← België

Arrest 189112 - Penitentiair recht - 23/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.112 Rolnummer: A. 190763/IX-6152 Zaak: Arrest 189112 - Penitentiair recht - 23/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 11:51 Fiche Arrest nr 189.112 van 23 december 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.112 van 23 december 2008 in de zaak A. 190.763/IX-

  1. In zake : Yves BERTEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. LANGEROCK, kantoor houdende te SINT-KRUIS (BRUGGE), Dampoortstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Yves BERTEN op 21 december 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Brugge van 18 december 2008 waarbij hem een tuchtstraf wordt opgelegd; Gelet op de beschikking van 22 december 2008 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2008, om 16.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LANGEROCK, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6152-1/11 Gehoord adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008 in zijn eensluidend advies; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  2. De verzoeker is opgesloten in de strafinrichting te Brugge. Op 8 december 2008 wordt tijdens een celcontrole bij hem een gsm gevonden. Dezelfde dag legt een attaché van de directeur van de gevangenis een voorlopige maatregel op, bestaande in de plaatsing van de verzoeker op veiligheidscel, doch die maatregel wordt nog dezelfde dag opgeheven. Er wordt ook beslist om een tuchtprocedure op te starten. Op de hoorzitting, gehouden op 10 december 2008, geeft de verzoeker de feiten toe. Hij verklaart dat de gsm is binnengekomen via een personeelslid. Dezelfde dag neemt een directeur van de gevangenis een beslissing, waarin hij overweegt dat de verklaring van de verzoeker een nader onderzoek vergt. Gelet op de toezegging van de verzoeker om daaraan zijn volle medewerking te verlenen, besluit de directeur als volgt: “Binnen de 14 dagen zal de medewerking van betrokkene in het onderzoek geëvalueerd worden en bij negatieve evaluatie leiden tot het opleggen van een tuchtstraf.”
  3. Op 12 december 2008 wordt de verzoeker opnieuw gehoord, ditmaal in het kader van de mogelijke toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel. Het inrichtingshoofd van de gevangenis deelt aan de verzoeker mee dat deze “omtrent de herkomst van [de bij hem gevonden] gsm lasterlijke beschuldigingen [verspreidt] ten aanzien van een personeelslid, zowel naar gedetineerden als naar andere personeelsleden toe”. Volgens het inrichtingshoofd brengt de verzoeker “met dergelijk opruiend gedrag t.a.v. het personeel [...] de goede orde in de inrichting ernstig in het gedrang”. Hierop IX-6152-2/11 antwoordt de verzoeker dat hem door de directeur in het kader van de tuchtprocedure was beloofd dat er geen tuchtstraf zou worden uitgesproken indien hij zijn medewerking aan het onderzoek zou verlenen. De verzoeker heeft zijn medewerking verleend. Hij heeft, naar eigen zeggen, zelfs meer informatie gegeven dan gevraagd, door mee te delen dat er nog andere gsm’s zijn binnengesmokkeld, via het binnenhuisbezoek. Dezelfde dag, op 12 december 2008, neemt het inrichtingshoofd tegen de verzoeker een “beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel. De beslissing steunt op de volgende motieven: “Bij betrokkene werd een gsm aangetroffen op cel. Hij verspreidt omtrent de herkomst van deze gsm lasterlijke beschuldigingen ten aanzien van een personeelslid en dit zowel naar medegedetineerden als andere personeelsleden toe. Dergelijk opruiend gedrag brengt de orde in de inrichting ernstig in het gedrang”. De bijzondere maatregel omvat de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten, telefoonverbod, uitgezonderd met zijn advocaat en met de ombudsman, en bezoek achter glas. Aan de verzoeker wordt ook een verplicht verblijf op zijn cel opgelegd. De maatregel is van toepassing voor een duur van zeven dagen, die een aanvang neemt op 12 december 2008 en eindigt op 18 december
  4. Op 16 december 2008 stelt het inrichtingshoofd een “rapport aan de directeur” op. Daarin wordt in het bijzonder het volgende vastgesteld: “Uit het onderzoek dat ondertussen gevoerd werd, licht duidelijk op dat betrokkene leugenachtige verklaringen heeft afgelegd, waardoor de naam van dit personeelslid lasterlijk in de openbaarheid werd gebracht.” Dezelfde dag legt de directeur van de gevangenis een nieuwe voorlopige maatregel op, andermaal bestaande in de plaatsing van de verzoeker op veiligheidscel. Op 17 december 2008 beslist de attaché van de directeur, na onderzoek van het genoemde rapport aan de directeur van 16 december 2008, om tegen de verzoeker een nieuwe tuchtprocedure op te starten. IX-6152-3/11 Dezelfde dag doet de Raad van State uitspraak over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de genoemde beslissing van het inrichtingshoofd van 12 december 2008 waarbij aan de verzoeker een bijzondere veiligheidsmaatregel is opgelegd. De tenuitvoerlegging van de maatregel wordt geschorst, op grond dat de gegevens van het dossier geen steun lijken te bieden voor de vaststelling dat de verzoeker “lasterlijke beschuldigingen ten aanzien van een personeelslid” heeft geuit, “zowel naar medegedetineerden als andere personeelsleden toe”. Op 18 december 2008 deelt de directeur van de gevangenis aan de verzoeker mee dat de bijzondere veiligheidsmaatregel ingevolge het genoemde arrest van de Raad van State geschorst wordt, “in afwachting van een uitspraak ten gronde”. Dezelfde dag vindt de hoorzitting in de tuchtprocedure plaats. De verzoeker voert aan dat hij geen leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. Zijn raadsman merkt op dat het dossier geen enkele verklaring of ander bewijs bevat waaruit zou blijken dat de verzoeker dergelijke verklaringen heeft afgelegd. De directeur licht aan het einde van de zitting toe dat de tenlastelegging niet slaat op het in de openbaarheid brengen van de naam van een personeelslid, maar op het aantasten van de goede naam van dat personeelslid. Hij deelt mee “dat hij zijn motivatie zal bekend maken in de beslissing”. Nog dezelfde dag, 18 december 2008, legt de directeur aan de verzoeker een tuchtstraf op. In verband met het bewijs van de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten is de beslissing uitzonderlijk uitvoerig gemotiveerd: “Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen beschouwd worden voor de volgende tuchtrechtelijke inbreuken: lasterlijke aangifte, ordeverstoring. Bij betrokkene wordt een gsm gevonden. Betrokkene verklaart dat hij deze gsm in ontvangst heeft gekregen van een Penitentiair Assistent. In deze zaak diende uiteraard onderzoek gevoerd te worden. We moeten tot de vaststelling komen dat betrokkene een lasterlijke verklaring heeft afgelegd en opzettelijk de goede naam en de beroepseer van een Penitentiair Assistent ernstig geschaad heeft, meer nog ook de psychische integriteit van de persoon in kwestie aangetast heeft. Betrokkene heeft enerzijds een gans scenario opgezet waarbij hij een Penitentiair Assistent als de leverancier van de gsm heeft aangeduid. Anderzijds blijkt ook tijdens het onderzoek dat hij aan iemand duidelijk gemaakt heeft dat, door het noemen van de naam van de Penitentiair Assistent, hij deze duidelijk IX-6152-4/11 en opzettelijk heeft willen raken, waarmee hij een soort ‘wraak’ heeft gerealiseerd. Deze melding wordt bevestigd door het feit dat betrokkene te pas en te onpas duidelijk maakt dat deze Penitentiair Assistent tegen een paar beambten en in het bijzonder tegen een bepaalde beambte, met name [penitentiair beambte] D., optreedt en een ‘vraag tot schriftelijke verantwoording’ heeft gevraagd. Betrokkene zegt dat het hier om beambten/een beambte gaat die hij ‘van buiten de gevangenis kent en [die] zijn vrienden zijn’. De genoemde beambte woont inderdaad in dezelfde stad als betrokkene. Initieel deelt betrokkene aan een kwartieroverste mee dat het om een ‘kwartierchef’ gaat, de naam van de Penitentiair Assistent wordt er zelfs aan verbonden. De kwartieroverste zelf constateert dat betrokkene het blijft hebben over een kwartieroverste, terwijl hij de naam van een Penitentiair Assistent noemt. Betrokkene verblijft reeds lang genoeg in de gevangenis om de onderscheiden graden van het personeel te kennen. Er wordt gesproken in dit gesprek met de kwartierchef over ‘kort krulhaar’. Dit epitheton is zowat het enige kenmerk dat de moeder kon aanhalen en ook gebruikte bij de confrontatie met de Penitentiair Assistent. Betrokkene verklaarde immers dat de Penitentiair Assistent bij zijn moeder in A. het geld was gaan ophalen. Hierbij moet ook gezegd dat tussen het vinden van de gsm (8 december 2008) en de confrontatie (11 december 2008) betrokkene elke dag bezoek gehad heeft van zijn moeder, en het is genoegzaam bekend dat hij zijn moeder ernstig onder druk kan zetten. Daarenboven liet de moeder na de confrontatie blijken van ‘spijt of wroeging’ naar voor komen en zegde ze tegen het inrichtingshoofd dat ze bij een confrontatie van de herkende persoon tussen andere personen zou twijfelen. Dit gegeven en de latere verklaring aan het inrichtingshoofd staan meer dan haaks op het meer dan onmiddellijk en onbetwistbaar herkennen van de persoon zodra ze de locatie van confrontatie binnen kwam. Daarenboven blijft betrokkene zelf elke concrete en zinnige uitleg verschuldigd omtrent het ‘zogezegd’ contacteren van de Penitentiair Assistent om een gsm te bekomen, alsook omtrent de levering en betaling ervan. Het onderzoek wijst uit dat betrokkene via gedetineerden de gsm heeft bekomen, dat hij zelfs heeft kunnen kiezen uit een gsm met of zonder camera. In dit verband verwijzen we ook naar een initiële verklaring van betrokkene ‘dat er gsm’s met camera’s binnen zijn en dat er op You Tube foto’s te zien zijn van cellen uit het [Penitentiair Complex te Brugge]’. Het is ook verrassend dat betrokkene spreekt over 7 gsm’s, terwijl het nadien effectief blijkt dat hij uit zo’n aantal zijn keuze heeft kunnen maken. Het spreekt voor zichzelf dat betrokkene hier een leugenachtige en lasterlijke verklaring heeft afgelegd, die emotioneel een ernstige impact heeft op de belaagde persoon, alsook op zijn beroepseer. Zij tast ook het moreel gezag van deze persoon zwaar aan. De aanduiding van de Penitentiair Assistent is reeds ruim verspreid, o.a. bij de gedetineerden. Initieel kan het niet anders dan dat betrokkene hier ruchtbaarheid heeft aan gegeven, en daar had hij in de voorbije dagen ruim de kans toe, doch vandaag is dit niet aan de orde, aangezien we geen harde bewijzen kunnen voorleggen inzake ruim verspreiden van deze aanklacht enkel door betrokkene. In huidige procedure [zijn] de nominatim valselijke aanduiding van een Penitentiair Assistent, hoofd van de bewakingsdienst, en de verklaringen daaromtrent aan de orde.” De aan de verzoeker opgelegde straf wordt omschreven als volgt: IX-6152-5/11 IX-6152-6/11 “- 9 dagen strafcel zonder gunsten; - 1 maand strikt regime, nl. glasbezoek, geen binnenhuisbezoek, geen bezoek zonder toezicht, individuele wandeling, uitsluiting van elke gemeenschappelijke activiteit, eredienst op cel, geen werk, en telefoon beperkt tot raadsman en ombudsman.” Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. Onderzoek van de vordering
  5. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  6. In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 18 december 2008, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde maatregel uitwerking heeft met ingang van 16 december 2008, voor wat betreft de strafcel. De verzoeker heeft met een op zondag 21 december 2008 per fax verstuurd verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. 6.
  7. De verzoeker roept onder meer een derde middel in, waarin hij de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens de verzoeker steunt de bestreden beslissing op een aantal feiten die niet correct zijn. Hij betwist met name: IX-6152-7/11 - dat hij omtrent de herkomst van de gsm leugenachtige verklaringen afgelegd zou hebben ten aanzien van een personeelslid: volgens de verzoeker heeft hij eenvoudig de naam van het betrokken personeelslid genoemd; - dat hij enige openbaarheid gegeven zou hebben aan de zaak: volgens de verzoeker kon dit niet, omdat hij tussen 12 en 18 december 2008 ingevolge de hem opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregel een verplicht verblijf in een bepaalde cel had; - dat hij wraak zou hebben willen nemen: de verzoeker betwist met name dat hij iemand daarover zou hebben aangesproken; - dat de discussie over de graad van de betrokken beambte relevant is: volgens de verzoeker volstaat het dat hij de naam van de betrokken beambte genoemd heeft; - dat hij zijn moeder onder druk gezet zou hebben: volgens de verzoeker is dat een loutere veronderstelling; - dat hij niet duidelijk zou hebben uitgelegd hoe de levering van de gsm heeft plaatsgehad: volgens de verzoeker is hij zeer concreet geweest, reden overigens waarom zijn moeder gehoord werd; - dat hij de gsm ontvangen zou hebben van andere gedetineerden: volgens de verzoeker heeft hij de gsm ontvangen van de betrokken beambte. 6.
  8. Ter zitting wijst de verwerende partij erop dat het aan de directeur toekomt om de feiten vast te stellen, terwijl de Raad van State in dit opzicht slechts een beperkt toezicht kan uitoefenen. Zij wijst er voorts op dat de directeur na een intern onderzoek bij de personeelsleden tot de conclusie is gekomen dat de verzoeker een bepaald personeelslid valselijk beschuldigd heeft. Uit de motieven van zijn beslissing blijkt voldoende op welke feiten hij steunt. 6.
  9. Zoals het middel is geformuleerd, lijkt de verzoeker in essentie een schending van de materiële motiveringsplicht in te roepen, in die zin dat hij aan de bestreden beslissing verwijt dat ze steunt op feiten waarvan het bestaan niet voldoende uit het dossier blijkt. Uit de bewoordingen zelf van de bestreden beslissing blijkt dat aan de verzoeker een tuchtstraf wordt opgelegd, niet omdat hij ruchtbaarheid zou hebben gegeven aan zijn verklaring dat een bepaald personeelslid hem de gsm bezorgd heeft, maar eenvoudig omdat die verklaring leugenachtig en lasterlijk is. Aan de verzoeker wordt met andere woorden verweten dat hij een bepaald personeelslid valselijk beschuldigd heeft. IX-6152-8/11 Ter terechtzitting is door de verwerende partij benadrukt dat het leugenachtig karakter van de verklaringen is gebleken uit het door de directeur gevoerde intern onderzoek, dat heeft plaatsgevonden tussen 10 en 16 december
  10. Nadat dit onderzoek was afgerond, heeft het inrichtingshoofd een “rapport aan de directeur” opgesteld. In de motivering van de bestreden beslissing wordt inderdaad gesteund op een aantal belastende gegevens waarvan mag worden aangenomen dat ze afkomstig zijn van het bedoelde onderzoek. Zo wordt overwogen dat de verzoeker aan een andere persoon duidelijk gemaakt heeft dat hij wraak wilde nemen op het personeelslid wiens naam hij genoemd heeft, dat zijn moeder dat personeelslid tijdens een confrontatie herkend heeft, maar dat zij daarna een relativerende verklaring aflegde, terwijl het voldoende bekend is dat de verzoeker zijn moeder onder druk kan zetten, en dat de verzoeker geen concrete en zinnige uitleg heeft kunnen geven over de precieze rol van het personeelslid. Voorts wordt overwogen dat het onderzoek uitwijst dat de verzoeker zijn gsm verkregen heeft via medegedetineerden, waarbij wordt verwezen naar een initiële verklaring van de verzoeker en naar het feit dat nadien is gebleken dat de verzoeker heeft kunnen kiezen tussen zeven toestellen. Daartegenover staat dat de verzoeker tijdens de hoorzitting formeel betwist heeft dat hij leugenachtige verklaringen zou hebben afgelegd, en dat hij bovendien aangevoerd heeft dat het dossier geen bewijzen van leugenachtige verklaringen bevat. Daargelaten de vraag of de verzoeker zich in de gegeven omstandigheden behoorlijk tegen de tenlastelegging heeft kunnen verdedigen, welke vraag in het bijzonder het vierde middel doet rijzen, lijkt in elk geval te moeten vastgesteld worden dat de hiervóór opgesomde gegevens, die door de directeur worden vermeld ter weerlegging van het standpunt van de verzoeker dat hij geen leugenachtige verklaringen heeft afgelegd, door geen enkel stuk in het dossier gestaafd worden. Dit lijkt in het bijzonder het geval te zijn voor de in de beslissing aangehaalde verklaringen, waarvan het dossier geen enkel spoor bevat. Ter terechtzitting voert de verwerende partij in dit verband aan dat het gaat om een intern onderzoek bij de personeelsleden, en dat de desbetreffende gegevens niet thuishoren in een tuchtdossier met betrekking tot een gedetineerde. Die uitleg voldoet echter niet, nu het intern onderzoek juist vooral gegevens lijkt te hebben opgeleverd die door de verwerende partij beschouwd worden als zijnde bezwarend voor de verzoeker. IX-6152-9/11 Mede gelet op het feit dat de verzoeker het hem ten laste gelegde feit uitdrukkelijk heeft betwist, kan aldus uit het administratief dossier niet worden afgeleid dat de bestreden beslissing steunt op de rechtens vereiste feitelijke grondslag. Aldus voldoet die beslissing niet aan de materiële motiveringsplicht. Het middel is ernstig. 7.
  11. Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker aan dat de bestreden maatregel zijn rechten in sterke en onherstelbare mate beperkt. Sinds 1 oktober 2004 is hem geen tuchtstraf opgelegd. De negen dagen strafcel leiden tot “totale isolatie”. Ook de maand strikt regime na de dagen strafcel beperkt volgens hem in ernstige mate zijn bewegingsvrijheid in de gevangenis. De verzoeker voert aan dat de tuchtstraf moeilijk te dragen is, zeker in de kerstperiode. Gelet op de aard van de straf, gaat het volgens hem bovendien om een nadeel dat moeilijk te herstellen is. 7.
  12. De bestreden beslissing houdt in dat de verzoeker in de eerste plaats onderworpen wordt aan negen dagen strafcel, zonder gunsten. Daarna wordt hij gedurende een maand onderworpen aan een strikt regime. Ook al heeft geen van de opgelegde maatregelen tot gevolg dat de verzoeker daardoor in “totale isolatie” wordt gebracht, toch maakt hij aannemelijk dat het gaat om maatregelen die, zeker in het geval van een gedetineerde die sinds 1 oktober 2004 geen tuchtstraf heeft opgelopen, een ernstig nadeel opleveren. Gelet op de aard van de genomen maatregelen, gaat het bovendien om een nadeel dat moeilijk te herstellen is.
  13. Er is voldaan aan de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. IX-6152-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  14. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Brugge van 18 december 2008 waarbij aan Yves BERTEN een tuchtstraf wordt opgelegd. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 december 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6152-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.112 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.684 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.