id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.876 Rolnummer: A. 110848/X-10568 Zaak: Arrest 188876 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-12 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 10:44 Fiche Arrest nr 188.876 van 16 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.876 van 16 december 2008 in de zaak A. 110.848/X-10.
- In zake : de gemeente MOORSLEDE, die woonplaats kiest bij advocaat F. SOETAERT, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente MOORSLEDE op 28 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 augustus 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. AQUAFIN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie op een perceel gelegen te Moorslede, Zonnebeeksestraat, kadastraal bekend sectie D, nrs. 628/c, 629/a, 630/a en 627; Gelet op het arrest nr. 109.152 van 11 juli 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 4 september 2002 ingediend door de verzoekende partij; X-10.568-1/8 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 11 oktober 2002 ingediend door de n.v. AQUAFIN; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2002 die de tussenkomst van de n.v. AQUAFIN toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 oktober 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 31 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEWEIRDT, die loco advocaat F. SOETAERT verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat L. PEETERS, die loco advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten X-10.568-2/8 1.
- Op 21 februari 2000 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moorslede een eerste bouw- aanvraag in voor het oprichten van een rioolwaterzuiveringsinstallatie op een terrein gelegen te Moorslede, Zonnebeeksestraat, kadastraal bekend sectie D, nrs. 628/c, 629/a, 630/a en
- Het bouwterrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde en bij besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1998 gewijzigde gewestplan Roeselare-Tielt voor het grootste deel gelegen in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, en voor een oppervlakte van ongeveer 70 m² in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een goed- gekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling. De aangevraagde werken zijn zowel in het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, als in het agrarisch gebied gesitueerd. Ten noorden, zuiden en westen van het bouwterrein bevindt zich agrarisch gebied. Ten oosten van het bouwterrein bevindt zich woongebied met landelijk karakter, met daarin de woonkern van het gehucht Waterdam. 1.
- Op 9 mei 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moorslede de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. 1.
- Op 21 september 2000 verklaart de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het beroep van de tussenkomende partij tegen de voormelde weigeringsbeslissing ontvankelijk doch ongegrond. 1.
- Op 3 mei 2001 dient de tussenkomende partij bij de gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar een nieuwe aanvraag in voor het bouwen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie op hetzelfde terrein. Tijdens het openbaar onderzoek worden bezwaarschriften ingediend, waaronder één door de verzoekende partij. 1.
- Op 2 augustus 2001 verleent de gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij. Dit is het bestreden besluit. X-10.568-3/8
- Ontvankelijkheid 2.
- De tussenkomende partij werpt een exceptie van niet- ontvankelijkheid op omdat de verzoekende partij niet doet blijken van een “persoonlijk, rechtstreeks en griefhoudend belang”. Zij stelt daarnaast dat de verzoekende partij, zelfs indien de bestreden stedenbouwkundige vergunning niet zou stroken met haar stedenbouw- kundig beleid, niet doet blijken van een persoonlijk belang aangezien de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt ingeplant in het daartoe in het gewestplan voorziene gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 2.
- Een gemeente heeft een persoonlijk belang bij een beroep inzake een aangelegenheid die het gemeentelijk belang raakt. Zo doet zij inzake ruimtelijke ordening, wanneer zij opkomt ter verdediging van haar planologisch en stedenbouw- kundig beleid, blijken van het wettelijk vereiste belang. De verzoekende partij betoogt dat de bestreden stedenbouw- kundige vergunning niet strookt met haar stedenbouwkundig beleid, dat er op is gericht klasse 1-bedrijven in te planten in industriezones en niet in de onmiddellijke omgeving van woonkernen. Onder meer om die reden heeft zij een eerste bouwaanvraag voor hetzelfde project geweigerd en in het kader van de voorliggende aanvraag een ongunstig advies uitgebracht. Uit deze uiteenzetting blijkt het persoonlijk belang van de verzoekende partij, zodat het desbetreffende onderdeel van de exceptie ongegrond is. De argumentatie van de tussenkomende partij met betrekking tot de gewestplanvoorschriften valt samen met het onderzoek naar de grond van de zaak, te weten het tweede middel.
- De gegrondheid van het beroep 3.
- Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 11 en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: X-10.568-4/8 “
- Overeenkomstig art. 20 van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (...) kunnen bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschaps-voorzieningen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan, voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied. Vermits het hier gaat om een uitzonderingsbepaling en aangezien de openbare nutsvoorzieningen uitdrukkelijk voorzien zijn in twee zones (woongebieden en gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen) kan dit artikel slechts toegepast voor uitzonderlijke toestanden. De verenigbaarheid met de algemene bestemming heeft betrekking op de ruimtelijke afweging. Er dient steeds nagegaan te worden of het bouwwerk past binnen de planologische context van het gebied. Voor de bouwwerken van gewestelijk of regionaal niveau, die (deels) in strijd zijn met het gewestplan, zal het gewestplan moeten gewijzigd worden (...). Voor de beoordeling van de verenigbaarheid met het architectonisch karakter moet de goede plaatselijke ordening bekeken worden. Verzoeker is alvast van oordeel dat een ontsluitingsweg (de enige ontsluitingsweg van de rioolwaterzuiveringsinstallatie) alvast niet verenigbaar is met een agrarisch gebied.
- Overeenkomstig art. 11 van het voornoemd KB van 28.12.1972 zijn agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Een ontsluitingsweg voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie (de enige bovendien) kan aldus niet worden aangelegd in een agrarisch gebied. De algemene bestemming van een agrarisch gebied verzet zich hiertegen. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar kon aldus geen toepassing maken van art. 20 van het voornoemd besluit van 28.12.
- De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar heeft aldus zowel art. 11 als art. 20 van het voornoemd KB van 28.12.1972 geschonden.
- Zelfs in de veronderstelling dat de algemene bestemming van een agrarisch gebied de inplanting van een ontsluitingsweg voor een RWZI niet alsdusdanig zou uitsluiten, quod non, moet de inplanting van een gelijkaardige ontsluitingsweg in een agrarisch gebied hoe dan ook uitzonderlijk blijven en voldoen aan enkele voorwaarden (...). Het feit zelf dat er voor de gemeenschapsvoorzieningen en openbare nuts- voorzieningen twee zones zijn (...), brengt dit met zich mede dat de inrichting van zulke voorzieningen in gebieden die daarvoor niet specifiek zijn aangewezen, uitzonderlijk moet blijven en slechts verantwoord is in zoverre die voorzieningen, overeenkomstig de aard van het gebied, werkelijk onontbeerlijk zijn, anders heeft de regeling geen zin! De stedenbouwkundige ambtenaar heeft geenszins onderzocht of de gedeeltelijke inplanting in agrarisch gebied wel degelijk onontbeerlijk was, laat staan dat zou zijn bewezen dat deze voorwaarde is vervuld. Hij heeft niet onderzocht of de ontsluitingsweg ook functioneel kan worden aangelegd in de daartoe bestemde zone (woongebieden en gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen), wat overigens ook het geval is. X-10.568-5/8 De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar heeft aldus ook om deze redenen art. 20 van het voornoemd KB geschonden”. 3.
- Beoordeling van het tweede middel 3.2.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij benadrukken dat slechts een klein gedeelte van het bouwterrein in agrarisch gebied gelegen is. Zij menen dat voor dit gedeelte voldaan is aan artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen. Volgens de verwerende partij blijkt dit uit de volgende overwegingen van het bestreden besluit: “Het betreffende rioolwaterzuiveringsproject kadert in een bredere context van het zuiveren van rioolwater van en voor de gemeenschap. Als dusdanig gaat het onmiskenbaar om een voorziening die ten dienste staat van de gemeenschap. De voorgestelde locatie, die specifiek ten behoeve van deze voorziening werd vastgelegd met een fragmentaire gewestplanwijziging, is een gevolg van bedrijfstechnische factoren zoals daar zijn graviteit, waterhuishouding, geografische spreiding van dergelijke installaties en aansluitingsmogelijkheden op natuurlijke en/of kunstmatig aangelegde structuren (zo is er ook een ruimtelijke relatie met de nog lopende bouwaanvraag van het project ‘aanleg collector Heulebeke’ 99.546B lot 2). Vanuit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt is de voorgestelde invulling met de ontworpen rioolwaterzuiveringsinstallatie op de betreffende plaats verantwoord. De ruimtelijke impact die de ontworpen installatie teweeg brengt op de omgeving is gelet op de relatief beperkte hoogte van de constructies eerder gering. Het laten aansluiten bij de bestaande kleine woonkern kadert in de visie van de gewenste ruimtelijke structuur van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen waarbij wordt gestreefd naar ‘gedeconcentreerde bundeling’ van urbanisaties waarbij ‘harde’ bestemmingen in dit geval worden geconcentreerd rond een bestaand wellicht historisch gegroeid gehucht. Het voorzien van een dergelijke installatie op een meer geïsoleerde plaats in het buitengebied, zoals wordt gesuggereerd door de naar aanleiding van het openbaar onderzoek ingediende en door het gemeentebestuur bijgetreden bezwaar, zou als gevolg hebben dat er een verdere aantasting en versnippering ontstaat van deze resterende open ruimte. Dergelijke geïsoleerde situering kan derhalve niet worden gezien als een geldig alternatief of als een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. (...) Het uitgesproken utilitaire karakter van dergelijke installatie wordt gecompenseerd en qua ruimtelijke impact op de omgeving geïntegreerd door de voorziene landschappelijke inkleding met streekeigen groen”. De tussenkomende partij argumenteert dat op het kleine stuk landbouwgebied dat wordt ingenomen de essentie van de vastgestelde ordening behouden wordt. X-10.568-6/8 3.2.
- Artikel 20 van het voormelde koninklijk besluit van 28 december 1972 luidt als volgt: “Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. 3.2.
- De hiervoor geciteerde overwegingen uit het bestreden besluit behouden het stilzwijgen over de verenigbaarheid van de vergunde werken met de algemene bestemming agrarisch gebied en met het architectonisch karakter van het betrokken agrarisch gebied, zodat niet blijkt dat voldaan werd aan de in artikel 20 gestelde voorwaarde. Een stedenbouwkundige vergunning dient zelf te motiveren waarom aan die voorwaarde is voldaan, zodat geen rekening kan worden gehouden met motieven die de tussenkomende partij a posteriori verstrekt. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 2 augustus 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan de n.v. AQUAFIN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een rioolwater-zuiveringsinstallatie op een perceel gelegen te Moorslede, Zonnebeeksestraat, kadastraal bekend sectie D, nrs. 628/c, 629/a, 630/a en
- Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-10.568-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.568-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.876 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.109.152 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div