id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.918 Rolnummer: A. 106395/X-10403 Zaak: Arrest 188918 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 10:52 Fiche Arrest nr 188.918 van 17 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.918 van 17 december 2008 in de zaak A. 106.395/X-10.
- In zake : Karla VUYTS, die woonplaats kiest bij advocaat L. HILLEN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 283, bus 19 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karla VUYTS op 25 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 inzake het behoud van gemeentelijke plannen van aanleg die dateren van vóór de inwerkingtreding van de vaststelling van het gewestplan of een gewestplanwijziging in het plannenregister van de gemeente Liedekerke; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 8 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekster; Gelet op de beschikking van 30 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2008; X-10.403-1/11 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat L. HILLEN verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- De verzoekster is eigenares en bewoonster van een woning, gelegen aan de Molenstraat 6 te Liedekerke, kadastraal bekend sectie A, nr. 508/d
- Het perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in woongebied. Het perceel is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Centrum”, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 5 juni
- 1.
- In zitting van 29 juni 2000 beslist de gemeenteraad van Liedekerke, in uitvoering van het bepaalde in de artikelen 172 en 190 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, een voorstel te sturen naar de gewestelijke planologische ambtenaar waarin een aantal gemeentelijke plannen van aanleg worden aangegeven die de gemeenteraad niet wenst te behouden in het toekomstige gemeentelijke plannenregister. 1.
- Op 1 februari 2001 brengt de gewestelijke planologische ambtenaar advies uit over het voorstel van de gemeente. In het advies wordt het door de gemeenteraad geformuleerde voorstel gereproduceerd. X-10.403-2/11 1.
- Op 23 februari 2001 neemt de Vlaamse regering het bestreden besluit inzake het behoud van gemeentelijke plannen van aanleg die dateren van vóór de inwerkingtreding van de vaststelling van het gewestplan of een gewestplanwijziging in het plannenregister van de gemeente Liedekerke, waarin onder meer bepaald wordt dat het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Centrum”, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 5 juni 1957 en deels gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 januari 1964, niet behouden wordt in het plannenregister van de gemeente.
- Ontvankelijkheid van het beroep 2.
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij het volgende op met betrekking tot de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep: “4.
- De verzoekende partij lijkt haar persoonlijk belang te steunen op het feit dat door de bestreden beslissing een planologisch kader zal ontstaan op grond waarvan wegeniswerken aan de Paardeputweg kunnen worden uitgevoerd, terwijl deze werken niet kunnen worden vergund na toetsing aan het BPA ‘Centrum’. Deze wegeniswerken zouden de onteigening van een stukje grond van de verzoekende partij tot gevolg hebben. De verwerende partij merkt op dat het belang van de verzoekende partij vreemd is aan de bestreden beslissing. Een onteigening voor wegeniswerken heeft een andere finaliteit dan een verval van een BPA. De verzoekende partij zal in ieder geval een beroep tot nietigverklaring kunnen instellen tegen een eventuele onteigeningsbeslissing. 4.
- De verzoekende partij vordert in de aanhef van haar verzoekschrift de nietigverklaring van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 inzake het behoud van gemeentelijke plannen van aanleg die dateren van voor de inwerkingtreding van de vaststelling van het gewestplan of een gewestplanwijziging van de gemeente Liedekerke. In haar uiteenzetting van de feiten stelt zij uitdrukkelijk dat de Vlaamse regering op 23 februari 2001 heeft beslist om het BPA ‘Centrum’ niet te behouden in het plannenregister van de gemeente Liedekerke, en voegt hieraan toe dat dit besluit het voorwerp is van huidig annulatieverzoek. Zodoende geeft zij zelf aan haar beroep tot nietigverklaring te beperken tot de beslissing om het BPA nr. 1 ‘Centrum’, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 5 juni 1957 en deels gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 14 januari 1964, niet te behouden in het plannenregister van de gemeente Liedekerke. De beslissing om de BPA’s nr. 2 ‘Saldoplan’, nr. 7 ‘Industriële wijk’, nr. 8 ‘Molenstraat’, nr. 9 ‘Valier’, en nr. 10 ‘Nieuwe Wijk’ niet te behouden in het plannenregister wordt derhalve uitgesloten van het beroep tot nietigverklaring. 4.
- De verwerende partij meent dat het belang van de verzoekende partij bij de nietigverklaring van de beslissing om het BPA nr. 1 ‘Centrum’ niet te behouden in het plannenregister, beperkt blijft tot de percelen waar zij woont c.q. onteigend zou worden”. X-10.403-3/11 2.
- De verzoekster reageert als volgt in de memorie van wederantwoord: “Verwerende partij meent dat het belang van verzoekende partij beperkt zou zijn tot het feit dat wegeniswerken zouden kunnen worden uitgevoerd aan de Paardeputweg door het verdwijnen van het BPA nr. 1 ‘Centrum’, die niet zouden kunnen worden uitgevoerd indien getoetst aan het planologisch kader van het betreffende BPA. Verwerende partij geeft hier een heel enge interpretatie weer van het belang dat verzoekende partij heeft geschetst in haar verzoekschrift tot nietigverklaring. Zoals reeds uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring, is het belang van verzoekende partij bij het behoud van het BPA nr. ‘Centrum’, veel ruimer dan dat. Immers, door de beslissing om het betrokken BPA niet meer te behouden in het plannenregister, valt de specifieke rechtsbescherming weg die wordt geboden door het BPA (zoals bij voorbeeld het maximum volume en de geringe bouwdiepte op hoekpercelen hetgeen de zoninval op alle percelen verzekert en de tuinzone die het groene en landelijk karakter van de directe omgeving van de woningen waarborgt...), te meer daar er nog geen alternatief voorhanden is. Dit leidt tot een (onaanvaardbare) leemte in het planologisch kader en bijgevolg in de bescherming op stedenbouwkundig vlak. Net zoals elke eigenaar/bewoner van een goed gelegen binnen het grondgebied van een BPA een belang heeft om tegen de goedkeuring/wijziging van het BPA een verzoek tot nietigverklaring in te dienen, heeft dezelfde eigenaar/bewoner evenzeer een belang bij de nietigverklaring van de beslissing tot het niet behouden van dit BPA. Het gaat immers om het rechtskader dat wordt gecreëerd, gewijzigd of opgeheven en de consequenties daarvan voor de eigen woning en tuin en het rustig woongenot. De verwijzing naar de beslissing van de gemeente Liedekerke om de Paardeputweg om te vormen tot een volwaardige verkeersweg, diende enkel om er op te wijzen dat het nadeel dat ontstaat door het verdwijnen van het planologisch kader van het BPA, wel degelijk reëel is omdat door de ontstane lacune in de bescherming van de goede ruimtelijke ordening, werken mogelijk worden waartegen weinig verhaal mogelijk is, terwijl het BPA anders wel een duidelijke rechtsgrond was geweest op basis waarvan men bezwaren kunnen worden geformuleerd tegen dergelijke werken. De verwerende partij betwist dat de verzoekende partij een belang zou hebben bij de vernietiging van het volledige besluit. Volgens de verwerende partij is het belang van de verzoekende partij beperkt tot een gedeeltelijke vernietiging van het BPA, met name in zoverre het besluit het bewuste BPA nr 1 niet behoudt. Dit standpunt kan niet gevolgd worden. Luidens artikel 172 van het DRO worden de BPA’s die dateren van voor de inwerkingtreding van het gewestplan, niet behouden in het plannenregister, tenzij dit uitdrukkelijk zo werd beslist door de Vlaamse Regering. De niet-geselecteerde BPA’s vervallen op de dag van de publicatie van dit besluit. Door de publicatie van een besluit van de Vlaamse Regering tot behoud van de BPA’s die dateren van voor de inwerkingtreding van het gewestplan, vervallen meteen alle BPA’s die er niet in staan opgenomen. Een gedeeltelijk besluit is dus niet mogelijk. Indien het bestreden besluit dus gedeeltelijk wordt vernietigd, heeft dit tot gevolg dat het besluit minstens gedeeltelijk blijft bestaan, en vanaf publicatie van rechtswege het verval van alle oude BPA’s die niet in dit gedeeltelijk besluit zijn behouden met zich meebrengt. X-10.403-4/11 De verzoekende partij heeft dus wel degelijk een belang bij de volledige vernietiging van het bestreden besluit. Verwerende partij meent zelfs te kunnen afleiden dat het belang van verzoekende partij bij de nietigverklaring van de beslissing om het BPA nr. 1 ‘Centrum’ niet te behouden in het plannenregister, beperkt blijft tot de percelen waar zij woont. Dit is helemaal een te enge opvatting van het belang van verzoekende partij. Immers, een BPA bevat concrete voorschriften waaraan toegelaten constructies en activiteiten moeten voldoen. Vandaar is het niet alleen een rechtskader waaraan bouwwerken op het eigen perceel worden getoetst, maar eveneens een toetsingskader voor bouwwerken op naburige percelen. Op grond van de duidelijke voorschriften van het BPA, kan men zich verzetten tegen bouwwerken op naburige percelen die niet voldoen aan deze voorschriften en daardoor een overmatige hinder vormen en de goede ruimtelijke ordening schaden. Zoals reeds uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring heeft verzoekende partij in het verleden reeds tot tweemaal toe (en met succes) een bouwvergunning met betrekking tot een naburig perceel aangevochten wegens strijdigheid met de voorschriften met het BPA omdat ze door de geplande bouwwerken een ongeoorloofd nadeel zou lijden. Het belang van verzoekende partij is dus veel ruimer dan hetgeen verwerende partij veronderstelt. Verzoekende partij heeft belang bij het behoud van het BPA nr.1 ‘Centrum’ als planologisch kader dat rechtsbescherming biedt tegen ongeoorloofde werken teneinde haar rustig woongenot te vrijwaren. Bijgevolg dient het verzoekschrift tot nietigverklaring van het bestreden besluit ontvankelijk te worden verklaard”. In haar laatste memorie stelt de verzoekster nog het volgende: “De verzoekende partij kan zich echter niet volledig aansluiten bij de stelling als zou zij enkel belang hebben voor zover het B.P.A. Centrum niet in het plannenregister behouden werd. In de veronderstelling dat uw Raad de bestreden beslissing enkel zou vernietigen voor wat betreft het B.P.A. Centrum, zal men nadien moeten vaststellen dat de bestreden beslissing blijft bestaan voor alle andere B.P.A.’s. Voor deze B.P.A.’s bestaat er bijgevolg een beslissing van de Vlaamse regering met betrekking tot het behoud van de B.P.A.’s in het plannenregister, die tot gevolg heeft dat alle andere B.P.A.’s van voor het gewestplan van rechtswege opgeheven zijn. Als de verwerende partij daarop niets onderneemt, blijft de nietigverklaring beperkt tot het BPA Centrum, zonder praktisch gevolg. Uit de aard van deze regeling vloeit voort dat de Vlaamse Regering haar beoordelingsmacht niet mag opsplitsen. Zij moet in één beslissing uitspraak doen over de B.P.A.’s die zij behouden wenst te zien in het plannenregister, en vanaf de publicatie van die beslissing vervallen alle andere B.P.A.’s. Een algehele nietigverklaring voorkomt dat er een rechtstoestand blijft bestaan die t.a.v. het B.P.A. Centrum een opheffing inhoudt. Zolang er geen nieuwe beslissing na algehele nietigverklaring is genomen kan er niet geconcludeerd worden tot behoud van welbepaalde B.P.A.’s en opheffing van de andere. Derhalve kan de vernietiging niet beperkt blijven tot het niet behouden van het B.P.A. Centrum”. X-10.403-5/11 2.3.
- De verwerende partij kan niet gevolgd worden waar zij stelt dat de verzoekster niet aantoont dat zij enig nadeel zou ondervinden van het niet behouden van het bijzonder plan van aanleg “Centrum” en dat ze haar belangen nog steeds zou kunnen laten gelden in het kader van een eventuele latere onteigeningsprocedure. Zoals de verzoekster terecht opwerpt, doet haar belang bij het behoud van het bijzonder plan van aanleg zich ruimer voor dan louter het bestrijden van de voorgenomen werken aan de buurtweg. Als eigenares en bewoonster van een perceel dat onder de toepassing viel van het bijzonder plan van aanleg “Centrum”, doet de verzoekster blijken van het vereiste belang om de nietigverklaring van de opheffing van dit plan te vorderen. Dit plan vormde het kader waaraan het verkrijgen van een -voor de verzoekster mogelijks ongunstige- stedenbouwkundige vergunning moest worden getoetst. Ten gevolge van de opheffing van dit plan valt met het dwingende toetsingskader voor de vergunningverlenende overheid de specifieke rechtsbescherming geboden door het bijzonder plan van aanleg weg. Om dezelfde reden is het onjuist te stellen dat het belang van de verzoekster beperkt zou zijn tot de percelen waar zij woont. 2.3.
- De verzoekster doet niet blijken van een belang bij het behoud van de andere betrokken gemeentelijke plannen van aanleg waarvan het bestreden besluit bepaalt dat ze niet behouden worden. De beslissing omtrent het al dan niet behouden van het bijzonder plan van aanleg dat de verzoekster aanbelangt, is afsplitsbaar van de beslissing met betrekking tot de andere gemeentelijke plannen van aanleg, zodat een gedeeltelijke vernietiging van het besluit mogelijk is. De verwerende partij dient, na vernietiging van het bestreden besluit, rekening houdend met de overwegingen die de Raad van State tot de vernietiging hebben doen besluiten, opnieuw te oordelen over het al dan niet behouden van het bedoelde bijzonder plan van aanleg. Het beroep is bijgevolg slechts ontvankelijk in zoverre de bestreden beslissing van de Vlaamse regering uitspraak doet over het behoud van het bijzonder plan van aanleg “Centrum”.
- Gegrondheid van het beroep 3.
- In een derde middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 190 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de X-10.403-6/11 ruimtelijke ordening (hierna: DRO) en het algemeen beginsel van de materiële motiveringsplicht. Ze zet dit middel uiteen als volgt: “Doordat het bestreden besluit het voorstel van de gemeenteraad van Liedekerke om het BPA ‘Centrum’ niet te behouden, zonder enige motivatie volgt terwijl manifest duidelijk is dat de motivatie van de gemeente om het BPA ‘Centrum’ niet te behouden, onvolledig en onjuist is. En doordat de gewestelijk planologische ambtenaar zijn advies formuleert zonder enige motivering of toetsing van de motivering van de gemeente Liedekerke. Terwijl artikel 190 van het decreet bepaalt dat iedere gemeenteraad binnen de 90 dagen na inwerkingtreding van het decreet een gemotiveerd voorstel moet sturen naar de planologische ambtenaar waarin hij aangeeft of de gemeente de gemeentelijke plannen van aanleg die dateren van voor het gewestplan, al dan niet, geheel of gedeeltelijk, wenst te behouden in het plannenregister; dat de gewestelijke planologische ambtenaar een advies uitbrengt aan de Vlaamse regering en de Vlaamse regering beslist welke plannen of delen van plannen behouden worden in het plannenregister. Dat dergelijke reglementaire bestuurshandeling onderworpen is aan het algemeen beginsel van materiële motiveringsplicht. TOELICHTING Reglementaire bestuurshandelingen moeten in regel niet formeel gemotiveerd zijn, tenzij verplicht door wet, decreet of ordonnantie (de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is niet van toepassing is op reglementaire bestuurshandelingen doch enkel op bestuurshandelingen met individuele strekking). Reglementaire bestuurshandelingen blijven evenwel onderworpen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de materiële motiveringsplicht. Dergelijke reglementaire handelingen moeten dus in elk geval inhoudelijk gemotiveerd zijn, wat wil zeggen dat in het administratief dossier de feitelijke en juridische motieven moeten zitten die de beslissing dragen. In casu motiveert de gemeenteraad haar voorstel om het BPA ‘Centrum’ niet te behouden op de zogenaamde strijdigheid met het gewestplan van bepaalde delen, de conflicten met de actuele toestand en het voorzien van intussen achterhaalde functies. De motivering van de gemeenteraad is gebaseerd op de motivatienota van 14 juni 2000, opgemaakt door de afdeling ruimtelijke ordening van de gemeentelijke technische dienst. Met betrekking tot het BPA ‘Centrum’ stelt deze motivatienota het volgende: ‘BESPREKING VAN DE ACTUELE RELEVANTIE
- Verschillende zones binnen het BPA worden door het gewestplan voorzien als natuurgebied. Het betreft hier: - een deel van het park en het gebouw van RVT Sint-Rafaël - een deel van de tuinstrook achter de Gaston Mertensstraat - de eerste woning tegen de Oude Dender langs de Kasteelstraat
- De rooilijnen van de Heuvelkouterweg worden met 8m tussenafstand voorzien. Er is echter een toekomstige aanleg gewenst met een straatbreedte van 10 meter, zodat de nieuw aan te leggen straat kan uitgerust worden met een fietspad en groenvoorzieningen.
- De rooilijnen van de Beysstraat worden met 8m tussenafstand voorzien. Er is echter een toekomstige aanleg gewenst met een straatbreedte van 10 meter, zodat de nieuw aan te leggen straat kan uitgerust worden met een fietspad en groenvoorzieningen. X-10.403-7/11
- De rooilijnen van de Muurweg worden met 8m tussenafstand voorzien. Er is echter een toekomstige aanleg gewenst met een straatbreedte van 10 meter, zodat de nieuw aan te leggen straat kan uitgerust worden met een fietspad en groenvoorzieningen.
- Over het ganse gebied van het BPA worden verschillende stroken voor bioscoopzalen,vergaderruimten en andere grootschalige ontwikkelingen voorzien in de als tuin gebruikte binnengebieden. Gezien het landelijk karakter van de gemeente Liedekerke en het huidig gebruik, kan met zekerheid gezegd worden dat deze nooit meer zullen gerealiseerd worden.
- Het oud kerkhof dat op het BPA staat aangeduid rond de Sint- Niklaaskerk is reeds geruime tijd volledig verdwenen.
- De voetweg nr. 84 die op BPA staat aangegeven bestaat juridisch niet meer.
- De strook voor dubbele bestemming langs de Poortstraat is op het gewestplan ingekleurd als agrarisch gebied. Ze grenst tevens aan de Oude Dender. Deze zone is volledig bebouwd langs de Poortstraat met gegroepeerde woongebouwen, en dus niet enkel met half-open woningen. Er zijn ook geen andere functies gerealiseerd.
- De rooilijnen in de Opperstraat liggen zeer ver achteruit. Dit houdt in dat bijna alle gebouwen in de wegzate staan.
- De woonstroken binnen het plan werden 100% gerealiseerd.
- Hoek Warandestraat - Steinfurtdreef Deze zone wordt op BPA gereserveerd als woonzone met tuinen. Op gewestplan wordt deze zone voorzien als zone voor dienstverlening. Er werd een verkaveling afgeleverd voor de inwerkingtreding van het gewestplan. Er werd een bouwvergunning afgeleverd voor de aanleg van de parking van het gemeentehuis. De bibliotheek werd aanpalend aangelegd. De zone staat bijna volledig ten dienste van het openbaar nut/dienstverlening.
- De hoek Warandestraat - Gaston Mertensstraat is openbaar domein op BPA maar is woonzone op het gewestplan.
- Aan de Opperstraat en de Stationsstraat voorziet het gewestplan een bredere strook bewoning. Dit houdt in dat een groot deel van de parkzone van de Sint-Niklaaskerk in de woonstrook gelegen is. CONCLUSIE: Gezien de strijdigheid met de gewestplan van bepaalde delen, de conflicten met de actuele toestand, en het voorzien van intussen achterhaalde functies, is het wenselijk het Bijzonder Plan van Aanleg nr. 1 Centrum met bijhorende plannen en voorschriften niet langer te behouden’. De motivering van de gemeente Liedekerke is gebaseerd op deze motivatienota. Deze motivering vormt echter een flagrante schending op de materiële motiveringsplicht aangezien de motivatie onvoldoende en niet juist is. Zo stelt de gemeente dat het BPA ‘Centrum’ voor bepaalde delen strijdig zou zijn met bet Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. De gemeente geeft dus zelf toe dat dit slechts voor enkele delen van bet BPA het geval zou zijn. Tegenstrijdigheid tussen het BPA en het Gewestplan is enkel duidelijk vast te stellen voor twee beperkte zones van het BPA. De zone hoek Warandestraat en Steinfurtdreef (...) waar de bestemming in het gewestplan voor die zone dienstverlening is terwijl de bestemming in het BPA woonzone met tuinen betreft. De werkelijke situatie is volledig conform de bestemming Gewestplan: gemeentehuis, bibliotheek. X-10.403-8/11 De zone hoek Warandestraat en Gaston Mertensstraat (...) is volgens het BPA openbaar domein maar is op het Gewestplan ingekleurd als woonzone. Voor andere zones waar vergeleken wordt met de bestemming van het Gewestplan, gaat het niet om tegenstrijdigheid tussen het BPA en het Gewestplan, maar om een tegenstrijdigheid tussen de bestemming in het Gewestplan en de actuele werkelijke situatie (...). Er wordt dus niet gesproken over een tegenstrijdigheid tussen het BPA en het Gewestplan, zodat dit argument voor deze zones niet opgaat. Voor alle andere motieven die worden aangehaald in de Motivatienota, wordt gewezen op tegenstrijdigheid tussen de bestemming en voorschriften in het BPA en de werkelijke situatie. In sommige gevallen wordt daarop gewezen om te stellen dat daardoor de bestemming of de voorschriften niet meer realiseerbaar zouden zijn geworden. In dit geval kan men inderdaad stellen dat het BPA op die punten achterhaald is. Dit is bijvoorbeeld het geval inzake de stroken voor bioscoopzalen, vergaderruimten en andere grootschalige ontwikkelingen die niet realiseerbaar zijn gelet op het landelijk karakter van de gemeente Liedekerke (...), of voor het kerkhof rond de Sint- Niklaaskerk (...). In andere gevallen wordt daarop gewezen om te stellen dat er toekomstige plannen zijn die op basis van de bestaande voorschriften van het BPA niet realiseerbaar zouden zijn (...). In dit geval echter stelt zich de vraag hoe concreet deze toekomstige plannen reeds zijn en of het BPA volledig zou moeten worden afgeschaft om de plannen te kunnen realiseren. Tenslotte zijn er nog enkele motieven, die niet aangeven waarom daarvoor het BPA zou moeten vervallen, zoals het feit dat de woonstroken binnen het plan 100% werden gerealiseerd of het feit dat de voetweg nr. 84 die op het BPA staat aangegeven juridisch niet meer bestaat. In elk geval is duidelijk dat de aangehaalde motieven, die telkens op zich betrekking hebben op een welbepaalde strook of zone van het BPA, onvoldoende zijn om het verval van het volledige BPA te motiveren. De motieven die te maken hebben met conflicten van het BPA met de actuele toestand, kunnen niet ingeroepen worden om het BPA te doen vervallen. Immers, indien de werkelijke situatie afwijkt van het BPA, kan dit er enkel op wijzen dat de gemeente zelf beslissingen heeft genomen in strijd met de voorschriften van het BPA. De motieven die te maken hebben met toekomstige plannen, kunnen al helemaal niet ingeroepen worden om het BPA te doen vervallen omdat (i) deze plannen nog verre van concreet zijn en (ii) de toekomstvisie nog moet worden vastgelegd in een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Enkel de motieven die wijzen op strijdigheid met het gewestplan (slechts voor twee stroken) of die wijzen op bepaalde bestemmingen die intussen achterhaald zouden zijn en niet meer zullen worden gerealiseerd (ook slechts twee zones), kunnen in aanmerking komen. Slechts voor deze delen van het BPA ‘Centrum’, bestaat er een geldige reden om deze te laten vervallen. Dit verantwoordt echter in het geval van het BPA ‘Centrum’ niet dat het BPA volledig zou moeten vervallen. Noch het advies van de gewestelijke planologische ambtenaar, noch het bestreden besluit bevatten een eigen motivatie omtrent het behoud of de noodzaak tot verval van het BPA ‘Centrum’ en er wordt ook niet aangegeven of de planologische ambtenaar en de Vlaamse regering de motivatie van de gemeente Liedekerke onderschrijven en tot de hunne maken. Dit betekent dat er schending is van de materiële motiveringsplicht en dat het middel gegrond is”. X-10.403-9/11 3.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij nogmaals dat de verzoekster hoogstens belang bij het middel kan hebben “voor wat betreft het gedeelte waar zij woont c.q. zou worden onteigend”, dat een motivering ingevolge artikel 190 DRO slechts vereist is indien van het gemeentelijk voorstel wordt afgeweken en dat voor het overige de motieven van de gemeenteraadsbeslissing niet kennelijk onjuist zijn. 3.3.
- Wat het belang van de verzoekster bij het middel betreft, kan verwezen worden naar hetgeen werd uiteengezet onder 2.3.1 en 2.3.
- 3.3.
- Niettegenstaande het toentertijd geldende artikel 190, tweede lid DRO enkel voorschreef dat de beslissing van de Vlaamse regering gemotiveerd moet zijn indien ze afwijkt van het voorstel van de gemeente, dient dergelijk besluit, zoals elke administratieve beslissing, te zijn gesteund op wettelijke en feitelijk aanneembare gronden die, zoniet uit de beslissing zelf, dan toch uit het dossier van de zaak blijken. De toepassselijke decretale regeling impliceert dat eerst de gewestelijke planologische ambtenaar, in zijn advies, en vervolgens de regering, in het raam van haar goedkeuringsopdracht, het voorstel van de gemeenteraad inhoudelijk beoordeelden. Zowel de gewestelijke planologische ambtenaar in zijn advies, als de Vlaamse regering in het eindbesluit, hebben niets anders gedaan dan louter te verwijzen naar het voorstel van de gemeenteraad. Zij hebben zich de motivering van dit voorstel zelfs niet eigen gemaakt. Nog minder blijken zij dit voorstel inhoudelijk te hebben onderzocht en beoordeeld. De argumentatie die de verwerende partij in de memorie van antwoord nog aanbrengt, vermag het ontbreken van een afdoende en overtuigende motivering in het bestreden besluit of in de stukken van het administratief dossier niet meer te verhelpen. Het middel is in die mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 inzake het behoud van gemeentelijke plannen van aanleg die X-10.403-10/11 dateren van vóór de inwerkingtreding van de vaststelling van het gewestplan of een gewestplanwijziging in het plannenregister van de gemeente Liedekerke, in zoverre het betrekking heeft op het bijzonder plan van aanleg nr.
- “Centrum”. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien december 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, de H. J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van de heer J. BOVIN, staatsraad, verhinderd wegens ziekte na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.403-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div