id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.877 Rolnummer: A. 127029/X-11123 Zaak: Arrest 188877 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-09 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 10:44 Fiche Arrest nr 188.877 van 16 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.877 van 16 december 2008 in de zaak A. 127.029/X-11.
- In zake : Paul MADDENS, die woonplaats kiest bij advocaat L. OCKIER, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Katteputstraat 3 tegen : de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul MADDENS op 20 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 juni 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van een zwembad van 4m50 x 9m00 in open lucht op een perceel gelegen te Mortsel, Deurnestraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 37/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 13 september 2005 die de neer- legging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 november 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; X-11.123-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. ROGGE, die loco advocaat L. OCKIER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. PIEN, die loco advocaten W. DOM en C. DE NIJN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoeker is eigenaar van een perceel met daarop de bij koninklijk besluit van 11 januari 1979 als monument beschermde hoeve “De Schrans”, gelegen te Mortsel, Deurnestraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 37/d. Het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen bestemt dit perceel tot parkgebied. Het voornoemde perceel is gelegen binnen de grenzen van het bij ministerieel besluit van 11 januari 1979 beschermde dorpsgezicht “omgeving hoeve De Schrans”. 1.
- Op 22 mei 2000 vraagt de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Mortsel een bouwvergunning aan voor “het regulariseren van een zwembad van 4m50x9m00 in open lucht” op het voornoemde perceel. 1.
- Op 23 oktober 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Mortsel de gevraagde vergunning. 1.
- Op 10 november 2000 stelt de verzoeker bij de verwerende partij beroep in tegen het voornoemde weigeringsbesluit. 1.
- Op 27 mei 2002 verleent het bestuur Monumenten en Landschappen het volgende ongunstig advies over de aanvraag: X-11.123-2/7 “WEIGERT : de regularisatie van een zwembad op een terrein gelegen te Mortsel, Deurnestraat 163 volgens bijgevoegde tekening. Het betreft hier immers een historische hoeve uit 1615 z.g. ‘De Schrans’ met rechthoekige omgrachting. Het inrichten van een zwembad binnen de omgrachting van zo’n historische site vinden wij uit het oogpunt van de monumentenzorg weinig passend. De voormalige mestput was een latere functionele ingreep maar uit het oogpunt van de monumentenzorg eerder als storend element te beschouwen. De omgeving van een historische hoeve wordt veeleer gekenmerkt door een landelijk karakter en werd meestal gebruikt als moestuin en boomgaard”. 1.
- Op 27 juni 2002 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoeker tegen het voornoemde weigeringsbesluit ingestelde administratief beroep. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen de vergunning weigerde om volgende redenen: S De gevraagde werken brengen de goede ordening van de plaats in het gedrang en zijn strijdig met de geldende stedenbouwkundige voorschriften; S Het misdrijf bestaat in het uitvoeren en/of instandhouden van werken die een inbreuk plegen op de plannen van aanleg en op de gemeentelijke verordening. De te realiseren bestemming ‘park’ wordt hierdoor in het gedrang gebracht of verstoord; S De verplichte procedure inzake openbaarmaking werd niet naar behoren gevolgd daar deze niet werd uitgevoerd waardoor evenzo geen vergunning kan worden verleend; Overwegende dat het eigendom, bebouwd met een gerestaureerde hoeve, grenst aan een gemeenteweg; Overwegende dat de aanvraag voorziet in het regulariseren van een privézwembad in openlucht bij een particuliere woning; dat het zwembad beperkte afmetingen heeft, namelijk 4m50x9m00; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen op 27 november 2000 heeft meegedeeld het ongunstig standpunt met betrekking tot de aanvraag te handhaven; Overwegende dat de gemeente werd verzocht de aanvraag openbaar te maken, zoals vereist volgens de regels, vermeld in het besluit van 5 mei 2000 van de Vlaamse regering betreffende de openbare onderzoeken over de aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen; dat het gemeentebestuur op 20 maart 2002 heeft meegedeeld dat het vereiste openbaar onderzoek werd gehouden en dat geen bezwaren werden ingediend; Overwegende dat het terrein volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, in een strook parkgebied van 600mx90m tussen woongebied en industriegebied is gelegen; dat dit gebied in zijn staat moet bewaard worden of bestemd is om zo te worden ingericht dat het, in het al dan niet verstedelijkte gebied, zijn sociale functie kan vervullen; dat de aanvraag strijdig is met de planologische bestemming; Overwegende dat het decreet van 13 juli 2001 tot wijziging van het decreet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke X-11.123-3/7 ordening, op 13 augustus 2001 van kracht is geworden; dat dit decreet de rechtszekerheid regelt inzake vergunde woningen en gebouwen die gelegen zijn buiten de geëigende bestemmingszone; Overwegende dat de beroepen beoordeeld dienen te worden volgens de op het tijdstip van de beslissing geldende reglementering; Overwegende dat artikel 145bis van het voormelde decreet bepaalt dat de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor, onder meer, het uitbreiden van een bestaande vergunde woning in parkgebied op voorwaarde dat deze uitbreiding, met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leidt tot een maximaal bouwvolume van 850 m³ nuttige ruimte en de uitbreiding de 100 % volumevermeerdering niet overschrijdt; dat tevens aan de overige in dit artikel, onder § 1, 9 de lid, opgesomde voorwaarden dient te worden voldaan; dat het zwembad geen fysisch geheel vormt met de hoeve en bezwaarlijk als een uitbreiding bij de woning kan worden beschouwd; dat de aanvraag niet ressorteert onder de toepassing van de in voormeld artikel voorziene uitzonderingsbepalingen; Overwegende dat de inrichting voorzien wordt bij een gerestaureerde hoeve die om reden van de volkskundige waarde als monument - en de onmiddellijke omgeving als dorpsgezicht - beschermd is bij koninklijk besluit van 11 januari 1979; dat het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, monumenten en landschappen, op 27 mei 2002 het inrichten van een zwembad binnen de grachten van een historische site uit het oogpunt van monumentenzorg niet heeft toegelaten om reden dat dit weinig passend is; dat artikel 111, § 5 van het decreet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, bepaalt dat het voormelde advies bindend is als het negatief is of voorwaarden oplegt; dat het beroep niet kan worden ingewilligd”.
- Gegrondheid van het beroep 2.
- Het derde middel 2.1.
- Het aangevoerde derde middel In het derde middel voert de verzoeker de schending aan van “artikel 14§3 van het decreet van 16.04.1996 en de verplichting tot motivering van bestuurshandelingen”. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Vermits de betrokken site bescherming geniet, moet de aanvraag verplicht voorgelegd worden aan de dienst monumenten en landschappen. Het advies was negatief, maar niet afdoende gemotiveerd, alleszins niet gelet op het feit dat tijdens de restauratie van de hoeve er geen opmerkingen gemaakt werden door dezelfde afdeling omtrent het zwembad. Bovendien is de bestreden beslissing behept met onjuiste feitenvinding waar voorgehouden wordt dat op de plaats van het zwembad voorheen geen enkele constructie was, terwijl ter plaatse een mestput aanwezig was”. X-11.123-4/7 2.1.
- Beoordeling van het derde middel 2.1.2.
- Het middel bekritiseert de volgende overweging van het bestreden besluit: “Overwegende dat de inrichting voorzien wordt bij een gerestaureerde hoeve die om reden van de volkskundige waarde als monument - en de onmiddellijke omgeving als dorpsgezicht - beschermd is bij koninklijk besluit van 11 januari 1979; dat het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, monumenten en landschappen, op 27 mei 2002 het inrichten van een zwembad binnen de grachten van een historische site uit het oogpunt van monumentenzorg niet heeft toegelaten om reden dat dit weinig passend is; dat artikel 111 § 5 van het decreet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, bepaalt dat het voormelde advies bindend is als het negatief is of voorwaarden oplegt; dat het beroep niet kan worden ingewilligd”. 2.1.2.
- Artikel 111, § 5 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, luidt als volgt: “Voor de volgende aanvragen worden steeds adviezen ingewonnen, die bindend zijn, voor zover ze negatief zijn of voorwaarden opleggen : (...) 3/ (...) aanvragen gelegen in (...) definitief beschermde (...) dorpsgezichten (...), zoals bedoeld in de wetgeving tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (...), worden voor advies voorgelegd aan de administratie, bevoegd voor de monumenten en landschappen”. 2.1.2.
- De opmerking van de verzoeker als zou het bestuur Monumenten en Landschappen tijdens de restauratie van de hoeve geen opmerkingen hebben gemaakt omtrent het zwembad, heeft geen betrekking op het advies van 27 mei 2002 zodat daaruit onmogelijk kan blijken dat dit advies niet afdoende gemotiveerd zou zijn. In het voormelde advies wordt uitdrukkelijk ingegaan op de voormalige mestput. De bewering van de verzoeker als zou in het bestreden besluit worden voorgehouden dat er “op de plaats van het zwembad voorheen geen enkele constructie was”, mist feitelijke grondslag. Aangezien de verzoeker er niet in slaagt de onwettigheid aan te tonen van het bindend negatief advies van 27 mei 2002, moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat krachtens artikel 111, § 5 DRO de vergunning moest worden geweigerd. 2.1.2.
- Het derde middel is niet gegrond. X-11.123-5/7 2.
- Het eerste en het tweede middel 2.2.
- Het aangevoerde eerste en tweede middel In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 14.4.4 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. In het tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 145bis DRO. 2.2.
- Beoordeling van het eerste en het tweede middel Bij de beoordeling van het derde middel is gebleken dat de verwerende partij er op grond van artikel 111, § 5 DRO toe gehouden was de vergunning te weigeren. In dat licht zijn de overwegingen van het bestreden besluit die in het eerste en het tweede middel worden bekritiseerd overtollige motieven. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. Noch het eerste, noch het tweede middel kan tot de vernietiging leiden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-11.123-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.123-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div