id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.915 Rolnummer: A. 109544/X-10532 Zaak: Arrest 188915 - Monumenten en Landschappen - 17/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-05 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 10:51 Fiche Arrest nr 188.915 van 17 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.915 van 17 december 2008 in de zaak A. 109.544/X-10.
- In zake : Ghislanus LACROIX, die woonplaats kiest bij advocaat F. DELOFFER, kantoor houdende te 3570 ALKEN, Hoogdorpstraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat O. ONGHENA, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ghislanus LACROIX op 27 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 juni 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken houdende bescherming als monument van de hoeve aan de Grootstraat 133 te Alken, en bescherming als dorpsgezicht van de onmiddellijke omgeving van die hoeve; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 25 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2008; X-10.532-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. GILLARD, die loco advocaat F. DELOFFER verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat N. LUCAS, die loco advocaat O. ONGHENA verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van adjunct auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- FEITEN 1.
- De verzoeker is mede-eigenaar van een hoeve te Alken aan de Grootstraat 133, en van twee aangrenzende percelen nrs. 279/d en 288/f. 1.
- In een nota van 6 september 2000 stelt het bestuur Momunenten en Landschappen voor om de hoeve omwille van zijn historische, meer bepaald architectuur-historische waarde als monument en de omgevende percelen omwille van hun historische waarde als dorpsgezicht te beschermen. 1.
- Op 17 oktober 2000 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport om de bovenvermelde hoeve als monument en de omgevende percelen als dorpsgezicht op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van dat voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brieven van 9 november 2000 onder meer naar de verzoeker en de betrokken besturen verstuurd. Het besluit wordt tevens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 januari
- 1.
- De ingediende bezwaren en adviezen worden besproken in een verslag van het bestuur Monumenten en Landschappen van 12 februari
- X-10.532-2/7 “Na kennisname van de opmerkingen en bezwaren, waarbij zij de bespreking ervan door de bestuursentiteit Monumenten en Landschappen tot de hare maakt”, brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest (hierna : KCML) op 1 maart 2001 een advies uit. 1.
- Op 14 juni 2001 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken om de bovenvermelde hoeve als monument en de onmiddellijke omgeving van die hoeve als dorpsgezicht te beschermen. In dat besluit is het volgende bepaald : “(...) Art. 2 De historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde van het monument wordt als volgt omschreven: 19de eeuws hoevecomplex bestaande uit twee evenwijdige vleugels met rechthoekig erf. Het woonhuis dateert uit het begin van de 19de eeuw met uitbreiding van ca
- Dwarsschuur, inrijpoort en stallingen zijn te situeren in de tweede helft van de 19de eeuw tot ca
- Gebouwen in traditioneel stijl- en regelwerk met gekalkte lemen vullingen. De historische waarde van het dorpsgezicht wordt als volgt omschreven : integrerend deel van de hoeve dat reeds sinds de oorsprong bij het hoevecomplex behoorde. Art.
- Met het oog op de bescherming zijn van toepassing: A. De beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten (Belgisch Staatsblad 10 maart 1994)”. Dit is het bestreden besluit.
- ONTVANKELIJKHEID 2.
- De verwerende partij werpt op dat de verzoeker zijn belang om een annulatieberoep in te stellen “verwerkt” heeft door geen bezwaar in te dienen tegen het ontwerp van lijst. Voorts stelt de verwerende partij dat de verzoeker geen belang heeft bij het ingediende beroep omdat het bestreden besluit hem geen nadeel zou toebrengen. De verwerende partij beperkt zich in de laatste memorie na het auditoraatsverslag waarin wordt voorgesteld om de exceptie te verwerpen, tot de vraag om het annulatieberoep onontvankelijk te verklaren. X-10.532-3/7 2.
- De verzoeker heeft als mede-eigenaar van het onroerend goed dat het voorwerp is van het bestreden beschermingsbesluit, een voldoende belang om de nietigverklaring ervan te vorderen. Met de verzoeker moet worden vastgesteld dat het indienen van een bezwaar in de voorafgaande beschermingsprocedure geen ontvankelijkheidsvoorwaarde is voor het indienen van een annulatieberoep tegen het definitieve beschermingsbesluit, en dat het bestreden besluit griefhoudend is aangezien het een weerslag heeft op de uitoefening van het eigendomsrecht. De exceptie wordt verworpen.
- TEN GRONDE 3.1.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 7, 8 en 9 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna : het monumentendecreet). De verzoeker betoogt dat niet werd voldaan aan de voorschriften die bepalen dat enerzijds bij de betekening van het bestreden besluit “als bijlage een plan met de nauwkeurige aflijning van het beschermde gebied” moet worden gevoegd en anderzijds het bestreden besluit “de bijzondere beperkingen (moet vermelden) die met het oog op de vrijwaring van de wezenlijke kenmerken van het beschermde monument, stads- en dorpsgezicht aan het eigendomsrecht worden gesteld”. De verzoeker stelt dat bij de betekening geen enkel plan was gevoegd en dat “de summiere verwijzing naar de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17.11.1993 (...) niet (kan) volstaan”. 3.1.
- Artikel 8, § 1 van het monumentendecreet bepaalt dat het besluit houdende bescherming als monument en/of stads- of dorpsgezicht betekend wordt aan onder meer de eigenaar. Artikel 8, § 2 van hetzelfde decreet bepaalt dat het besluit tot bescherming van een stads- of dorpsgezicht als bijlage een plan bevat met de nauwkeurige aflijning van het beschermde gebied. 3.1.
- Uit het administratief dossier blijkt dat het bestreden besluit tot bescherming van het dorpsgezicht als bijlage een plan bevat met de nauwkeurige aflijning van het beschermde gebied, zijnde de percelen met de nummers 279/b en 288/f zoals vermeld in de bestreden akte zelf. Het is niet aangetoond dat de betekening van het bestreden besluit aan de verzoeker is gepaard gegaan met de betekening aan hem van die bijlage bij dat besluit. Deze onregelmatigheid bij de kennisgeving van het bestreden besluit is evenwel zonder gevolg wat de wettigheid van het besluit zelf betreft. X-10.532-4/7 Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond. 3.1.
- De voorschriften vervat in het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten zijn principieel van rechtswege van toepassing op een voorlopig of definitief beschermd monument of stads- of dorpsgezicht. Artikel 1 van dit besluit, met als rechtsgrond artikel 5, §§ 3 en 4, en artikel 11, § 1, van het monumentendecreet, bepaalt immers dat dit besluit van toepassing is op onder meer de monumenten en de stads- en dorpsgezichten die met toepassing van het monumentendecreet definitief beschermd zijn, en dat de voorschriften van dit besluit slechts van toepassing zijn voor zover zij niet afwijken van de specifieke voorschriften bepaald in het definitieve beschermingsbesluit. Dit besluit van de Vlaamse regering legt aldus verplichtingen op die gelden voor alle beschermde monumenten, zelfs indien deze niet uitdrukkelijk in het beschermingsbesluit zelf zijn vermeld. In het bestreden besluit werden geen specifieke voorschriften opgenomen. Daar er geen bijzondere beperkingen worden opgelegd, is de verwijzing door de verzoeker naar artikel 8, § 2, van het monumentendecreet irrelevant. Het tweede onderdeel van het middel is ongegrond. 3.2.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). De verzoeker betoogt dat in het bestreden besluit wordt verzuimd te “antwoorden op de ingebrachte bezwaren” en op de “in (het advies van de gemeente Alken) opgeworpen bezwaren”, een “eenvoudig verwijzen naar het advies van de (KCML) niet van dien aard (is) om te beantwoorden aan de vereisten van een formele motiveringsverplichting”, “het eenvoudig verwijzen naar de vermoedelijke tijdsperiode waar de gebouwen zijn opgetrokken, (...) onvoldoende (is) om het begrip monument en meer in het bijzonder de historische waarde ervan aan te tonen”, en dat de omschrijving van het beschermde dorpsgezicht evenmin afdoende wordt gemotiveerd. 3.2.
- Uit zijn uiteenzetting volgt dat de verzoeker de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet aanvoert. Anders dan de verwerende partij aanneemt, is het middel derhalve duidelijk wat de opgave van de geschonden geachte wetsbepalingen betreft. De exceptie van de verwerende partij dat de X-10.532-5/7 verzoeker geen belang heeft bij het middel wordt ook verworpen omdat het geen enkele reden opgeeft om tot dat besluit te komen. 3.2.
- Wanneer de overheid een onroerend goed als monument of als stad- of dorpsgezicht beschermt moet zij, om te voldoen aan de door de motiveringswet opgelegde formele motiveringsverplichting, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden waarop het is gesteund. Het is niet vereist dat in het besluit zelf de bezwaren en opmerkingen worden beantwoord die tijdens de voorafgaande procedure, met name tijdens het openbaar onderzoek, werden ingediend. Het volstaat dat het besluit opgeeft om welke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde goed van algemeen belang is. Het bestreden ministerieel besluit vermeldt in concreto de motieven waarom de betrokken onroerende goederen omwille van het algemeen belang, gevormd door de architectuur-historische waarde als monument van de gebouwen van de hoeve en door de historische waarde als dorpsgezicht van de onmiddellijke omgeving van de boerderij, worden beschermd. Het besluit treedt hiermee het advies van de KCML integraal bij. De omschrijving van de architectuurhistorische waarde van de gebouwen van de hoeve beperkt zich niet, zoals de verzoeker meent, tot een loutere verwijzing naar de periode waarin deze werden opgericht. Het omvat tevens een door de verzoeker niet betwiste omschrijving van het gehele complex en van de architecturale kenmerken ervan. Anders dan de verzoeker stelt, toont het niet betwiste feit dat het beschermde dorpsgezicht “integrerend deel (is) van de hoeve dat reeds sinds de oorsprong bij het hoevecomplex behoorde” de in het bestreden besluit aangenomen historische waarde ervan aan en geldt het zodoende als een afdoende motivering. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.532-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatrsaad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.532-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.915 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div