← België

Arrest 188992 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 18/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.992 Rolnummer: A. 189695/XII-5557 Zaak: Arrest 188992 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 18/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-29 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-29 11:22 Fiche Arrest nr 188.992 van 18 december 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 188.992 van 18 december 2008 in de zaak A. 189.695/XII-

  1. In zake : Paul DIRKS, die woonplaats kiest bij advocaat M. Deckx, kantoor houdende te Halle, Kasteelbrakelsesteenweg 702 tegen : de HOGESCHOOL GENT, die woonplaats kiest bij advocaat D. Matthys, kantoor houdende te Gent, Sint-Annaplein
  2. tussenkomende partijen :
  3. Arlette VAN HECKE, die woonplaats kiest te Gijzegem-Aalst, Molenhoekweg 25
  4. Else DENEYS, die woonplaats kiest te De Pinte, Berkenlaan 32
  5. Lodewijk DE WILDE,
  6. Anne DE GEETER,
  7. Danny SCHEPENS,
  8. Luc DE BEUL, die woonplaats kiezen bij advocaat A. Mortier, kantoor houdende te Antwerpen, Lange Van Ruusbroecstraat
  9. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul Dirks op 13 september 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Hogeschool Gent, op 2 juli 2008 genomen door de Raad van Bestuur, betreffende de bevorderingen naar het ambt van hoofdlector voor de personeelsleden verbonden aan het Departement Bedrijfsmanagement Mercator, volgens dewelke de verzoekende partij niet is bevorderd tot hoofdlector”; Gezien de nota van de verwerende partij; XII-5557-1/8 Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 8 oktober 2008 ingediend door Arlette Van Hecke, Lodewijk De Wilde, Anne De Geeter, Else Deneys, Danny Schepens en Luc De Beul; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Deckx, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat D. Matthys, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat L. Dockx, die loco advocaat A. Mortier verschijnt voor Lodewijk De Wilde, Anne De Geeter, Danny Schepens en Luc De Beul; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  10. Verzoeker is voltijds vast benoemd lector aan de Hogeschool Gent, departement bedrijfsmanagement Mercator.
  11. Op 4 juli 2007 keurt de raad van bestuur van de Hogeschool Gent een reglement inzake bevordering van onderwijzend personeel voor het kalenderjaar 2007 goed. Blijkens de toelichting bij de beslissing van de raad van bestuur, gaat het om een eenmalige bevorderingsoproep, in afwachting van de uitbouw van een nieuw loopbaanbeleid voor het onderwijzend personeel en wordt er enkel bevorderd in de ambten van hoofdpraktijklector, hoofdlector en hoofddocent. XII-5557-2/8 Voor het departement bedrijfsmanagement Mercator wordt het (maximum) aantal te bevorderen personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten (VTE), bepaald op 1 hoofdpraktijklector en 20 hoofdlectoren.
  12. Op 17 september 2007 dient verzoeker, samen met meerdere gegadigden, zijn kandidatuur voor bevordering tot hoofdlector in.
  13. In een verslag van 17 januari 2008 evalueert de departementale bevorderingscommissie de verschillende kandidaten aan de hand van zes in het reglement vooropgestelde beoordelingscriteria en de daarbij horende toetsings- elementen. Het besluit van de bevorderingscommissie omtrent verzoeker luidt als volgt : “De heer Paul Dirks voldoet niet aan de nodige en voldoende voorwaarde om geschikt bevonden te worden voor bevordering tot hoofdlector aangezien hij niet op alle criteria minstens een appreciatie ‘voldoende’ heeft behaald. Hij heeft voor 5 criteria een appreciatie ‘onvoldoende’ bekomen. De bevorderingscommissie geeft bij consensus als conclusie het oordeel dat de heer Paul Dirks ‘nog niet geschikt’ is voor bevordering.” Zestien kandidaten worden voorgesteld om wel “geschikt voor bevordering” te worden geacht.
  14. De departementsraad neemt op 24 januari 2008 het advies van de bevorderingscommissie onverkort over, alleszins wat de beoordeling van verzoekers kandidatuur betreft.
  15. Verzoeker stelt een “willig” beroep in tegen het voorstel van de departementsraad. De departementsraad beslist verzoekers score voor één criterium te wijzigen naar “voldoende”. De departementsraad blijft echter van oordeel dat verzoeker “nog niet geschikt” is voor bevordering.
  16. Op 2 juli 2008 treedt de raad van bestuur van de Hogeschool Gent het departementaal voorstel tot bevordering, na behandeling van de “willige” beroepen, bij en bevordert hij twintig lectoren tot hoofdlector. XII-5557-3/8 Verzoeker wordt niet bevorderd. Het voorwerp van de vordering - De tussenkomsten
  17. Verzoeker bekritiseert niet de bevordering van één van zijn twintig wel bevorderde collega’s. Verzoeker bevestigt ter terechtzitting dat hij, zoals vermeld in de gedinginleidende akte, enkel opkomt tegen de bestreden beslissing in de mate dat hij daardoor niet werd bevorderd tot hoofdlector. Er bestaat dan ook geen reden om de tussenkomsten in deze stand van de procedure toe te laten. Beoordeling Algemeen
  18. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die bestreden beslissing aan de verzoekende partij een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen. De middelen
  19. Met het eerste middel werpt verzoeker de schending van het “reglement bevorderingen onderwijzend personeel 2007” op. Verzoeker splitst dat middel op in drie onderdelen. In een eerste onderdeel voert verzoeker, in essentie, aan dat de departementale bevorderingscommissie het niet-limitatief karakter van de in het genoemde reglement opgesomde toetsingselementen, verbonden aan de beoordelings- criteria, heeft miskend. In een tweede onderdeel ziet verzoeker het kwestieuze reglement dan weer geschonden doordat de bevorderingscommissie, naast de door de kandidaten ingediende dossiers, ook zelf informatie omtrent de kandidaten heeft vergaard en in rekening heeft gebracht (studentenbevragingen en de aan de kandidaten toegewezen takenpaketten), terwijl het reglement daarvoor geen ruimte zou laten. XII-5557-4/8 In een derde onderdeel betoogt verzoeker dat bij de beoordeling van de in het reglement bepaalde criteria, rekening is gehouden met factoren die niet in het reglement voorzien zijn (de missie van de Hogeschool, de opleidingen van het departement). Ook zo meent hij het reglement geschonden te kunnen achten.
  20. Verzoeker geeft niet concreet aan in welke mate door hem aangeleverde toetsingselementen, andere dan deze die in het reglement zijn bepaald, niet of niet in voldoende mate door die commissie werden geapprecieerd. Het eerste middelonderdeel is om die reden alleen al niet ernstig. Zoals de verwerende partij, wat het tweede middelonderdeel betreft, terecht stelt is het aspect “uitkomst van studentenbevragingen” expliciet als toetsingselement opgenomen in het kwestieuze reglement, namelijk onder criterium 1, “kwaliteit en kwantiteit van bijdragen aan onderwijs”. Wat betreft het aspect “de aan de kandidaten toegewezen takenpaketten van de laatste vijf jaar”, geeft verzoeker niet aan in welke mate de beoordeling van dat element hem benadeeld heeft, noch hoe de inschatting van zijn dossier door de bevorderingscommissie daardoor werd beïnvloed. Ook het tweede middelonderdeel is niet ernstig. Op het eerste gezicht lijkt de tweede door de bevorderings- commissie gehanteerde “factor” (de “missie” van de Hogeschool Gent) niets meer dan een concretisering van de in de eerste “factor” vermelde “strategische doelstellingen” van de verwerende partij. Wat de derde “factor” betreft, toont verzoeker niet aan dat hij benadeeld is door het feit dat zijn dossier werd beoordeeld “in functie van de opleidingen van het departement Bedrijfsmanagement Mercator”. Verzoeker is verbonden aan dat departement en het lijkt, in de huidige stand van de rechtspleging, dan ook niet onredelijk dat hij wordt beoordeeld voor zijn deelname aan die opleidingen. Ook het derde middelonderdeel is niet ernstig. Het eerste middel is, in zijn geheel, niet ernstig.
  21. In het tweede middel roept verzoeker de schending in van het motiveringsbeginsel. Hij ziet die schending, samengevat, gelegen in het feit dat de departementsraad, oordelend over zijn “willig beroep”, op geen enkel door verzoeker aangeleverd element antwoordt, althans voorzover het zijn kritiek op de beoordeling van het derde criterium (samenwerking en teamprestaties) betreft. Door de eerder door de departementale bevorderingscommissie geformuleerde beoordeling XII-5557-5/8 woordelijk over te nemen, komt de departementsraad niet tegemoet aan de op hem rustende motiveringsverplichting. Verzoeker verwijt aan de departementsraad dat deze zijn bezwaarschrift niet heeft beantwoord, meer bepaald op één van de zes criteria, te weten het derde criterium “samenwerking en teamprestaties”.
  22. Artikel 7, § 2, van het kwestieuze bevorderingsreglement bepaalt wat volgt : “De nodige en voldoende voorwaarde om ‘geschikt’ bevonden te worden is voldaan indien voor alle criteria minstens een appreciatie ‘voldoende’ wordt behaald. Het personeelslid dat voor maximaal 2 van de criteria een appreciatie ‘onvoldoende’ heeft bekomen, kan gemotiveerd ‘geschikt’ worden bevonden op voorwaarde dat voor minstens 2 van de andere criteria een appreciatie ‘goed’ of ‘zeer goed’ wordt behaald.” Verzoeker scoort alleen voor het eerste en het vijfde criterium “voldoende” voor de overige vier criteria “onvoldoende”. Zelfs in de veronderstelling dat het ernstig bevinden en de eventuele latere gegrondverklaring van het tweede middel hem een betere score zou kunnen opleveren voor dat derde criterium, blijft verzoeker geconfronteerd met drie “onvoldoendes” en komt hij dus, volgens het reglement, nog niet voor bevordering in aanmerking. Het tweede middel kan derhalve prima facie niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden en is dus niet ernstig.
  23. In een derde en laatste middel voert verzoeker de schending aan van “het onpartijdigheidsbeginsel juncto het motiveringsbeginsel”. Volgens verzoeker zouden meerdere getuigen hebben kunnen vaststellen dat één lid van de departements- raad, die het voorstel tot al dan niet bevoreren formuleert aan de Raad van Bestuur van de verwerende partij, in de loop van de bevorderingsprocedure met één van de kandidaten gesprekken hebben gevoerd die betrekking hadden op de bevordering. De betreffende kandidaat werd door de bevorderingscommissie als ongeschikt bevonden, maar werd, na na bezwaar wel geschikt bevonden door de departements- raad.
  24. Zelfs als zou aangenomen moeten worden dat het betrokken lid van de departementsraad een schijn van partijdigheid in verzoekers zaak zou hebben gewekt, dan nog moet vastgesteld worden dat verzoeker geen enkel concreet gegeven bijbrengt dat aantoont dat de partijdigheid van dat ene lid een ten nadele van XII-5557-6/8 verzoekers zaak een invloed heeft of kan hebben gehad op de overige leden van de departementsraad. Verzoeker maakt evenmin aannemelijk dat daardoor de motiveringsplicht zou zijn geschonden. Het derde middel is niet ernstig.
  25. Er is niet voldaan aan de eerste door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  26. De verzoeken tot tussenkomst van Arlette Van Hecke, Lodewijk De Wilde, Anne De Geeter, Else Deneys, Danny Schepens en Luc De Beul in het administratief kort geding worden verworpen. Artikel
  27. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  28. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 750 euro, komen ten laste van verzoekers in tussenkomst, elk voor een zesde. XII-5557-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien december 2008, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. E. BREWAEYS. XII-5557-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.992 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.218 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.