← België

Arrest 188948 - Natuurbehoud - Vergunningen - 18/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.948 Rolnummer: A. 119091/VII-26285 Zaak: Arrest 188948 - Natuurbehoud - Vergunningen - 18/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 11:09 Fiche Arrest nr 188.948 van 18 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.948 van 18 december 2008 in de zaak A. 119.091/VII-26.

  1. In zake : de BVBA SARA LEE KNIT PRODUCTS EUROPE, die woonplaats kiest bij advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA SARA LEE KNIT PRODUCTS EUROPE op 3 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Milieuvergunningen van 1 februari 2002 waarbij het administratief beroep van de verzoekende partij tegen de aanmaning door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 17 december 2001 onontvankelijk wordt bevonden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 21 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-26.285-1/6 Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GOOSSENAERTS die, loco advocaat B. MARTENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij gebruikt twee loodsen aan de Skaldenstraat in Gent, op een terrein dat eigendom is van het Havenbedrijf Gent, en dat in concessie is gegeven aan een vennootschap die zelf weer een concessie- overeenkomst heeft gesloten met een rechtsvoorganger van de verzoekende partij. 1.
  5. Naar aanleiding van de voorgenomen overdracht van het gebruik van de loodsen, wordt een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. 1.
  6. Op 6 september 2001 laat de verzoekende partij aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) weten tot overdracht te willen overgaan, en ze bezorgt daarbij het oriënterend bodemonderzoek. VII-26.285-2/6 1.
  7. Met een aangetekende brief van 5 oktober 2001 maant OVAM de verzoekende partij aan een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. 1.
  8. Met een brief van 5 november 2001 laat de verzoekende partij weten dat ze meent niet saneringsplichtig te zijn. 1.
  9. Met een brief van 17 december 2001, door de verzoekende partij ontvangen op 18 december 2001, laat OVAM weten dat zij dit standpunt verwerpt. 1.
  10. De verzoekende partij dient bij brief, gedateerd 16 januari 2002, een administratief beroep in, door afgifte tegen ontvangstbewijs. In het administratief dossier draagt de brief de door de afdeling Milieuvergunningen gestempelde ontvangstdatum 18 januari
  11. De verzoekende partij legt een ontvangstbewijs voor, gestempeld door "Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, afdeling Logistiek, Graaf de Ferraris- gebouw, Koning Albert II-laan 20, bus 2, 1000 Brussel", en met handgeschreven vermelding "ontvangen 17.1.2002, M. Allegaert". 1.
  12. Met een brief van 1 februari 2002 laat de verwerende partij weten, door aan te kruisen op een standaardformulier : "(...) Dit beroep is onontvankelijk bevonden omdat: (...) het niet is ingediend binnen de reglementaire termijn van 30 dagen; (...)". Dit is de bestreden beslissing;
  13. Ten gronde 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals van het "materieel motiveringsbeginsel", het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel; dat zij het middel als volgt formuleert : "Doordat, het bestreden besluit formeel niet gemotiveerd is; het bestreden besluit geen enkele juridische overweging opneemt; het bestreden besluit op geen enkele wijze motiveert, noch verduidelijkt waarom het beroep niet zou zijn ingediend binnen de reglementaire termijn van 30 dagen, het niet VII-26.285-3/6 zorgvuldig is om geen rechtsgrond voor het besluit te vermelden; dergelijke zwaarwichtige beslissing genomen wordt zonder feitelijke motivering. Terwijl, de formele motiveringsplicht voorschrijft dat eenzijdige bestuurshandelingen met een individuele draagwijdte die uitgaan van een bestuur uitdrukkelijk de juridische en feitelijke overwegingen moeten weergeven op basis waarvan het uiteindelijke besluit genomen werd, het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de overheid haar beslissing zorgvuldig voorbereidt en neemt; het evenredigheidsbeginsel vereist dat de motivering in verhouding staat tot het belang van de beslissing. Zodat, de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen evenals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden heeft"; Overwegende dat de verzoekende partij er in de toelichting op wijst dat de bestreden beslissing uit slechts twee zinnen bestaat en noch de juridische, noch de feitelijke overwegingen bevat die eraan ten grondslag liggen; 2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende betoogt : "In casu bepaalt het Bodemsaneringsdecreet en daarmee samenhangend het Vlarebo duidelijk de vorm en de inhoud van de beslissing die door de overheid moet worden genomen. Artikel 23 Bodemsaneringsdecreet voorziet dat het beroepschrift aan bepaalde vormvereisten dient te voldoen, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Zo dient uitdrukkelijk melding te worden gemaakt van artikel 23 Bodemsaneringsdecreet, tevens dient aan het beroepschrift een eensluidend verklaard afschrift van de bestreden beslissing van de OVAM te worden gevoegd. Artikel 37 lid 2 Vlarebo bepaalt concreet dat 'de afdeling Milieu- vergunningen van de administratie Milieu, Land en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur het beroep en zijn bijlagen op hun ontvankelijkheid onderzoekt'. De toepasselijke regelgeving laat aldus geen beoordelingsruimte voor de overheid, zij is gebonden aan de in het Bodemsaneringsdecreet bepaalde voorwaarden. (...) Uit de parlementaire voorbereiding van de Wet Motivering Bestuurs- handelingen blijkt dat bij een gebonden bevoegdheid een verwijzing naar de feitelijke toestand die de toepassing van de regel uitlokt volstaat. Uw Raad bevestigde deze zienswijze in diverse arresten. De overheid diende in casu de betrokken regelgeving toe te passen. Het volstond dan ook in het bestreden besluit te stellen dat het beroep onontvankelijk is bevonden omdat het niet is ingediend binnen de reglementaire termijn van 30 dagen. (...) De overheid nam op grond van haar gebonden bevoegdheid de bestreden beslissing. Het middel van de schending van de Wet Motivering Bestuurshandelingen dient dan ook als niet nuttig van de hand te worden gewezen. Immers, de betrokkene heeft geen belang bij een vernietiging wegens een schending van de Formele Motivering Bestuurshandelingen, gezien ook zonder deze beweerde doch onbewezen schending het resultaat hetzelfde zou zijn, namelijk inhoudelijk dezelfde beslissing"; VII-26.285-4/6 2.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij als volgt repliceert : "De verwerende partij kan geenszins gevolgd worden in haar uiteenzetting over de gebonden bevoegdheid van de overheid en de te nemen beslissing. In het kader van de ontvankelijkheid wordt immers enkel bepaald dat moet worden nagegaan of in het beroepschrift duidelijk de rechtsgrond vermeld wordt op basis waarvan het beroep werd ingediend en of een eensluidend afschrift van de aangevochten beslissing als bijlage gevoegd was. Aan beide voorwaarden was in casu voldaan. (...) De beslissing die de afdeling Milieuvergunning thans genomen heeft, met name dat het beroep onontvankelijk is omdat het niet binnen de reglementaire termijn van dertig dagen werd ingesteld, is geenszins voorzien in het Bodemsaneringsdecreet, noch in het Vlarebo. Als dusdanig kan er dan ook van een gebonden bevoegdheid helemaal geen sprake zijn. Bijgevolg kan ook de loutere vermelding van de feiten geenszins volstaan als motivering van de beslissing. Er is wel degelijk een schending van de formele motiveringsplicht omdat geenszins blijkt met welke feitelijke gegevens de afdeling Milieuvergunning rekening gehouden heeft bij de beoordeling van haar beslissing. Evenmin wordt verduidelijkt waarom het beroep niet (...) ingediend zou zijn binnen de reglementaire termijn van 30 dagen. (...)"; 2.
  17. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de aangetekende zending ter betekening van de beslissing van OVAM op 17 december 2001 aan De Post werd afgegeven en op 18 december 2001 door de verzoekende partij werd ontvangen; dat de verwerende partij ook niet tegenspreekt dat het administratief beroep op 17 januari 2002 tegen ontvangstbewijs werd afgegeven aan haar administratie; Overwegende dat artikel 23, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering bepaalt : "Het beroep dient aan de Vlaamse Regering te worden betekend of afgegeven tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de betekening van de beslissing van OVAM"; Overwegende dat in de bestreden beslissing de genoemde data niet terug te vinden zijn; dat het dan ook onduidelijk is of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of er niet verkeerdelijk is gekeken naar de datum die op de beroepsakte werd aangebracht de dag na de aangifte, na het intern doorsturen naar de bevoegde ambtenaar; dat vastgesteld wordt dat de aangetekende zending ontvangen is op 18 december 2001, en dat het beroep werd afgegeven tegen ontvangstbewijs op 17 januari 2002, dus binnen 30 dagen; dat het tweede middel gegrond is, VII-26.285-5/6 BESLUIT: Artikel
  18. Vernietigd wordt het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Milieuvergunningen van 1 februari 2002 waarbij het administratief beroep van de BVBA SARA LEE KNIT PRODUCTS EUROPE tegen de aanmaning door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 17 december 2001 onont- vankelijk wordt bevonden. Artikel
  19. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien december tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-26.285-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.