id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.850 Rolnummer: A. 186715/X-13615 Zaak: Arrest 188850 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 10:34 Fiche Arrest nr 188.850 van 16 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.850 van 16 december 2008 in de zaak A. 186.715/X-13.
- In zake :
- Martine DEKKERS,
- Jean-Louis DEKKERS,
- Michel DEKKERS, die woonplaats kiezen bij advocaat E. PLAVSIC, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Huidevetterstraat 22-24 tegen : de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Martine DEKKERS, Jean-Louis DEKKERS en Michel DEKKERS op 17 december 2007 hebben ingediend en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 23 augustus 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Kapellen, Venuslei, kadastraal bekend sectie K, nr. 71/e (deel); Gelet op het arrest nr. 183.856 van 5 juni 2008 waarbij de debatten in de vordering tot schorsing en in het annulatieberoep worden heropend en de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-13.615-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. PLAVSIC, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaten C. SERVAIS en P. VAN WESEMAEL, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Uiteenzetting van de feiten 1.
- De hierna volgende gegevens worden door de partijen niet betwist. 1.
- Voor het betrokken perceel en een reeks andere percelen aan de Venuslei wordt in april 1961 een verkavelingsakkoord uitgereikt. Gelegen binnen het geplande tracé van het Duwvaartkanaal Oelegem-Zandvliet, worden, na voltooiing van de wegeniswerken en nadat reeds één kaveleigenaar had gebouwd, alle bouwactiviteiten op die percelen door de minister bevoegd voor openbare werken verboden vanaf 29 oktober
- Op 14 mei 1973 wordt een onteigeningsbesluit voor de aanleg van het verbindingskanaal getroffen. Het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, legt de betrokken gronden in het reservatiegebied voor het Duwvaartkanaal, met bosgebied als onderliggende bestemming. De bestemming reservatiegebied wordt verlaten bij de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor het opheffen van de (alternatieve) reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden voor het Duwvaartkanaal Oelegem-Zandvliet, bij besluit van de Vlaamse regering van 5 december
- 1.
- Op 11 december 2003 dienen de verzoekende partijen een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning met toepassing van artikel 192 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. X-13.615-2/10 1.
- Op 2 augustus 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van Kapellen de vergunning op ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
- Op 11 september 2004 tekenen de verzoekende partijen beroep aan bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 1.
- Met het bestreden besluit weigert de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de stedenbouwkundige vergunning.
- Ontvankelijkheid ratione temporis De exceptie van laattijdigheid, opgeworpen door de verwerende partij in haar nota, werd verworpen in het hoger vermelde tussenarrest.
- Grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 4.
- Standpunten van de partijen 4.1.
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt in het verzoekschrift als volgt uiteengezet: “Een moeilijk te herstellen ernstig nadeel Op grond van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State schorst de Raad van State een administratieve rechtshandeling wanneer het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (hierna MTHEN) is aangetoond. Alvorens meer concreet de vereiste van het MTHEN te spreken vindt verzoekende partij het nuttig om in het kader van dit belangrijk dossier toch nog eens de doelstellingen van de wet van 19 juli 1991 tot invoering van het kort geding bij de Raad van State in herinnering te brengen: X-13.615-3/10 ‘Luidens de memorie van toelichting is de bedoeling van het wetsontwerp houdende invoering van het administratief kort geding ‘een bijkomende stap te zetten naar een behoorlijke rechtsbedeling in de publiekrechtelijke sector’. Hoewel het niet met zoveel woorden in de memorie van toelichting is neergeschreven bestaat de wezenlijke bedoeling van de wet betreffende het administratief kort geding er in te komen tot een betere rechtsbescherming a posteriori -dus nadat een beslissing is genomen- tegen onrechtmatig overheidsoptreden in de publiekrechtelijk sector’ (...). Verzoekende partij meent dat het door haar aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het licht van deze doelstellingen moet beoordeeld worden. Zoals hierna nog zal worden herhaald heeft verzoekende partij reeds heel wat rechtsbescherming ontbeerd als gevolg van het optreden van de verschillende overheden. Eerst en vooral wijzen we op de rechtspraak van uw Raad, die een MTHEN aanvaardt in geval de schorsing van een weigeringsbeslissing wordt gevraagd (A). Vervolgens gaat verzoekende partij in op de verschillende soorten MTHEN, die zij zal of riskeert te ondervinden als gevolg van de bestreden beslissing (B). A. Schorsing weigeringsbeslissing (...) B. Concreet nadeel Verzoekende partij gaat hier in concreto per thema in op het MTHEN dat zij ondervindt als gevolg van de bestreden beslissing. a. Band met de ernstige middelen Verzoekende partij is op de hoogte van uw rechtspraak dat MTHEN en ernstig middel in beginsel twee aparte voorwaarden voor een schorsing zijn. Nochtans: (...) De (...) rechtspraak (laat) vermoeden dat wanneer een middel de schending van een fundamenteel regel of een regel van openbare orde betreft, de schending ook het moeilijk te herstellen ernstig karakter van het nadeel bepaalt. (...) Ook het Grondwettelijk Hof heeft reeds geoordeeld dat als een fundamenteel recht wordt geschonden (i.c. het recht om te kiezen), automatisch sprake is van een MTHEN : (...) In het tweede middel van huidig verzoekschrift haalt verzoekende partij een schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. (...) In huidige vordering voert verzoekende partij een aantal middelen in, die fundamenteel zijn (schending hoorplicht en onpartijdheidsbeginsel) of van determinerende invloed zijn op de uitslag van de beslissing (ivm afstanden). Gezien de aard van de middelen en de zeer specifieke situatie van verzoekende partij zou het werkelijk nadelig zijn dat verzoekende partij pas binnen een aantal jaren genoegdoening zou krijgen op deze middelen en zeker wat betreft het middel omtrent de onpartijdigheid, dat de openbare orde raakt. Vooral de schending van het onpartijdigheidsbeginsel in huidig dossier lijkt ipso facto tot het bestaan van een MTHEN in toepassing van de aangehaalde rechtspraak van de Raad van State. Een dergelijke schending wekt bij verzoekende partij nog meer argwaan en onzekerheid ten aanzien van de houding van de overheid. Een nietigverklaring zal dit groot onbehagen totaal niet wegnemen. Herinneren we eraan dat de invoering van het kort geding juist gebeurde om de rechtonderhorige meer de indruk te geven dat zijn rechtsbescherming vroegtijdig gevrijwaard wordt. De ratio legis van de kort geding-procedure zou volledig worden miskend, mocht bij een schending van het onpartijdheidsbeginsel de Raad pas jaren na datum een uitspraak doen. X-13.615-4/10 De ingeroepen middelen raken de essentie zelf van het bestuurlijk besluitvormingsproces van verzoekende partij en beperkt er zich toe t.o.v. dit onderdeel van het MTHEN te verwijzen naar de arresten die uw Raad vanuit eenzelfde logica in soortgelijke omstandigheden heeft geveld. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is in hoofde van verzoekende partij manifest. b. Rechtsonzekerheid Uit het chronologisch procedureverloop zoals uitgebreid toegelicht in het feitengedeelte van huidig verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij reeds tientallen jaren in onzekerheid leeft omtrent het precieze stedenbouwkundige en juridisch statuut van haar perceel. Deze onzekerheid heeft evenzeer betrekking op de mate waarin verzoekende partij gedurende al die jaren niet kon genieten van haar eigendomsrecht, dat zij haar perceel niet op een nuttige wijze heeft kunnen gebruiken. Deze onzekerheid is nog eens extra in de hand gewerkt door de duurzame juridische onzekerheid die sinds de stedenbouwwet van 1962 nooit voor december 2003 werd opgeheven. (...) Het is evident dat verzoekende partij geen enkele impact heeft gehad op de regelgeving van het verkavelingsakkoord en zoals in fine van het MTHEN wordt toegelicht is er volgens hem een unieke samenloop van omstandigheden in december 2003 waarbij de zonering van het gebied terug ruimte laat voor bebouwing krachtens het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan waarbij de regelgeving via art. 192 eindelijk rechtszekerheid biedt, het was voor hem noch voor de andere eigenaars juridisch mogelijk om de 40 jaar voordien een poging te ondernemen om rechtsbescherming te bekomen voor de subjectieve bouwrechten die hij meent te kunnen putten uit het verkavelingsakkoord van april
- Verzoekende partij meent dat voor klassieke bouwaanvragen weliswaar bij de zonering op substantieel wijze kan veranderen maar dat deze samenvalt met een initiatief van de wetgever waardoor eindelijk terug een bouwaanvraag kan worden ingediend lijkt toch wel redelijk uniek. (...) Ook in de zaak van verzoekende partij kan de blijvende onzekerheid omtrent het statuut van het litigieuze perceel niet los gezien worden van het bestreden besluit. Het in huidige zaak bestreden besluit laat verzoekende partij nog steeds niet toe het volledige genot te hebben over zijn perceel grond. Ook in huidige zaak hoopte verzoekende partij na jarenlange willekeur en tergende onzekerheid het recht te hebben om te bouwen op zijn kavel. Het bestreden besluit heeft hem dit recht niet toegekend en bijgevolg blijft in hoofde van verzoekende partij de willekeur zich bestendigen ook gezien de onwettigheden die in huidig verzoekschrift zijn ingeroepen. Het zal bij verzoekende partij een MTHEN veroorzaken, mocht uw Raad slechts binnen enkele jaren beslissen om over te gaan tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing en bijgevolg de bevoegde overheid de kans te geven alsnog op een wettige wijze een definitieve uitspraak te doen over de bebouw- baarheid van het perceel van verzoekende partij. Het gebrek aan een rustig genot van het perceel zou in die zin bestendigd worden. (...) Op grond van artikel 1,1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het E.V.R.M. hebben alle personen recht op het ongestoord genot van hun eigendom. In het arrest SPORRONG en LONNROTH heeft het Europees Hof ter bescherming van de rechten van de Mens (E.H.R.M.) uit deze zin het algemeen beginsel van respect voor de eigendom afgeleid (...). ‘De verdragsbepaling verleent bescherming tegen iedere willekeurige inmenging door een verdragsstaat ten aanzien van bestaande eigendomsrechten’ (...). X-13.615-5/10 (...) Het Europees Hof heeft nog een aantal andere arresten geveld, waarin werd nagegaan of de uitvaardiging van onteigeningsbesluiten en het opleggen van een bouwverbod, waarbij de indruk werd gewekt dat de gronden in de nabije toekomst het voorwerp zullen uitmaken van effectieve onteigening, maar in realiteit het voorwerp hebben uitgemaakt van een onmogelijkheid tot bouwen gedurende decennia, in strijd waren met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het E.V.R.M.: (...) Een disproportionele inmenging door de overheid in het eigendomsrecht berokkent de eigenaar een bijzondere en uitzonderlijke last. Het evenwicht tussen het algemeen belang en de belang van de burger wordt verbroken. Wie bijzondere of uitzonderlijke last zegt, zegt volgens verzoekende partij ook moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Een disproportionele aantasting van het eigendomsrecht veroorzaakt an sich een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. (...) In huidige zaak kan enkel, bij het weerhouden van een ernstig middel, de inkorting van de bevriezingstermijn soelaas brengen in het kader van de rechtszekerheid. Inkorting van de bevriezingstermijn houdt in casu in dat enkel een schorsing van de bestreden beslissing de disproportionele aantasting van het eigendomsrecht kan neutraliseren. De disproportionaliteit van de inmenging bestaat er in casu in dat de onzekerheid, waarmee verzoekende partij reeds jaren geconfronteerd wordt en bestendigd werd door de bestreden beslissing, zich doorzet mocht uw Raad in het licht van het weerhouden van ernstige middelen de bestreden beslissing niet schorsen. (...) Samengevat bestaat in huidige zaak het MTHEN van verzoekende partij er onder meer in dat een eventuele nietigverklaring niet de disproportionele last kan compenseren, die voor verzoekende partij voortvloeit uit het bestreden besluit, in die zin dat het bestreden besluit een voortzetting is van een decennialange rechtsonzekerheid over de bebouwingsmogelijkheden voor het perceel van verzoekende partij. Verzoekende partij voert deze strijd reeds 45 jaar, is heeft inmiddels een gezegende leeftijd bereikt en loopt grote kans, in geval van geen schorsing, de nietigverklaring zelfs niet meer mee te maken. (...) Verzoekende partij heeft de overtuiging dat de jarenlange blokkage van de gronden moeilijk los kan worden gekoppeld van de indiening van de aanvragen (de aanvragen werden ingediend in december 2003 binnen de maand na de inwerkingtreding van het art. 192 dat eindelijk doch tijdelijk rechtszekerheid bood voor de eigenaars van percelen in een verkavelingsakkoord. Net ook in die maand december 2003 werd het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitgevaardigd waarbij de gronden terug gewoon in bosgebied kwamen te liggen. Kortom, december 2003 is een scharniermoment tov 40 jaar onzekerheid dat is ontstaan met een schrijven van het Ministerie van Openbare Werken in 1964 toen men gedurende jaren onzekerheid heeft gecreeerd omtrent de aanleg van het mogelijke Antitankkanaal naar de Antwerpse Haven. De evolutie in de inrichting van de zone waarin de percelen gelegen zijn, zijn gedurende jaren hierdoor bevroren maar de inrichting van de zone staat niet stil. De dag dat de particulieren kennis kregen van hun weigeringsbeslissing werd een openbaar onderzoek opgestart op 200 m van daar voor een nieuw verkavelingsproject van Matexi. Het is niet uitgesloten dat op de belendende gronden aan de overkant van de Antitankgracht tussen en drie jaar een ecologische recreatieproject komt met een publieke golf en meer, in het kader van het provinciaal structuurplan is de kans reëel dat binnen afzienbare tijd een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt genomen om het gebied dat X-13.615-6/10 jarenlang geblokkeerd is geweest thans te gaan herbestemmen naar een natuurverbindingsgebied, wat thans nog ver van het geval is. Verzoekende partij meent dat enerzijds heel de periode van onzekerheid voor de decreetswijziging van 2003 mee moet worden opgenomen bij de afweging van het MTHEN. Dat op zeer diligente wijze wanneer het mogelijk was de particulieren in december 2003 een bouwaanvraag hebben ingediend dat Arohm dit negatief heeft geadviseerd, dat onmiddellijk in september na de weigering van 2004 in beroep werd gegaan, dat gedurende een jaar talrijke memo’s en documenten werden overgemaakt aan het Provinciebestuur om aan te tonen dat er wel degelijk subjectieve bouwrechten aanwezig waren op de percelen. Vervolgens nog eens een jaar is verloren gegaan omdat initieel men heeft gewerkt op basis van een verkeerde ROG kaart waardoor nog eens 10 maanden verloren gingen ondanks de constructieve houding van de Dienst Waterbeleid van het Provinciebestuur. Tenslotte zijn de provinciale verkiezingen van oktober 2006 en ook de personeelswisseling in de top van de dienst Stedenbouwkundige Vergunningen niet vreemd om nog eens 9 maanden uitstel met lede ogen te moeten vaststellen in de behandeling van het dossier. Kortom, men kan moeilijk abstractie maken wanneer men in het voorjaar van 2008 huidig dossier zal analyseren van de reële diligentie waarmee de particulieren zijn opgetreden vanaf het moment dat de decreetgever een duidelijk kader heeft geboden om de bouwaanvragen in te dienen en tegelijkertijd de reservatiestrook van het antitankkanaal heeft opgeheven
(2003). (...) Het beleid inzake ruimtelijke planning staat niet stil en men ziet al hoe op één jaar tijd van een relatief gunstig advies de provinciale administratie volledig is terug gekomen op haar inzichten en dit in grote mate in een besluitvorming die sterk gekleurd is met elementen ruimtelijke planning. Het is duidelijk dat het aspect ruimtelijke planning een bedreiging uitmaakt voor de subjectieve bouwrechten waarop verzoekende partij meende zich te kunnen beroepen en dat ook andere projecten in de omgeving, mogelijk een publiek golfproject, de verkaveling van Matexi, de marge bij een nieuwe beoordeling scherp gaat beperken wanneer het project zal moeten worden getoetst aan de goede ruimtelijke ordening. Immers in de hypothese dat uw Raad zou overgaan tot annulatie binnen 4 jaar en de vijf voorwaarden bij een nieuwe besluitvorming door de Provincie gunstig zouden worden ingevuld (thans zijn er reeds vier van de vijf ingevuld) zouden de aanvragen moeten worden getoetst aan de goede ruimtelijke ordening en hun impact op de ruimtelijke draagkracht. Het is evident dat wanneer de verkaveling van Matexi volledig zal zijn uitgevoerd in de zone het publiek golfproject en ook de gronden van Wolvenbos zou worden ontwikkeld dat de ruimte binnen 5 jaar bij een nieuwe beoordeling na een hypothetische annulatie voor het Provinciebestuur wel erg zou worden versmald en dat dit aspect moeilijk over het hoofd kan worden gezien bij de beoordeling van het MTHEN en dat verzoekende partij het thans inroept. (...)”. 4.1.
- De verwerende partij repliceert in haar nota : “(...) 1/ X-13.615-7/10 De door artikel 17 §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden én dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, zijn twee afzonderlijke en cumulatief te vervullen voorwaarden. De beweerde ‘ernst van de middelen’ an sich kan niet worden ingeroepen om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen. Bijgevolg kan de ernst van de middelen en, meer bepaald, de schending van het onpartijdigheidsbeginsel zoals aangevoerd in het eerste middel geenszins ‘ipso facto’, zoals verzoeker beweert, tot het aannemen van het bestaan van het MTHEN leiden. Daarenboven mag niet uit het oog worden verloren dat het net ten aanzien van dat middel is dat verweerster in onderhavige nota een exceptie van onont- vankelijkheid heeft opgeworpen. Uit de uiteenzetting aangaande het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan dan ook enkel worden geconcludeerd dat verzoeker, in zoverre hij zich beklaagt over onpartijdigheid en schending van het gelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, het niet heeft over de schorsingsvoorwaarde in verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, maar wel de voorwaarde dat ernstige middelen moeten worden aangevoerd. Zoals reeds hierboven aangehaald, doet in principe de ernst van de middelen en de onvermijdelijkheid van een vernietigingsarrest die daarmee samenhangt, niet ter zake bij de beoordeling van het nadeel. Hoogstens kan het ernstig middel als een bijkomend bewijs ter staving van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dienen, doch nooit als het enige uitsluitende bewijs (...). In casu moet echter worden vastgesteld dat verzoeker ter staving van zijn vermeend nadeel integraal verwijst naar de inhoud van de door hem aangevoerde middelen, doch er in de uiteenzetting aangaande het nadeel zelf geen concrete elementen zijn terug te vinden die op zich, zonder verwijzing naar de middelen, de ernst en het moeilijk herstelbaar karakter van dit nadeel kunnen schragen. Evenwel is het vaste rechtspraak van de Raad van State dat de vereiste schorsingsvoorwaarden afzonderlijk gelden en ook afzonderlijk dienen te worden onderzocht (...). 2/ Daarnaast voert verzoeker aan dat het bestreden besluit zorgt voor rechts- onzekerheid in zijnen hoofde die moet worden bestempeld als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. (...) In voorliggend dossier (...) is de rechtsonzekerheid het gevolg van de ligging van het perceel in een verkavelingsakkoord, tot stand gekomen zonder toedoen van verweerster. Zoals ten aanzien van het vijfde middel aangetoond, kent een dergelijk akkoord geen subjectieve rechten toe, dus ook geen recht om te bouwen als uitvloeisel van het eigendomsrecht. Enkel een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling in de zin van de Stedebouwwet doet dat. Er kan derhalve geen sprake zijn van een ‘disproportionele aantasting van het eigendomsrecht die an sich al een MTHEN uitmaakt’, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert. De situatie van het perceel van verzoeker vloeit rechtstreeks voort uit de bepalingen van de Stedenbouwwet en het DRO van 18 mei 1999, die een andere draagwijdte hebben gegeven aan verkavelingsvergunningen en verkavelingsakkoorden. X-13.615-8/10 Het tengevolge van die bepalingen geleden nadeel kan ter toetsing aan het Grondwettelijk Hof worden voorgelegd, zodat het geen MTHEN uitmaakt. 3/ Ook de tijd die de annulatieprocedure in beslag zou kunnen nemen, overtuigt niet van een MTHEN. Niet alleen is niet in te zien hoe het een MTHEN zou kunnen veroorzaken, mocht uw Raad pas binnen enkele jaren tot de nietigverklaring van het bestreden besluit overgaan en, bijgevolg, de overheid de kans geven om opnieuw uitspraak te doen over de bebouwbaarheid van het perceel. Tevens behoort het tot de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zélf, niet uit de tijd die de annulatieprocedure in beslag neemt. Trouwens, rechtsonzekerheid of de bestendiging ervan per definitie aanvaarden als een MTHEN, zou betekenen dat art. 17, § 2, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State zinledig wordt: rechtsonzekerheid is immers inherent aan elke jurisdictionele betwisting”. 4.
- Bespreking 4.2.
- De wettelijke voorwaarde met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een constitutieve en autonome schorsingsvoorwaarde, naast de verplichting een ernstig middel aan te voeren. Beide vereisten moeten dus cumulatief worden vervuld. De verwijzing naar een middel, zelfs indien dit van openbare orde zou zijn, volstaat derhalve niet om het bestaan van een -overigens in zoverre niet nader omschreven- moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen. De in een middel aangevoerde onwettigheden zijn in beginsel abstracte gegevens die op zichzelf genomen geen nadelige gevolgen genereren of aantonen. 4.2.
- Naar de bedoeling van de wetgever moet het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en niet uit de tijd die de annulatieprocedure in beslag neemt. 4.2.
- Onzekerheid is inherent aan elke jurisdictionele betwisting. Het aanvaarden van rechtsonzekerheid als moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou erop neerkomen dat de desbetreffende bepaling van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zinledig wordt. 4.2.
- De stelling van de verzoekende partijen dat mogelijke toekomstige wijzigingen in de goede plaatselijke ordening in rekening zullen moeten worden gebracht in geval van annulatie, steunt op een hypothese. X-13.615-9/10 Bovendien vloeit deze eventualiteit ook niet voort uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. 4.2.
- De verzoekende partijen maken niet concreet aannemelijk dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden weigeringsbeslissing hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent of dreigt te berokkenen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-13.615-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.850 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.856 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div