id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.949 Rolnummer: A. 120453/VII-26502 Zaak: Arrest 188949 - Natuurbehoud - Vergunningen - 18/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 11:09 Fiche Arrest nr 188.949 van 18 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.949 van 18 december 2008 in de zaak A. 120.453/VII-26.
- In zake : de NV TRANSPORT GEBROEDERS DE BOCK, die woonplaats kiest bij advocaat V. DE DONDER, kantoor houdende te DENDERMONDE, Sint-Gillislaan 36 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Kolonel Dusartplein 34, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV TRANSPORT GEBROE- DERS DE BOCK op 29 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 25 februari 2002 waarbij haar beroep tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) van 5 november 2001, waarbij deze beslist dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij conform de bepalingen van artikel 31 van het bodemsaneringsdecreet niet verplicht is om tot bodemsanering over te gaan, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 110.974 van 3 oktober 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; VII-26.502-1/5 Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 november 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. SIMENON die, loco advocaat M. VANDEPUT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij exploiteert een bedrijf voor internationaal transport, met een honderdtal vrachtwagens. Zij heeft sinds 1990 een terrein in concessie, gelegen aan Luithagen in het Antwerpse havengebied. In 1980 was de concessie door de oprichter van de verzoekende partij overgenomen van een failliet bedrijf. 1.
- Eind 1996 bezorgt de verzoekende partij aan OVAM het verslag van een bodemonderzoek. Op 18 mei 1998 bezorgt zij een aanvullend bodemonder- zoek, ter gelijkstelling met een oriënterend bodemonderzoek. VII-26.502-2/5 Er wordt verontreiniging vastgesteld door minerale olie, benzeen, arseen en tolueen, in de nabijheid van een nog gebruikte en twee niet meer gebruikte ondergrondse opslagtanks en een brandstofverdeelpomp. 1.
- Op 1 oktober 1998 laat OVAM weten van oordeel te zijn dat er ernstige aanwijzingen zijn dat het perceel is aangetast door een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt. 1.
- Op 24 november 1998 bezorgt de verzoekende partij aan OVAM een verslag betreffende de reeds genomen maatregelen. Zij kondigt tevens aan zich desgevallend te zullen beroepen op het zogenaamde statuut van onschuldig bezitter. 1.
- Op 15 januari 1999 laat OVAM aan de verzoekende partij weten aan de Vlaamse regering te zullen voorstellen het perceel in te schrijven op de lijst van historisch verontreinigde gronden. 1.
- Op 22 juni 2001 wordt aan de verzoekende partij het ministerieel besluit van 8 juni 2001 betekend waarbij het perceel, bij toepassing van artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdrecreet), wordt aangeduid als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. 1.
- Op 8 augustus 2001 maant OVAM de verzoekende partij aan om over te gaan tot bodemsanering, bij toepassing van artikel 31, § 1, van het bodemsaneringsdecreet. Het voorstel van beschrijvend bodemonderzoek moet worden bezorgd vóór 24 september
- 1.
- Op 28 augustus 2001 laat de verzoekende partij weten zich te beroepen op het zogenaamde statuut van onschuldig bezitter overeenkomstig artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet. 1.
- Op 5 november 2001 beslist OVAM dat de verzoekende partij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, § 2 of § 3, van het bodemsanerings- decreet. VII-26.502-3/5 1.
- De verzoekende partij tekent hiertegen administratief beroep aan. Bij de thans bestreden beslissing van 25 februari 2002 wordt het beroep verworpen. Dit is de bestreden beslissing;
- Ten gronde 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie aanvoert dat hangende het geding door haar een beschrijvend bodemonderzoek is uitgevoerd op het desbetreffende perceel, waarvan OVAM op 25 november 2003 de resultaten mocht ontvangen, dat dit beschrijvend bodemonderzoek op 9 januari 2004 conform is verklaard aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet, dat zij hiervan op de hoogte werd gesteld bij een beslissing van 13 januari 2004, dat OVAM hierbij heeft gesteld wat volgt : "- Er wordt historische verontreiniging aangetroffen met minerale olie in het vaste deel van de bodem. De verontreiniging van het grondwater met minerale olie en BTEX waarvan in 1996 nog sprake was, werd niet opnieuw vastgesteld. Hierbij heeft natuurlijke attenuatie (afbraak en verdunning) een rol gespeeld; - De verontreiniging is mogelijks het gevolg van een lekkage in de tankinfrastructuur in het verleden; - De verontreiniging met minerale olie in het vaste deel van de aarde vormt geen ernstige bedreiging; - Naar schatting is 103 m2 grond verontreinigd door minerale olie boven de 80% van de bodemsaneringsnorm voor bodembestemmingstype V; - Het perceel dient opgenomen te worden in het register van verontreinigde gronden; - Globaal gezien wordt dan ook gesteld dat er geen saneringsnoodzaak is op het terrein. Op het kadastrale perceel met volgende kadastrale gegevens: Gemeentenr. 11817, afdeling: ANTWERPEN 17 AFD, sectie: F, perceelnr.: 0635 E, is er gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult, geen sprake van een historische bodemverontreining, die een ernstige bedreiging vormt. Er zijn geen verdere maatregelen noodzakelijk"; dat de verzoekende partij aldus van mening is dat OVAM beslist heeft dat zij niet gehouden is tot bodemsanering over te gaan, zodat de bestreden beslissing is vervangen door de nieuwe beslissing van OVAM van 13 januari 2004 en dat zij geen belang meer heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat zij wel stelt dat de kosten van de procedure dienen te worden verhaald op de verwerende partij, aangezien er in deze zaak een nieuwe beslissing van het bestuur is tussengekomen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er terecht op wijst dat zij geen belang meer heeft bij een gebeurlijke vernietiging van de door haar bestreden beslissing; dat de vaststelling van OVAM dat de kwestieuze percelen niet belast zijn VII-26.502-4/5 met historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt, het bestrijden van het besluit van 25 februari 2002 inderdaad nutteloos maakt; dat het beschrijvend bodemonderzoek dat geleid heeft tot de beslissing van OVAM van 13 januari 2004 uitgevoerd is als een gevolg van de aanvankelijke beslissing van OVAM en dat dit beschrijvend bodemonderzoek nadien heeft uitgewezen dat er "geen sprake (is) van een historische bodemverontreiniging, die een ernstige bedreiging vormt"; dat aldus wat de verzoekende partij aanvankelijk betwist heeft, uitvoering heeft gekend, zodat de kosten ten haren laste moeten blijven, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien december tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-26.502-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.949 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.110.974 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div