id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.981 Rolnummer: A. 78623/IX-1176 Zaak: Arrest 188981 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-26 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 11:18 Fiche Arrest nr 188.981 van 18 december 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Afstand Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.981 van 18 december 2008 in de zaak A. 78.623/IX-
- In zake : Hugo DEBRUYNE, wonende te WESTROZEBEKE, Bataviaweg 4 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hugo Debruyne op 15 mei 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de besluiten van 15 januari 1998 van de Secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij Lutgarde Vandebosch en Rosita Voet bevorderd worden tot hoofdassistent; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 8 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1176-1/8 Gelet op de beschikking van 26 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van advocaat P.J. STAELENS, die loco advocaat B. STAELENS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Op het ogenblik van de bestreden besluiten is de verzoeker tewerkgesteld als statutair personeelslid met de graad van assistent (rang D1) op de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand van de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
- Op 29 juli 1997 richt de secretaris-generaal van het departement een oproep tot de ambtenaren die in aanmerking komen voor een bevordering tot hoofdassistent (rang D2), waarbij hen wordt meegedeeld dat een aantal betrekkingen van hoofdassistent vacant zijn. Eén van de betrekkingen is die van gegevensverwerker bij de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand, met standplaats te Brussel. Voor die betrekking stellen vijf personen hun kandidatuur, waaronder de verzoeker, Lutgarde Vandebosch en Rosita Voet. IX-1176-2/8 De kandidaturen worden op 20 en 25 november 1997 onderzocht door de departementale directieraad. Deze adviseert eenparig om Lutgarde Vandebosch en de verzoeker ex aequo als eerste kandidaat voor te dragen. Rosita Voet wordt als derde kandidaat gerangschikt. Deze voordracht wordt op 26 november 1997 aan de kandidaten ter kennis gebracht. Op 5 december 1997 dient Rosita Voet tegen de voorgestelde rangschikking bezwaar in. Zij vraagt om door de directieraad te worden gehoord. Op 23 december 1997 wordt Rosita Voet door de directieraad gehoord. De directieraad beslist daarop eenparig om een gewijzigde rangschikking op te stellen. Lutgarde Vandebosch en Rosita Voet worden nu ex aequo als eerste kandidaat gerangschikt, terwijl de verzoeker pas derde kandidaat is. Bij aangetekende brief van 24 december 1997 deelt de secretaris- generaal o.m. aan de verzoeker de gewijzigde rangschikking van de directieraad mee. Tevens laat hij weten dat hij in zijn beslissing tot bevordering die aangepaste rangschikking gevolgd heeft. Bij brieven van dezelfde dag aan Lutgarde Vandebosch en Rosita Voet deelt de secretaris-generaal voorts mee dat zij bij beslissing van 23 december 1997 bevorderd zijn. Hij kondigt aan dat een bevorderingsbesluit begin januari 1998 zal worden meegedeeld. De beslissing van de secretaris-generaal wordt geformaliseerd in twee besluiten van 15 januari 1998 waarbij Lutgarde Vandebosch en Rosita Voet worden bevorderd tot hoofdassistent, met uitwerking op 1 december
- Deze besluiten, die bij uittreksel worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 1998, vormen het voorwerp van het voorliggende beroep. Afstand van het beroep, in zoverre het gericht is tegen de bevordering van Lutgarde Vandebosch IX-1176-3/8
- In zijn memorie van wederantwoord deelt de verzoeker mee dat hij afstand van zijn beroep wenst te doen, in zoverre het gericht is tegen de benoeming van Lutgarde Vandebosch. Niets verzet zich tegen de inwilliging van die gedeeltelijke afstand. Ontvankelijkheid van het beroep, in zoverre het gericht is tegen de bevordering van Rosita Voet 3.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Waar de verzoeker in zijn verzoekschrift aanvoert dat het beroep tijdig is ingesteld aangezien het werd ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden besluiten in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, werpt de verwerende partij op dat de bestreden bevorderingen niet in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt moesten worden en dat de termijn om een beroep in te stellen derhalve is ingegaan vanaf het ogenblik waarop de verzoeker feitelijke kennis had van de bestreden bevorderingen. Zij wijst erop dat de verzoeker bij brief van 24 december 1997 van de bestreden bevorderingen in kennis werd gesteld en voert aan dat de beroepstermijn derhalve vanaf die datum een aanvang heeft genomen. De formalisering van de bevorderingsbeslissingen in twee besluiten doet volgens de verwerende partij geen afbreuk aan het feit dat de bevorderingsbeslissingen zelf eindbeslissingen waren, en de bekendmaking van de geformaliseerde besluiten in het Belgisch Staatsblad heeft voor de verzoeker geen nieuwe beroepstermijn doen lopen. De verwerende partij wijst er nog op dat de verzoeker niet kon dwalen omtrent het tijdstip waarop de beroepstermijn is ingegaan. In de brief van 24 december 1997 werd hem namelijk gewezen op de mogelijkheid om binnen de zestig dagen een beroep bij de Raad van State in te stellen. 3.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de brief van 24 december 1997 niet meer is dan de kennisgeving van een intentie om te bevorderen. Hij houdt voor dat pas op 15 januari 1998 een definitieve beslissing omtrent de bevorderingen is genomen en dat hij eerst met de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad kennis heeft gekregen van de bestreden IX-1176-4/8 bevorderingsbesluiten. Hij besluit dan ook dat hij zijn beroep wel degelijk tijdig heeft ingesteld. In zijn laatste memorie voert de verzoeker aan dat de brief van 24 december 1997 louter de bevestiging inhield van de beslissing van de directieraad om de oorspronkelijke rangschikking te wijzigen. Het gaat volgens de verzoeker dan ook om een louter administratieve maatregel die geen uitvoerbare kracht heeft, en die overigens niet werd gemotiveerd. 3.3.
- Luidens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissingen, moeten de vernietigingsberoepen worden ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden beslissing of verordening werd bekendgemaakt of betekend; indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. 3.3.
- De bestreden beslissingen tot bevordering van twee medekandidaten zijn niet van die aard dat ze aan de verzoeker betekend moesten worden. Er bestond voorts geen uitdrukkelijke verplichting om bevorderingen in betrekkingen van het niveau D in het Belgisch Staatsblad bekend te maken. De verzoeker toont ook niet aan dat er een gewoonte in die zin zou bestaan. In die omstandigheden is de beroepstermijn ingegaan met de dag waarop de verzoeker kennis heeft gekregen van de bestreden beslissingen. Uit de brieven van 24 december 1997 aan Lutgarde Vandenbosch en Rosita Voet blijkt dat de secretaris-generaal op 23 december 1997 beslist heeft om hen te bevorderen. Met een brief van 24 december 1997 heeft de secretaris- generaal de verzoeker op de hoogte gebracht van het feit dat hij de aangepaste rangschikking van de directieraad gevolgd heeft. Nu deze rangschikking bij het schrijven aan de verzoeker gevoegd is, houdt dat schrijven de mededeling in van de beslissing om Lutgarde Vandenbosch en Rosita Voet te bevorderen. 3.3.
- De verzoeker voert aan dat de brief van 24 december 1997 slechts een intentie inhoudt en dat de definitieve beslissing tot bevordering pas nadien, met de besluiten van 15 januari 1998, is genomen. IX-1176-5/8 In zijn schrijven van 24 december 1997 aan de verzoeker vermeldt de secretaris-generaal evenwel uitdrukkelijk dat hij in zijn “beslissing tot bevordering” de aangepaste rangschikking van de kandidaten door de directieraad heeft gevolgd, dat zijn “beslissing” geen definitief oordeel omtrent verzoekers capaciteiten en bekwaamheden op professioneel vlak inhoudt, en dat de verzoeker niet moet aarzelen om in te gaan op nieuwe vacatures. Nergens wekt de secretaris- generaal de indruk dat de beslissing nog genomen moet worden. De secretaris- generaal vermeldt bovendien dat de mogelijkheid bestaat om binnen de zestig dagen na de betekening van het genoemde schrijven een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging en/of een verzoek tot nietigverklaring bij de Raad van State in te dienen. Het instellen van een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring is slechts mogelijk tegen een definitieve beslissing. Uit de brief van 24 december 1997 blijkt aldus ondubbelzinnig dat het gaat om de mededeling van de beslissing tot bevordering, en niet om de mededeling van een intentie. 3.3.
- De verzoeker voert aan dat de brief van 24 december 1997 niet de motieven van de bevorderingsbeslissing bevat. Hij wijst erop dat die motieven pas vermeld worden in de benoemingsbesluiten van 15 januari
- Wat ook de relevantie van die opmerking ten aanzien van het beginpunt van de termijn moge zijn, het uittreksel van het verslag van de vergadering van de directieraad van 23 december 1997, gevoegd als bijlage bij het genoemde schrijven van 24 december 1997, bevat de motieven voor de voordracht door de directieraad. Nu de secretaris-generaal zich in zijn schrijven ertoe beperkt mee te delen dat hij de rangschikking van de directieraad gevolgd heeft, moet hij geacht worden zich die motieven van de directieraad eigen gemaakt te hebben. De opwerping van de verzoeker mist daardoor in elk geval feitelijke grondslag. 3.3.
- Uit het voorgaande volgt dat de besluiten van de secretaris- generaal van 15 januari 1998 slechts de loutere formalisering zijn van de reeds op 23 december 1997 genomen beslissing om Lutgarde Vandenbosch en Rosita Voet te bevorderen. Die formele besluiten geven geen aanleiding tot het openen van een nieuwe termijn om tegen de beslissing van 23 december 1997 op te komen. IX-1176-6/8 Nu er voorts geen verplichting bestond om de benoemingsbesluiten in het Belgisch Staatsblad bekend te maken, heeft de bekendmaking van die besluiten in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 1998 ten aanzien van de verzoeker evenmin een nieuwe beroepstermijn doen ingaan. 3.3.
- De kennisgeving van de bestreden bevordering met de voormelde brief van 24 december 1997 heeft derhalve de beroepstermijn doen ingaan. Nu het voorliggende beroep met een op 15 mei 1998 ter post aangetekend verzoekschrift is ingesteld, moet worden geconcludeerd dat het beroep is ingesteld buiten de termijn van zestig dagen. De exceptie is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De gedeeltelijke afstand van het beroep wordt ingewilligd. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-1176-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 december 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1176-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.981 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.