel 11, § 2 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten verleende bevoegdheid, maar van haar laattijdige adviesverstrekking tijdens de procedure die heeft geleid tot de verkavelingsvergunning van 9 december 1993. Het eerste middel is gegrond. 4.2. Over de gegrondheid van het beroep in de zaak A. 81.153. 4.2.1. Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel herhalen de verzoekende partijen hun bezwaren ten aanzien van de bestreden adviezen in de zaken A. 78.128 en A. 78.556 en voegen daaraan toe dat “aangezien de Vlaamse Minister in zijn kwestig besluit het advies van het bestuur van Monumenten en Landschappen tot de zijne maakt en ondersteunde, er geen motivering (bestaat), minstens een verkeerde motivering”. 4.2.2. Beoordeling Aangezien het bestreden besluit uitsluitend is gesteund op de ongunstige bindende adviezen van 10 december 1997 en 20 april 1998 van het bestuur Monumenten en Landschappen en deze adviezen om de onder de hoofding 4.1 uiteengezette redenen dienen vernietigd te worden, is het bestreden besluit onwettig. X-8075 en 8144 en 8541-11/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN wordt in de zaak A. 78.556 buiten de zaak gesteld. Artikel 2. De zaken A. 78.128, A. 78.556 en A. 81.153 worden gevoegd. Artikel 3. Vernietigd worden: 1. het bindend ongunstig advies van 10 december 1997 van het bestuur Monumenten en Landschappen verleend in het kader van de aanvraag door de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm ingediend tot het bekomen van een bouwvergunning voor het bouwen van een woning te Zwalm (Dikkele), Dikkelsebaan 14/A, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 193/b (A. 78.128); 2. het bindend ongunstig advies van 20 april 1998 van het bestuur Monumenten en Landschappen verleend in het kader van het administratief beroep door de verzoekende partijen bij de bestendige deputatie van de provincieraad Oost- Vlaanderen ingesteld tegen het besluit van 29 december 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwalm, waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning te Zwalm (Dikkele), Dikkelsebaan 14/A, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 193/b (A. 78.556); 3. het besluit van 13 oktober 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep tegen het besluit van 23 april 1998 van de bestendige deputatie van provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij de bouwvergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning te Zwalm (Dikkele), Dikkelsebaan 14/A, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 193/b (A. 81.153). X-8075 en 8144 en 8541-12/13 Artikel 4. De kosten van het beroep in de zaak A. 78.128, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het beroep in de zaak A. 78.556, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het beroep in de zaak A. 81.153, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-8075 en 8144 en 8541-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.822 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div