id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.896 Rolnummer: A. 190693/IX-6150 Zaak: Arrest 188896 - Penitentiair recht - 17/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-22 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 10:47 Fiche Arrest nr 188.896 van 17 december 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.896 van 17 december 2008 in de zaak A. 190.693/IX-
- In zake : Yves BERTEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. LANGEROCK, kantoor houdende te SINT-KRUIS (BRUGGE), Dampoortstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Yves BERTEN op 14 december 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel d.d. 12 december 2008, uitgaande van de directie van de gevangenis te Brugge”; Gelet op de beschikking van 15 december 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2008, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LANGEROCK, die verschijnt voor de verzoeker en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6150-1/8 Gehoord adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008 in zijn andersluidend advies; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker is opgesloten in de strafinrichting te Brugge. Op 8 december 2008 wordt tijdens een celcontrole bij hem een gsm gevonden. Die vaststelling leidt tot het instellen van een tuchtprocedure. Op de hoorzitting, gehouden op 10 december 2008, geeft de verzoeker de feiten toe. Hij verklaart dat de gsm is binnengekomen via een personeelslid. Dezelfde dag neemt de directeur van de gevangenis (R.V.) een beslissing, waarin hij overweegt dat de verklaring van de verzoeker een nader onderzoek vergt. Gelet op de toezegging van de verzoeker om daaraan zijn volle medewerking te verlenen, besluit de directeur als volgt: “Binnen de 14 dagen zal de medewerking van betrokkene in het onderzoek geëvalueerd worden en bij negatieve evaluatie leiden tot het opleggen van een tuchtstraf.” Op 12 december 2008 wordt de verzoeker opnieuw gehoord, ditmaal in het kader van de mogelijke toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel. De directeur (J.V.) deelt aan de verzoeker mee dat deze “omtrent de herkomst van [de bij hem gevonden] gsm lasterlijke beschuldigingen [verspreidt] ten aanzien van een personeelslid, zowel naar gedetineerden als naar andere personeelsleden toe”. Volgens de directeur brengt de verzoeker “met dergelijk opruiend gedrag t.a.v. het personeel [...] de goede orde in de inrichting ernstig in het gedrang”. Hierop antwoordt de verzoeker dat hem door directeur R.V. was beloofd dat er geen tuchtstraf zou worden uitgesproken indien hij zijn medewerking aan het onderzoek zou verlenen. De verzoeker heeft zijn medewerking verleend. Hij heeft zelfs meer informatie gegeven dan gevraagd, door mee te delen dat er nog andere gsm’s zijn binnengesmokkeld, via het binnenhuisbezoek. IX-6150-2/8 Eveneens op 12 december 2008 wordt tegen de verzoeker de thans bestreden “beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel” genomen. De beslissing verwijst naar de artikelen 110, 112 en 113 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden en merkt volgende elementen aan die “ernstige aanwijzingen vormen van een gevaar voor de orde”: “Bij betrokkene werd een gsm aangetroffen op cel. Hij verspreidt omtrent de herkomst van deze gsm lasterlijke beschuldigingen ten aanzien van een personeelslid en dit zowel naar medegedetineerden als andere personeelsleden toe. Dergelijk opruiend gedrag brengt de orde in de inrichting ernstig in het gedrang”. De bijzondere maatregel behelst de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten (geen gemeenschappelijke wandeling, geen deelname aan sport, arbeid, gemeenschappelijke eredienst, gemeenschappelijke vormings- of ontspanningsactiviteiten), telefoonverbod, uitgezonderd met zijn advocaat en met de ombudsman, en bezoek achter glas. Aan de verzoeker wordt ook een verplicht verblijf op zijn cel opgelegd. De maatregel is van toepassing voor een duur van zeven dagen, die een aanvang neemt op 12 december 2008 en eindigt op 18 december
- Rechtsmacht van de Raad van State 2.
- Ter terechtzitting werpt de verwerende partij een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op, afgeleid uit het feit dat het gaat om een ordemaatregel. 2.
- De verzoeker antwoordt dat de bestreden maatregel niet een gewone ordemaatregel is, maar een bijzondere veiligheidsmaatregel, en dat een dergelijke maatregel wel vatbaar is voor een vordering tot schorsing bij de Raad van State. Hij wijst er ook op dat het bericht waarmee de maatregel hem ter kennis is gebracht uitdrukkelijk het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing bij de Raad van State als rechtsmiddelen vermeldt. 2.
- Zoals de Raad van State in zijn arrest nr.169.637, A. Sekkaki, van 31 maart 2007 heeft overwogen, “komen [niet] voor vernietiging door de Raad van State in aanmerking, de maatregelen die weliswaar zekere ongemakken of onaangenaamheden kunnen meebrengen doch die de directeur neemt met het oog IX-6150-3/8 op de goede werking van en de goede orde in de strafinrichting, in zoverre die maatregelen uitsluitend of hoofdzakelijk zijn ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, tenzij wanneer de maatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt een gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen”. Zoals ook de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn arrest nr. 116.899, W. De Smedt, van 11 maart 2003 reeds overwoog, dient er bijgevolg, met betrekking tot de rechtsmacht van de Raad van State, een onderscheid gemaakt te worden tussen een ordemaatregel, die louter de goede werking van het gevangeniswezen beoogt en in essentie ingegeven is door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, en een tuchtmaatregel, die tot doel heeft de gedetineerde te bestraffen voor een tekortkoming. Te dezen dient de bestreden beslissing zich aan als een “bijzondere veiligheidsmaatregel” als bedoeld in artikel 110, § 1, van de voornoemde basiswet van 12 januari
- Die wetsbepaling luidt als volgt: “§
- Onverminderd de door de Koning te bepalen algemene veiligheids- voorschriften, kan de directeur, wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid, ten aanzien van een gedetineerde bijzondere veiligheidsmaatregelen bevelen. De bijzondere veiligheidsmaatregel moet evenredig zijn aan de bedreiging en van die aard zijn dat hij ze verhelpt.” Weliswaar wordt de bestreden beslissing formeel gesteund op het feit dat het gedrag van de verzoeker een gevaar is voor de orde in de gevangenis. Uit de hiervóór aangehaalde motivering van de bestreden beslissing blijkt evenwel dat de directeur dat gedrag kwalificeert als het verspreiden van “lasterlijke beschuldigingen”. Hij vindt het gedrag van de verzoeker ook “opruiend”. Gelet op de aldus gebruikte bewoordingen, lijkt de directeur in feite een straf te willen opleggen aan de verzoeker, wegens een gedraging die hij onaanvaardbaar vindt. In de huidige stand van het geding zijn er in elk geval voldoende aanwijzingen om voorlopig aan te nemen dat de bestreden beslissing geen loutere ordemaatregel inhoudt. De exceptie kan dan ook niet aangenomen worden. Onderzoek van de vordering IX-6150-4/8
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 12 december 2008, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde maatregel ook met ingang van die dag uitwerking heeft. De verzoeker heeft met een op zondag 14 december 2008 per fax verstuurd verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. 5.
- De verzoeker roept onder meer een tweede middel in, waarin hij de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker verwijt aan de bestreden beslissing dat ze steunt op het feit dat hij lasterlijke beschuldigingen ten aanzien van een personeelslid verspreidt en op het feit dat dergelijk gedrag opruiend is. Hiertegen voert hij aan dat hij aan directeur R.V. de naam van het personeelslid genoemd heeft, maar dat uit niets blijkt dat hij een lasterlijke beschuldiging zou hebben geuit of dat hij een opruiend gedrag zou hebben aangenomen. 5.
- Ter zitting merkt de verwerende partij op dat de directeur de feiten heeft vastgesteld, en dat de verzoeker zich ertoe beperkt het bestaan van die feiten te betwisten. Volgens de verwerende partij kon de directeur wettig vaststellen dat de verzoeker bepaalde geruchten verspreidde. IX-6150-5/8 5.
- Zoals het middel is geformuleerd, lijkt de verzoeker een schending van de materiële motiveringsplicht in te roepen, in die zin dat de bestreden beslissing zou steunen op feiten waarvan het bestaan niet voldoende uit het dossier blijkt. Te dezen blijkt uit de gegevens van het dossier dat de directeur van de gevangenis (R.V.) op 10 december 2008 het opleggen van een eventuele tuchtstraf gedurende 14 dagen heeft opgeschort, met de uitdrukkelijke bedoeling om de verzoeker de gelegenheid te geven zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek naar de herkomst van de bij hem gevonden gsm. De verzoeker is aldus als het ware uitgenodigd om namen kenbaar te maken. Uit zijn latere verhoor, op 12 december 2008, door een andere directeur (J.V.), blijkt dat hij, in het kader van de medewerking die van hem verwacht werd, de naam van een personeelslid genoemd heeft. Uit het dossier blijkt niet dat de aldus door de verzoeker gegeven informatie onjuist is. Evenmin kan uit het dossier worden afgeleid in welke omstandigheden de verzoeker zijn beschuldigingen geuit heeft. De bestreden beslissing overweegt enkel dat de verzoeker “lasterlijke beschuldigingen ten aanzien van een personeelslid” heeft geuit, “zowel naar medegedetineerden als andere personeelsleden toe”. Nu vaststaat dat de verzoeker door de directie is uitgenodigd om mee te werken aan het onderzoek, kan de vaststelling dat de verzoeker “lasterlijke” beschuldigingen heeft verspreid niet afgeleid worden uit de enkele vaststelling dat de verzoeker een naam heeft genoemd. De gegevens van het dossier, zoals dit aan de Raad van State is voorgelegd, lijken aldus geen steun te bieden voor de vaststelling waarvan de bestreden beslissing uitgaat. Het middel is ernstig.
- Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker aan dat de bestreden maatregel zijn rechten in sterke en onherstelbare mate beperkt. Sinds 1 oktober 2004 is hem geen tuchtstraf opgelegd. Hij ervaart de bijzondere veiligheidsmaatregelen als moeilijk te dragen. Ze leiden tot “totale isolatie”. De bestreden beslissing brengt mee dat de verzoeker wordt uitgesloten van deelname aan een aantal gemeenschappelijke of individuele activiteiten. Ook het contact met personen van buiten de gevangenis wordt beperkt. De bijzondere veiligheidsmaatregel wordt volgens de bestreden beslissing opgelegd IX-6150-6/8 voor zeven dagen, maar uit artikel 112, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 volgt dat ze verlengd kan worden, tot driemaal toe. Ook al heeft de opgelegde maatregel niet tot gevolg dat de verzoeker daardoor in “totale isolatie” wordt gebracht, toch maakt hij aannemelijk dat het gaat om een maatregel die, zeker in het geval van een gedetineerde die sinds 1 oktober 2004 geen tuchtstraf heeft opgelopen, een ernstig nadeel oplevert. Gelet op de aard van de genomen maatregel, gaat het bovendien om een nadeel dat moeilijk te herstellen is.
- Er is voldaan aan de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Brugge van 12 december 2008 waarbij aan Yves BERTEN een bijzondere veiligheidsmaatregel wordt opgelegd. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6150-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 december 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6150-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.896 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.683 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.