id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.984 Rolnummer: A. 163449/VII-34190 Zaak: Arrest 188984 - Milieuvergunningen - 18/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-09 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 11:19 Fiche Arrest nr 188.984 van 18 december 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.984 van 18 december 2008 in de zaak A. 163.449/VII-34.
- In zake : de NV TOTAL BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN en F. VINCKE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV TOTAL BELGIUM op 20 juni 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 april 2005 waarbij enerzijds haar de milieuvergunning geweigerd wordt om een door haar uitgebaat benzinestation aan de Rijnkaai 39 te Antwerpen, uit te breiden met een ondergrondse opslagtank voor LPG met een capaciteit van 17.000 liter en een LPG-pomp met een vermogen van 2,2 kW en waarbij anderzijds de aktename van de na de vergunning van de LPG-tank met verdeelpomp weg te nemen opslag van 1.000 liter propaan en/of butaan, zonder voorwerp verklaard wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-34.190-1/19 Gelet op de beschikking van 10 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij baat sinds 1988 een benzinestation uit aan de Rijnkaai 39 te Antwerpen. Oorspronkelijk beschikte deze inrichting over een LPG-verdeelinstallatie. De milieuvergunning voor de inrichting liep nog tot 18 februari
- In 2002 wenst de verzoekende partij het nodige te doen om voor 1 januari 2005 het station aan te passen aan de nieuwe voorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II). Zij vraagt oorspronkelijk een hervergunning voor de verdeling van benzine en diesel met een duur van twintig jaar, maar niet voor de LPG-installatie waarvoor zij de lopende vergunning nog wil benutten tot het aflopen ervan. Omdat de administratie de inrichting als een milieutechnische eenheid ziet waarvan alle exploitatieonderdelen voor eenzelfde termijn moeten worden vergund, en de verzoekende partij op basis van op dat moment circulerende voorstellen voor een zeer strenge normering voor LPG-installaties vreest geen hervergunning te kunnen verkrijgen, wordt er met de administratie een compromis uitgewerkt dat erin bestaat een hervergunning voor twintig jaar te verlenen voor diesel en benzine op voorwaarde dat de verzoekende partij de LPG-installatie ontmantelt. VII-34.190-2/19 Op 13 maart 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de hervergunning voor twintig jaar voor de exploitatie van het benzinestation en bepaalt daarbij als vergunningsvoorwaarde dat "de LPG-installatie (...) zal worden ontmanteld". 1.
- Nadien - volgens de verzoekende partij anno 2004 - circuleren er geruchten dat de administratie mildere normen voor de vergunning van LPG- installaties zou hanteren op basis van de veiligheidsstudies van de VZW FEBUPRO (de VZW FEDERATIE VAN BUTAAN EN PROPAAN). Deze normen, waarin een onderscheid gemaakt wordt tussen bestaande en nieuwe installaties, zouden reeds intern door de administratie toegepast worden in afwachting van hun opname in Vlarem II. De verzoekende partij stelt dat haar installatie aan de bestaande normen voldoet. Dientengevolge dient de verzoekende partij op 28 juni 2004 een milieuvergunningsaanvraag in tot "uitbreiding van de milieuvergunning ... door opname van de bestaande LPG-installatie" namelijk : - een ondergrondse opslagtank voor 17.000 liter en - een LPG-pomp van 2,2 kW. Zij vermeldt dat de bestaande installatie voldoet "aan de FEBUPRO-richtlijnen en veiligheidsafstanden LPG-stations met bovengrondse en ondergrondse LPG-tanks -Bepaling van de IR-contour van 10-5/jaar dd. mei 2003". De stad Antwerpen adviseert negatief. Ook de afdeling Milieuvergunningen (hierna : AMV) van AMINAL adviseert op 27 augustus 2004 negatief. Het advies wordt als volgt geciteerd in de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 14 oktober 2004 : "Gelet op het ongunstig advies dd. 27 augustus 2004 van de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) van de Administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (kenmerk AMV/A/04/579); op volgende elementen uit dit advies : (...) (...) Aangezien de Vlarem-aanpassingen aan het station opgestart zijn, dient gesteld te worden dat conform artikel 1 § 2 van het besluit MLAV1/02- 465 de vergunning voor de LPG-installatie vervallen is en dat de gevraagde exploitatie vergunningtechnisch als een uitbreiding dient gezien te worden, zoals ten andere ook aangevraagd door de exploitant. Dit betekent ook dat de toelaatbaarheid dient getoetst te worden aan de veiligheidsafstanden voor nieuwe ondergrondse LPG-opslagtanks (FEBUPRO-Studie). De maximale doorzet bedraagt 408.000 liter of 219 ton. In bijlage 7 van de vergunningsaanvraag gebeurde er enkel een toetsing aan de 10-5 iso-risicocontour voor bestaande LPG-stations (veiligheidsaf- VII-34.190-3/19 stand van 3 meter voor een ondergrondse houder van 17.000 1 met een LPG doorzet van ca. 219 ton). Langs de overzijde van de Dinantstraat bevindt zich een hoogbouw (kantoorgebouw met verschillende firma's), langs de overzijde van de Rijnkaai bevindt zich Hangar 26 m.o.a. een polyvalente zaal, achter de carwash is er een openluchtparking en aan de overzijde van de St.-Laureiskaai bevindt zich het Bonapartedok waar er op het ogenblik van het plaatsbezoek o.a. een hotelboot aangemeerd lag in de nabijheid van het servicestation. Alhoewel er in de onmiddellijke nabijheid geen woningen aanwezig zijn kan er binnen een straal van ca. 80 meter rond de inrichting wel een aanzienlijk aantal personen aanwezig zijn (kantoorgebouw/hangar 26/op boten in het dok) zodat voor deze specifieke locatie een toetsing aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen zeker aangewezen is, gelet op het hoog potentieel groepsrisico. Op basis van de Febupro-studie volgt dat tussen het vulpunt van het LPG- station (boven de tank gesitueerd) en de meest nabijgelegen bestaande of potentiële inrichting of tot gebouwen, andere dan woningen, niet behorende tot de te vergunnen inrichting, met regelmatige bezetting door mensen minstens een veiligheidsafstand van 44 meter vereist is. Gemeten op het kadasterplan bevindt de openluchtparking (potentiële woning) zich op 10 meter, het kantoorgebouw op ca. 48 meter en Hangar 26 op ca. 53 meter. Vlak naast de houder is er een carwash die ook als een externe inrichting dient beschouwd te worden aangezien deze vergund is op naam van een andere exploitant. Er wordt bijgevolg niet voldaan aan de vereiste minimumafstanden tot eventuele toekomstige woningen of kantoorgebouwen (zone parking) zodat er op basis van het extern risico verbonden aan het LPG station een ongunstig advies verleend wordt. (...) Hierbij dient tevens vermeld te worden dat de aanwezige ondergrondse LPG houder reeds ca. 16 jaar aanwezig is en dat in de aanvraag niet aangetoond wordt dat deze houder nog wel geschikt is voor een verdere exploitatie tot
- (...) Wanneer de vergunning voor het LPG-station geweigerd wordt kan de vergunde opslag van 1.000 1 gassen in verplaatsbare recipiënten uiteraard verder geëxploiteerd worden. (...)". De administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) adviseert gunstig. De Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna : PMVC) adviseert op haar beurt ongunstig. Zij motiveert haar standpunt als volgt : "(...) Horen van de partijen De heer D. Van Belleghem, technisch directeur van nv Total Fina Belgium, mevrouw A. De Mayer, extern milieucoördinator nv Soresma en mevrouw Gerda Peiffer van Alpha-Studieburo worden gehoord namens de exploitant. Mevrouw A. De Mayer stelt dat de exploitant tijdens de procedure in het kader van de in 2002 ingediende aanvraag tot het verder exploiteren en het veranderen door wijziging en uitbreiding van het tankstation ermee heeft ingestemd om de LPG-installatie buiten gebruik te stellen teneinde een vroegtijdige hermachti- ging voor het tankstation te kunnen verkrijgen. De exploitant wenst nu echter opnieuw de LPG-installatie te exploiteren en dus het tankstation uit te breiden met de bestaande LPG-installatie omdat intussen nieuwe richtlijnen bestaan VII-34.190-4/19 inzake veiligheidsafstanden voor LPG-stations. De Febupro-richtlijnen bepalen de iso-risicocontour (IR) voor bestaande inrichtingen op 10-
- De heer D. Van Belleghem wijst er op dat de inrichting aan dit criterium voldoet. De AMV merkt op dat de gevraagde exploitatie vergunningstechnisch als een uitbreiding dient gezien te worden, zodat getoetst dient te worden aan de veiligheidsaf- standsregel voor nieuwe inrichtingen, nl. de IR 10-
- De heer D. Van Belleghem antwoordt hierop dat, zelfs met een toetsing aan de 10-6 IR, de LPG-installatie voldoet aan de veiligheidsafstandsregels omdat er binnen een straal van 40 m geen bebouwing is. De AROHM merkt op dat het hele gebied rond de inrichting gelegen is in woongebied, en dat de nabijgelegen openluchtparking dus potentieel in aanmerking komt voor bebouwing. Op vraag van de vertegenwoordiger van het schepencollege bevestigt de heer D. Van Belleghem dat de ondergrondse houder in staal is uitgevoerd, met kathodische bescherming en veiligheidskleppen die om de 10 jaar worden vervangen. (...) (...) Milieutechnische evaluatie - Ter zitting legt AROHM een kopie van het gewestplan met betrekking tot omgeving van het tankstation voor. Dit gewestplan werd gewijzigd in functie van Masterplan voor het Eilandje en kleurt het ganse gebied in als woongebied, dus ook de openluchtparking die zich op 10 m van de inrichting bevindt. Deze openluchtparking komt dan ook potentieel in aanmerking voor bebouwing. - Zoals geargumenteerd door de AMV betreft de aanvraag een verandering door uitbreiding (de exploitant heeft ten andere de aanvraag ook zo ingediend, zie punt C. van het milieuvergunningsaanvraag en bijlage 2) en dient de LPG-installatie getoetst te worden aan IR voor nieuwe inrichtingen. Aangezien de op 10 m gelegen openluchtparking gelegen is in woongebied en dus potentieel in aanmerking komt voor bebouwing, voldoet de aanvraag niet aan de toepasselijke veiligheidsafstandsregels. De PMVC volgt bijgevolg de ongunstige adviezen van AMV en het schepencollege. De gevraagde vergunning dient te worden geweigerd". Op 14 oktober 2004 sluit de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen zich aan bij de negatieve adviezen en weigert zij de vergunning om de bestaande inrichting uit te breiden met een LPG-tank en -pomp. 1.
- De verzoekende partij tekent dan op 7 december 2004 beroep aan tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. In dit beroepschrift argumenteert zij, samengevat, wat volgt : - De bijzondere voorwaarde van het vergunningsbesluit van 13 maart 2003 zegt alleen maar dat de LPG-installatie zal worden ontmanteld maar niet dat de vergunning voor de LPG-installatie die nog liep tot 2008, wordt ingetrokken of vervallen is. De vergunning bestaat in rechte nog en is uitvoerbaar tot
- Geen bepaling van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) laat toe dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen anno 2003 de uitvoerbaarheid van een regelmatige milieuvergunning uit 1988 administratiefrechtelijk aan banden legt. VII-34.190-5/19 - Verkeerdelijk interpreteert de PMVC het gewestplan alsof de openluchtparking die op tien meter van de inrichting is gelegen voor woningbouw in aanmerking komt. Ze ligt wel in woongebied maar dergelijk gebied is krachtens het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit) niet uitsluitend bestemd voor woningbouw. Toch is de PMVC impliciet van mening dat op het parkeerterrein enkel woningbouw mogelijk is. Vermits geen enkele eigenaar van de omliggende onroerende goederen bezwaar heeft aangetekend tegen de gevraagde vergunning moet worden besloten dat de stelling dat er op het parkeerterrein wel eens woningbouw zou kunnen worden gerealiseerd van louter hypothetische aard is; alles wijst er op dat het parkeerterrein een parkeerterrein blijft. De minister zou overigens handelen in strijd met het integratiebeginsel bepaald in artikel 1.2.1, § 3, van het decreet van 5 april 2004 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid indien hij de loutere hypothese van woningbouw in aanmerking zou nemen om de vergunningsaanvraag te weigeren omdat hij alzo op een onredelijke wijze de economische belangen van de verzoekende partij zou schaden. - De installatie voor LPG bestaat sinds 1988 en is dus een bestaande installatie. De basisvergunning is nog niet vervallen en nog uitvoerbaar. Er is dan ook geen reden om de veiligheidscontour voor nieuwe inrichtingen toe te passen. Trouwens kan er enkel van een bestaande inrichting de uitbreiding of de verandering worden gevraagd. Ondergeschikt voldoet de aanvraag ook aan de iso-risicocontour (hierna : IR-contour) 10-6 vermits er zich in een straal van 40 meter rond het vulpunt geen enkele woning bevindt. Nog meer ondergeschikt kan de vergunning louter op basis van de normen niet worden geweigerd vermits deze normen geen reglementaire waarde hebben en hoogstens richtnormen zijn waarvan kan worden afgeweken. 1.
- De afdeling Natuur, de afdeling Monumenten en Landschappen en de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseren gunstig. AMV adviseert ongunstig. Zij overweegt het volgende : "Overwegende dat het beroep van de exploitant gericht is tegen het weigeren van de vergunning voor het uitbreiden van het motorbrandstoffenstation met een opslag voor LPG en een LPG-verdeelinstallatie; Overwegende dat bij de vroegtijdige hervergunning van het motorbrand- stoffenstation de exploitant zich ertoe verbonden heeft de LPG-installatie te ontmantelen bij de geplande werken voor het vernieuwen van tanks en tankpiste; dat dit een voorwaarde was om de rest van de installatie vroegtijdig te hervergunnen; dat de vroegtijdige hervergunning van de LPG-installatie niet aangevraagd was, maar dat de installatie als onderdeel van het motorbrandstof- fenstation (één milieutechnische eenheid) ook geen andere vergunningstermijn kon hebben dan de rest van het station; VII-34.190-6/19 Overwegende dat de ontmanteling van de LPG-installatie in het voorwerp van de vroegtijdige hervergunning ingeschreven is; dat de exploitant tegen deze hervergunning niet in hoger beroep gegaan is en dus met deze ontmanteling akkoord is gegaan; dat hierdoor de vergunning voor deze LPG-installatie vanaf de ontmanteling niet meer bestaat; Overwegende dat de LPG-tank op dit ogenblik nog steeds in de grond zit (en om stabiliteitsredenen zelfs moeilijk verwijderd kan worden), maar dat de verdeelinstallatie verwijderd is; dat de LPG-verdeelinstallatie nog gewerkt heeft tot de aanvang van de werken voor het vernieuwen van de tanks; Overwegende dat de exploitant in een fax van 26 februari 2003 zich bereid verklaarde de LPG-installatie volledig te zullen ontmantelen, indien de gevraagde vergunningstermijn van 20 jaar werd toegestaan; dat deze vergun- ningstermijn van 20 jaar ook werd toegestaan, dat in artikel 1, § 2 van dit vergunningsbesluit nogmaals wordt gesteld dat de LPG-installatie zal worden ontmanteld samen met de Vlarem-aanpassingen van de huidige vergunning; dat het feit dat de exploitant met deze aanvraag opnieuw vergunning vraagt voor de LPG-installatie op zich reeds een bewijs is dat de vergunning uit 1998 niet meer bestaat; dat de exploitant zich niet kan beroepen op het niet-opgeheven zijn van de vergunning om te stellen dat er nog een vergunning is; Overwegende dat voor bestaande installaties er een toetsing dient te gebeuren aan de iso-risicocontour van 10-5, zoals door de exploitant in zijn aanvraag aangegeven is; dat in dit geval er enkel de car-wash in deze iso-risicocontour ligt; dat dit niet kan aanzien worden als bewoning; dat vanuit veiligheidsoogpunt het evenwel nodig is dat de car-wash niet in gebruik is bij het leveren van LPG (de meest riskante operatie); dat in dit geval de LPG-installatie echter ontmanteld is en dus buiten gebruik gesteld; dat hierdoor voor het opnieuw in gebruik stellen en opnieuw vergunnen de toetsing aan de 10-6 risicocontour dient te gebeuren; dat in dit geval een cirkel met een straal van 44 meter rond het vulpunt dient genomen te worden; dat binnen deze cirkel de huidige openluchtparking valt, die evenwel in woongebied ligt en dus potentieel bebouwde oppervlakte is; Overwegende dat in opdracht van Febupro studies werden uitgevoerd voor de bepaling van de veiligheidsafstanden voor LPG-stations met ondergrondse en bovengrondse opslagtanks; dat uit deze studies blijkt dat de veiligheidsaf- stand inzonderheid afhangt van de grootte van de opslagtank en van de jaarlijkse LPG-omzet; dat uit deze studies verder de in acht te nemen veiligheidsafstanden kunnen worden afgeleid voor vulstations die beantwoor- den aan de gestelde standaardcriteria, te weten stations waarbij : 1/ het volume van de vaste LPG-houder varieert van 10.000 liter tot 24.500 liter; 2/ de maximale omzet per station bedraagt 500 ton LPG per jaar; 3/ de inhoud van een LPG-tankwagen bedraagt maximaal 23 ton LPG; 4/ de maximale duur van een LPG-lossing bedraagt ongeveer 20 minuten (de totale tijd dat een LPG-tankwagen in een station aanwezig is kan groter zijn gezien de operaties voor en na de lossing; deze tijd bedraagt maximaal 1 uur); voor de berekeningen wordt voor de lostijd rekening gehouden met een tijdsduur van 30 minuten (conservatieve aanname) en wordt 1 uur genomen voor de totale tijd dat een LPG-tankwagen aanwezig is; 5/ de omgeving van het LPG-station is gekenmerkt door een uniforme bevolkingsdichtheid van maximum 3.000 personen per km²; dat daarbij voor bestaande LPG-vulstations een individuele risicobenadering a rato van 10-5 toelaatbaar is terwijl voor nieuwe de streefwaarde a rato van 10-6 kan worden gehanteerd; Overwegende dat de stelling van de exploitant dat bij het opnieuw aanvragen van de vergunning voor de LPG-installatie in 2002 deze bijna zeker zou geweigerd worden kan ondersteund worden door het feit dat de studie die de VII-34.190-7/19 10-5 risicocontouren voor bestaande installaties vastlegt pas dateert van mei 2003, dus na deze vergunningsaanvraag; dat op het ogenblik van de hervergun- ning voor de rest van het benzinestation enkel de zeer strenge eisen voor nieuwe installaties vrijgegeven waren; dat echter anderzijds de exploitant door toe te stemmen in het ontmantelen van de LPG-installatie ook het verder exploiteren van deze installatie heeft opgegeven; dat deze ontmanteling dus ook het risico inhield dat de hervergunning van deze installatie problemen zou geven; Overwegende dat bij plaatsbezoek bleek dat de leveringen van LPG in het verleden steeds 's nachts plaatsvonden, om het drukke verkeer te vermijden en omdat er anders tankende wagens in de weg zouden staan; dat 's nachts de car- wash gesloten is en er in de kantoorgebouwen ook geen activiteit te verwachten is; dat de hotelboot die voor anker ligt in het Bonapartedok vooral gebruikt wordt voor feesten en activiteiten in de weekends; dat op die wijze het gevaarlijkste deel van de LPG-verdeling, namelijk het vullen van de tank door een tankwagen, plaatsheeft op een moment dat er zo goed als geen mensen in de omgeving zijn; dat dit evenwel niet kan gegarandeerd worden gezien de openluchtparking die als potentieel woongebied dient beschouwd te worden; Overwegende dat de inrichting gelegen is in een zone die volgens het 'Masterplan Eilandje' bestemd is voor hoogbouw; dat dit plan als beleidsdocu- ment werd goedgekeurd op 20 maart 2002; dat dit Masterplan Eilandje echter slechts een gemeentelijke leidraad en documentatie vormt voor de ontwikkeling van het Eilandje, maar geen juridisch tegenstelbare waarde bezit t.o.v. particuliere bouwprojecten". Op 28 februari 2005 adviseert ook de Gewestelijke Milieuver- gunningscommissie unaniem ongunstig. Zij neemt daarbij het advies van AMV woordelijk over. 1.
- Bij besluit van 18 april 2005 verwerpt de verwerende partij het beroep van de verzoekende partij en bevestigt de beroepen beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 14 oktober
- Zij neemt op haar beurt de bewoordingen van het advies van AMV en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie woordelijk over. Dit is het bestreden besluit. Het wordt op 20 april 2005 bij ter post aangetekende zending aan de verzoekende partij betekend.
- Ten gronde 2.1.
- In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 betreffende de hervorming der instellingen (hierna : BWHI), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), artikel 17 van het milieuver- gunningsdecreet, artikel 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van de artikelen 3.1.1, § 2, en 5.16.4.4.1, § 2, VII-34.190-8/19 van Vlarem II, van de materiële motiveringsverplichting en van het redelijkheidsbe- ginsel. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij de vergunning weigert op basis van een toetsing aan de IR-contour l0-6, terwijl enerzijds deze contour geen enkele reglementaire waarde heeft en dus geen rechtsgeldige grondslag kan zijn voor een weigering en anderzijds de verwerende partij de aanvraag diende te toetsen aan de sectorale afstandsregel vervat in artikel 5.16.4.4.1, § 2, van Vlarem II. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij een contour toepast die bijna 15 maal strenger is dan de reglementair bepaalde afstandsregel en dat zij dan ook concreet moest motiveren waarom de reglementaire afstandsregel niet voldoet en waarom de afstandsregel in dit geval op kennelijk onredelijke wijze verstrengd diende te worden. Dergelijke motivering ligt niet voor. Het valt ook niet in te zien op welke wijze de bescherming van mens en milieu beter zou worden gediend door de vereiste van de veiligheids- contour in geval van een bestaande installatie 15 maal minder streng te stellen dan in geval van een nieuwe inrichting. Dit onderscheid valt nog minder te begrijpen wanneer men er rekening mee houdt dat een exploitant die zijn LPG-inrichting om welke reden dan ook gedurende minder dan twee jaar niet uitbaat, de hervergunning kan aanvragen voor een bestaande inrichting en dus met toepassing van de afstandsregel van drie meter. Ten slotte is het ook strijdig met het gelijkheidsbegin- sel dat de verzoekende partij enkel de hervergunning zou kunnen aanvragen voor een nieuwe inrichting en dus met toepassing van de onredelijk strenge contour, terwijl dat niet zou gelden voor elkeen die minder dan twee jaar de exploitatie stopt, om welke reden dan ook. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij, door te stellen dat er binnen de streefwaarde van de IR-contour l0-6 een potentieel bebouwde oppervlakte ligt, niet afdoende aangeeft waarom die streefwaarde, die geen absoluut verbod inhoudt, in casu niet kan worden gehaald. 2.1.
- In haar memorie van antwoord merkt de verwerende partij voorafgaandelijk op dat de verzoekende partij, als lid van de VZW FEBUPRO, kennis heeft van de studies die deze beroepsorganisatie uitgewerkt heeft. VII-34.190-9/19 Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, stelt de verwerende partij dat het bestuur, omdat uit de praktijk bleek dat voor elke nieuwe vergunningsaanvraag een apart onderzoek naar het veiligheidsrisico diende te gebeuren, op zoek is gegaan naar een sectorale normering. Aldus heeft een erkend veiligheidsrisicodeskundige, op vraag van de VZW FEBUPRO, een veiligheidsstu- die uitgevoerd en heeft AMV op grond daarvan een ontwerp van sectorale milieuvoorwaarden uitgewerkt. Daarbij is aangenomen, enerzijds, dat de individuele risicobenadering voor nieuwe inrichtingen getoetst diende te worden aan de IR- contour 10-6 (een geografisch afgebakend gebied rondom het bedrijf waarbinnen de kans op een zwaar ongeval ingevolge het bedrijf 1 op 1 miljoen per jaar bedraagt) terwijl voor de bestaande inrichtingen de minder strenge IR-contour 10-5 (kans op een zwaar ongeval 1 op 100.000) zou gelden en, anderzijds, dat de veiligheidsafstand gemeten zou worden tussen het vulpunt van het LPG-station en de meest nabije bestaande of potentiële bewoning niet behorend tot de te vergunnen inrichting met regelmatige bezetting door mensen. De voormelde afstandsregel is als een bestuurlijke praktijk in aanmerking genomen. In ieder geval erkent de verzoekende partij in haar vergunningsaanvraag formeel dat zij voldoet aan de FEBUPRO-studie, waaruit opgemaakt mag worden dat zij die normen als wettig aanvaardt. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft en met name de vraag waarom een veiligheidsafstand van 44 meter wordt vooropgesteld, verwijst de verwerende partij naar de termen van het bestreden besluit, met name naar de toepassing van de IR-contour 10-6, omdat de bestaande LPG-installatie met de instemming van de verzoekende partij ontmanteld werd en het opnieuw opstarten derhalve neerkomt op een nieuwe uitbating. Wat het derde onderdeel van het eerste middel betreft, stelt de verwerende partij dat het bestreden besluit duidelijk aangeeft waarom de streefwaar- de van de IR-contour 10-6 niet gehaald wordt -met name de aanwezigheid, binnen een straal van 44 meter van het vulpunt, van een openluchtparking waarop potentieel gebouwd kan worden-, dat zij zorgvuldig gehandeld heeft aangezien het bestreden besluit steunt op gegevens verstrekt door de adviesinstanties en dat het redelijkheids- beginsel niet geschonden is aangezien de verwerende partij de bestaande normen logisch en correct toegepast heeft. Het bestreden besluit vermeldt voorts de concrete feiten die het bestreden besluit ondersteunen, er wordt melding gemaakt van de toegepaste rechtsregels en er wordt aangegeven waarom de toepassing van deze regels op de feitelijke gegevens tot de genomen beslissing geleid heeft. Ten slotte vindt zij in de uiteenzetting van de verzoekende partij geen argumenten die de VII-34.190-10/19 schending van artikel 84 BWHI en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kunnen staven, zodat het middel wat dat betreft niet ontvankelijk is. 2.1.
- Hierop repliceert de verzoekende partij : - een bestuurlijke praktijk kan niet primeren op het geschreven recht. De FEBUPRO- studie heeft geen reglementaire waarde. De ontwerpteksten voor de wijziging van Vlarem II, die in 2004-2005 opgemaakt zijn als gevolg van de veiligheidsstudie, en waarbij een verschillende regeling is opgenomen voor bestaande en nieuwe installaties, maken deel uit van een politiek besluitvormingsproces en deze ontwerpteksten zijn door de administratie ten onrechte als tegenstelbare regels gehanteerd; - bij ontstentenis van een reglementaire norm moet streng toegezien worden op de motivering van de getroffen beslissing. In die zin blijft de verwerende partij in gebreke een verantwoording te geven voor haar eis om een bepaalde veiligheidsperi- meter te hanteren rondom het vulpunt; - het onderscheid tussen de nieuwe en de bestaande installaties kan, in het geval van de verzoekende partij, niet redelijk verantwoord worden; - artikel 84 BWHI betreft de bekendmaking, de inwerkingtreding en het verbindend maken van reglementaire besluiten en in het middel voert zij aan dat een niet- gepubliceerde bepaling haar niet tegenstelbaar is; - in het verzoekschrift heeft zij uiteengezet dat haar aanvraag getoetst moest worden aan de bepalingen van Vlarem II en zij heeft, net als elke aanvrager van een milieuvergunning, het recht haar aanvraag getoetst te zien aan de in dat reglement vastgestelde sectorale normen. 2.1.
- In haar laatste memorie wijst de verzoekende partij er nog op dat de afstandsregel van drie meter vermeld in Vlarem II nog altijd niet aangepast is, zodat de verwerende partij daar geen beleidsregel voor in de plaats kan stellen. 2.1.
- Artikel 5.16.4.4.1, §§ 2 en 3, van Vlarem II bevatten afstands- regels waarmee het bestuur voor de vergunning van LPG-bevoorradingsstations rekening moet houden. Deze paragrafen luiden : "§
- Tussen de tankzuilen en de vulplaats enerzijds en de openbare weg en de naburige eigendommen anderzijds, dient een afstand, gemeten in horizontale projectie, te bestaan van tenminste 3 m. Deze afstand mag tot 1 m worden beperkt wanneer tussen de tankzuilen en de vulplaats enerzijds en de openbare weg, respectievelijk de naburige eigendom anderzijds, een volle, dichte en onbrandbare muur van tenminste 2,5 m hoogte is geplaatst, derwijze dat de VII-34.190-11/19 afstand tussen voornoemde elementen, in horizontale projectie omheen deze muur gemeten, tenminste 3 m bedraagt. §
- De tankzuil en vulplaats dienen daarenboven op minimum 3 m van alle vensters, deuren, en alle andere openingen van lokalen bestemd tot werkhuis, bureel, magazijn of woning alsmede van iedere plaats die niet onderworpen is aan het open vuurverbod, te zijn gelegen". 2.1.
- De vermelde afstanden zijn minimumafstanden. Zij beletten niet dat de vergunningverlenende overheid discretionair grotere afstanden kan vaststellen in functie van de concrete omstandigheden waarover zij te oordelen heeft. In ieder geval blijken die afstanden betrekking te hebben op preventiemaatregelen in verband met het brand- en ontploffingsgevaar en niet op afstanden in het kader van de beoordeling van het veiligheidsrisico van de installatie voor de omgeving (Parl. Vr.& Antw. Vl. Parl., 22 oktober 2004, p. 82, vraag nr. 16 van S. SINTOBIN). 2.1.
- De omstandigheid dat Vlarem II slechts één afstandsnorm bevat, betekent niet dat de verwerende partij verplicht is om de vergunning te verlenen wanneer die voorwaarde is vervuld. Zij moet immers haar bevoegdheid uitoefenen in het licht van het doel waarvoor ze haar gegeven is. Met betrekking tot het verlenen van een milieuvergunning betekent dit dat zij oog heeft voor de bescher- ming van de mens en het milieu, te dezen de veiligheid en de gezondheid van de omwonenden van een LPG-tankstation. 2.1.
- Bij de beoordeling van het veiligheidsrisico voor de omgeving bezit de vergunnende overheid een discretionaire bevoegdheid. Teneinde de desbetreffende individuele besluiten te stroomlijnen kan zij voor zichzelf, buiten elke reglementaire bepaling om, beleidslijnen of algemene gedragsregels uittekenen die dan als toetsingscriterium kunnen dienen voor de beoordeling van individuele gevallen. De omstandigheid dat dergelijke beleidslijn niet spoedig wordt omgezet in een dwingend reglement vermindert de discretionaire bevoegdheid van het bestuur geenszins. Te dezen heeft de verwerende partij dergelijke beleidsregel gevonden in de studie van de VZW FEBUPRO, waarin het veiligheidsrisico verschillend wordt behandeld naar gelang het gaat om een bestaand LPG-vulstation dan wel om een nieuwe installatie. De verwerende partij betwist niet, en uit het onderzoek van de auditeur-verslaggever blijkt ook, dat deze studie rekening houdt met parameters die internationaal aanvaard zijn. Hun objectiviteit en redelijkheid kan dan ook niet betwist worden. VII-34.190-12/19 2.1.
- Overeenkomstig deze gedragsregel hebben AMV en de Geweste- lijke Milieuvergunningscommissie geoordeeld dat voor een nieuwe inrichting een andere veiligheidsperimeter in aanmerking diende te worden genomen dan voor een bestaande inrichting en dat de perimeter moest worden gemeten vanaf het vulpunt van de LPG-installatie. De verwerende partij heeft, zich daarbij aansluitend en vaststellend dat het dossier van de verzoekende partij een nieuwe aanvraag betrof, terecht kunnen aannemen dat de aanvraag diende te worden onderzocht met inachtneming van de IR-contour 10-
- Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel zijn niet gegrond. 2.1.
- De loutere verwijzing naar een beleidsregel vormt geen deugde- lijke rechtsgrond voor het weigeren van een vergunning. Omdat met een beleidsregel geen verplichtingen kunnen worden opgelegd aan de burger, moet het bestuur in elk dossier onderzoeken of de concrete omstandigheden van de zaak zich wel lenen tot de toepassing van de beleidslijn. Het dossier van de zaak en het getroffen eindbesluit moeten van die toetsing doen blijken. In casu is geoordeeld dat een aantal feitelijke gegevens er weliswaar op wezen dat de vulling van de tank zou gebeuren op ogenblikken dat er "zo goed als geen mensen in de omgeving zijn", maar dat zulks "niet kan gegaran- deerd worden" wegens de aanwezigheid van de openluchtparking binnen de perimeter van 44 meter "die als potentieel woongebied dient beschouwd te worden". Daarmee toont de verwerende partij aan dat zij de concrete omstandigheden onderzocht en beoordeeld heeft. Waar zij van oordeel is dat de "bewoning of de aanwezigheid van (grote groepen) mensen in de omgeving van het vulpunt tijdens de vuloperaties niet uitgesloten is", heeft zij een afweging gemaakt die niet kennelijk onredelijk is. 2.1.
- De vraag of de aanwezigheid van een potentieel bebouwd terrein in de onmiddellijke omgeving een voldoende grondslag kan vormen voor een weigeringsbesluit komt bij de bespreking van het derde middel aan bod. Het derde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. 2.1.
- Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.
- In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 1.2.1, § 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, VII-34.190-13/19 van artikel 52, 3/, van Vlarem I, van artikel 2 en 3 van de motiveringswet en van de materiële motiveringsverplichting. Zij stelt in essentie dat de verwerende partij geen rekening gehouden heeft -in ieder geval blijkt dat niet uit het bestreden besluit- met de economische aspecten van de zaak, inzonderheid met haar economische belangen en dat het bestreden besluit strijdig zou zijn met het in het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vervatte integratiebeginsel, indien de verwerende partij de loutere hypothese van de woningbouw in aanmerking zou nemen om de vergunningsaanvraag te weigeren. 2.2.
- De verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord dat uit het bestreden besluit wel degelijk blijkt dat zij rekening gehouden heeft met de impact van haar beslissing, maar dat zij de voorkeur gegeven heeft aan het veiligheidsaspect. Zij stelt ook dat de verzoekende partij zichzelf in een nadelige positie gebracht heeft door zich eerst akkoord te verklaren met de ontmanteling van haar LPG-installatie en op dat ogenblik aan te nemen dat het economisch voor haar interessanter was om voor haar benzinestation een uitbatingsvergunning van twintig jaar te verkrijgen. Zij besluit dat het bestuur, wanneer het uitspraak doet over een bij hem ingediend beroep, niet elk argument van de beroeper moet beantwoor- den. 2.2.
- De verzoekende partij repliceert dat het in de memorie van antwoord naar voren gebracht motief -met name dat de veiligheidsoverwegingen primeren op haar economische belangen en dat zij zelf ingestemd heeft met de ontmanteling van haar installatie- niet in het bestreden besluit opgenomen is en dat dit motief zeker niet afdoende is, aangezien het onduidelijk is op welke wijze het akkoord uit 2003 om de LPG-installatie te ontmantelen kan leiden tot het teloorgaan van het economisch belang. 2.2.
- Artikel 1.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid luidt : "§
- Ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties heeft het milieubeleid tot doel : 1/ het beheer van het milieu door de duurzame aanwending van de grond- stoffen en de natuur; 2/ de bescherming, tegen verontreiniging en onttrekking, van mens en milieu, en in het bijzonder van de ecosystemen die van belang zijn voor de VII-34.190-14/19 werking van de biosfeer en die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven; 3/ het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelij- ke diversiteit, met name door de instandhouding, het herstel en de ontwikke- ling van de natuurlijke habitats, ecosystemen en landschappen met eco- logische waarde en het behoud van de wilde soorten, in het bijzonder van die welke bedreigd, kwetsbaar, zeldzaam en endemisch zijn. §
- Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt. §
- De in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens". 2.2.
- Deze bepaling bevat algemene beleidsdoelstellingen die gelden in het Vlaamse Gewest. Zij bevat geen concrete en op elke individuele en lokale vergunningsaanvraag toepasselijke verplichtingen en verbodsbepalingen. Opdat het artikel zou kunnen worden geschonden geacht door een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag, zou moeten blijken dat de beslissing kennelijk indruist tegen die algemene beleidsdoelstellingen, en wel op een wijze die een meer dan tijdelijke of plaatselijke impact heeft. Het verzoekschrift bevat geen argumenten die tot dergelijke conclusie kunnen leiden. Op grond van de genoemde wetsbepaling was de verwerende partij bij de beoordeling van de aanvraag niet verplicht om een afweging te maken van de economische belangen van de verzoekende partij -ook niet ten aanzien van de hypothese van de bebouwing van het parkeerterrein- en daaromtrent een motivering te geven. 2.2.
- Het tweede middel is niet gegrond. 2.3.
- In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de motiveringswet, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 52, 3/, van Vlarem I en van het motiveringsbeginsel. In een eerste onderdeel betwist de verzoekende partij dat de inrichting waarvoor zij een vergunning had aangevraagd als een nieuwe inrichting kon worden beschouwd. Zij is van oordeel dat de ontmanteling van de bestaande VII-34.190-15/19 LPG-installatie niet inhield dat de initiële vergunning van 18 februari 1988 -verleend voor twintig jaar- niet meer bestond, aangezien zij slechts kon vervallen door een stopzetting van de exploitatie gedurende twee jaar en dat was hier niet het geval want de exploitatie is stopgezet in de zomer van 2004 en de bestreden beslissing dagtekent van 18 april
- Volgens haar is een vroegtijdige hervergunningsaan- vraag mogelijk en dus had de verwerende partij bij het aanwenden van de FEBUPRO-studie rekening moeten houden met de contouren voor een bestaande inrichting -dit wil zeggen een perimeter van drie meter- wat haar toeliet de vergunning te verlenen. In een tweede onderdeel stelt zij dat de verwerende partij ten onrechte het naastgelegen parkeerterrein beschouwd heeft als een potentieel bebouwbare oppervlakte. Zij betoogt dat het parkeerterrein vergunningsplichtig is op grond van artikel 99, § 1, 5/, b), van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat het betrokken perceel derhalve wel als bebouwd moet worden beschouwd in de zin van de stedenbouwwetgeving maar dat het daarom in feite nog niet echt zal worden bebouwd, zodat de verwijzing naar die bebouwing een eenvoudige hypothese is, aangezien uit niets blijkt dat de stad Antwerpen, eigenares van het perceel, concrete bouwplannen heeft. De verwerende partij beschouwt elke oppervlakte die kan worden bebouwd als bebouwbare oppervlakte, maar dat is het geval voor elk perceel dat niet in een kwetsbaar gebied gelegen is en derhalve zal de verwerende partij elke vergunning voor een LPG- installatie in een niet-kwetsbaar gebied, waar binnen een straal van 44 meter vanaf het vulpunt kan worden gebouwd, weigeren. Dergelijke opstelling is kennelijk onredelijk. De verwerende partij had te dezen kunnen vaststellen dat er sprake was van een nabijgelegen openluchtparking en daaruit besluiten dat zich daar geen dichte drommen mensen voor langere duur plegen op te houden. 2.3.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij in 2003 uitdrukkelijk bevestigd heeft dat zij de LPG-installatie zou ontmantelen en daar geen LPG-station meer zou uitbaten. Dat is ook ingeschreven in het voorwerp van de hervergunning. Daaruit blijkt overduidelijk dat de verzoekende partij de beëindiging van de exploitatie van de LPG-inrichting aanvaard heeft. Dat betekent dat de verzoekende partij afstand gedaan heeft van de specifieke vergunning die zij voor het LPG-station bezat en dat de nieuwe aanvraag wel degelijk een nieuwe exploitatie betrof. VII-34.190-16/19 De verwerende partij stelt, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat zij rekening gehouden heeft met het gegeven dat, wegens de openluchtparking, er geen garantie is dat er geen mensen in de nabijheid aanwezig zijn tijdens LPG-leveringen. Zij voegt daaraan toe dat de parking een potentieel woongebied is en dat het zeker niet hypothetisch is dat er op korte termijn op gebouwd wordt. 2.3.
- De verzoekende partij repliceert dat het bestreden besluit niet stelt dat zij afstand gedaan heeft van haar LPG-exploitatievergunning, maar dat er enkel vastgesteld wordt dat de LPG-vergunning niet meer bestaat. Dat is niet correct, want in de vergunning van 13 maart 2003 is alleen vermeld dat de LPG-installatie ontmanteld zal worden. Een ontmanteling kan slechts na twee jaar onbruik aanleiding geven tot het verval van de vergunning. Zij stelt voorts dat het bestreden besluit duidelijk verwijst naar het gevaar verbonden met het vullen van de LPG- tanks wanneer er mensen in de omgeving zijn en daarvoor wordt verwezen naar de omstandigheid dat de openluchtparking als een potentieel woongebied moet worden beschouwd. Dat is het enige motief waarop het bestreden besluit steunt. 2.3.
- De verzoekende partij heeft op 13 maart 2003 de hervergunning van haar benzine- en dieselverdeelstation verkregen nadat zij aan de verwerende partij had medegedeeld dat de LPG-installatie, waarvoor de vergunning liep tot 2008, volledig zou worden ontmanteld. Zij kon daarmee verkrijgen dat haar hervergunning een looptijd van twintig jaar zou hebben. De hervergunningsbeslissing voor het benzine- en dieselverdeel- station heeft deze ontmanteling van het LPG-station expliciet in het voorwerp van de vergunning opgenomen. De verzoekende partij heeft dit niet bestreden, wat betekent dat zij sinds de hervergunning van het benzine- en dieselverdeelstation over geen LPG-vergunning meer beschikt. Terecht heeft de verwerende partij de aanvraag van de ver- zoekende partij om haar vergunning uit te breiden met een LPG-station dan ook als een aanvraag voor een nieuwe inrichting beschouwd. Het eerste onderdeel van het derde middel is niet gegrond. 2.3.
- De verwerende partij heeft het bestreden weigeringsbesluit gesteund op de vaststelling dat er geen garantie bestaat dat de opslagtank kan worden gevuld op een ogenblik dat er weinig mensen in de omgeving zijn, aangezien de VII-34.190-17/19 nabije openluchtparking als een potentieel woongebied moet worden beschouwd en de bebouwing ervan niet uitgesloten is. 2.3.
- De vraag rijst of de verwerende partij bij de afweging van de vraag of de aanwezigheid van de openluchtparking een groot veiligheidsrisico opleverde dat de vergunning van het LPG-station in de weg stond, wettig rekening kon houden met de mogelijkheid van latere bebouwing dan wel of zij zich diende te beperken tot de vaststelling dat er naast de installatie een openluchtparking aanwezig was. 2.3.
- Het staat buiten betwisting dat de parking in een woongebied gelegen is. Dat betekent dat het perceel stedenbouwkundig voorbestemd is voor eigenlijke bewoning of voor de oprichting van voorzieningen vermeld in artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit. De toekomstige bebouwing is door de reglementering mogelijk gemaakt; meer nog, het is door de reglementering zelf voorbestemd om bebouwd te worden of minstens om ingericht te worden als plaatsen waar mensen samenkomen. Daarbij komt dat de vergunning voor de uitbating van het benzine- en dieselverdeelstation van de verzoekende partij loopt tot 2023 en dat de uitbreiding van deze vergunning tot het LPG-station aldus voor lange tijd een veiligheidsrisico zal betekenen voor de woningen die alsnog binnen de perimeter gebouwd worden, hetgeen een zware hypotheek legt op de bewoonbaarheid van de zone die als woongebied bestaat. In die zin heeft de verwerende partij terecht de -geenszins hypothetische- mogelijkheid van bebouwing van de openluchtparking betrokken bij de inschatting van het veiligheidsrisico, verbonden met de aangevraagde LPG- installatie van de verzoekende partij en heeft zij niet kennelijk onredelijk gehandeld door op grond daarvan de vergunning te weigeren. Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.3.
- Het derde middel is niet gegrond, VII-34.190-18/19 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien december tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-34.190-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.984 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div