← België

Arrest 189115 - Penitentiair recht - 23/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.115 Rolnummer: A. 178070/IX-5456 Zaak: Arrest 189115 - Penitentiair recht - 23/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 11:52 Fiche Arrest nr 189.115 van 23 december 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.115 van 23 december 2008 in de zaak A. 178.070/IX-

  1. In zake : Sükriye AKAR, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sükriye AKAR op 28 oktober 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 3 oktober 2006 van de directeur van de Strafinrichting Brugge - Vrouwenafdeling waarbij haar de tuchtsanctie van de vermaning wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die loco advocaat N. LORENZETTI verschijnt voor de verzoekster, en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5456-1/8 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  2. Verzoekster verbleef in de strafinrichting te Brugge. 1.
  3. Zij voert verschillende procedures in verband met haar detentie- voorwaarden. Bij beschikking van 28 augustus 2006 beslist de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wat volgt: “Leggen aan (de Belgische Staat) verbod op om tussen 22u00 en 06u00 de slaap van (verzoekster) bij wijze van algemeen geldende maatregel op een systematische wijze te verstoren, wanneer dit enkel zou gebeuren met de bedoeling na te gaan of zij zich nog in haar cel bevindt, onder voorbehoud van terzake significant gewijzigde omstandigheden en tot op het moment van een uitspraak ten gronde.” 1.
  4. De directeur van de strafinrichting neemt daarop de volgende beslissing : “Als gevolg van een beslissing van de rechter in kortgeding, dient de nachtcontrole bij deze persoon als volgt te gebeuren : De nachtlamp dient de gehele nacht te blijven branden. Gedetineerde Akar krijgt een nachtmasker ter beschikking, waar zij dan uiteraard zelf verantwoordelijk voor is. Indien de gedetineerde deze oplossing weigert, dient de chef die dit vaststelt een schriftelijk verslag op te maken. Ook bij weigering moet de nachtlamp blijven branden zoals hierboven beschreven. Hoe dan ook moeten de nachtcontroles om het uur plaats vinden.” 1.
  5. Op 30 september 2006 wordt een rapport aan de directeur opgesteld, waarin de volgende feiten aan verzoekster ten laste worden gelegd : IX-5456-2/8 “Bovenvermelde gedetineerde droeg haar oogbescherming niet tijdens de nacht. Ze heeft een deken aan de zijkant van haar bed gehangen, zodat we haar niet duidelijk zagen liggen.” 1.
  6. Op 3 oktober 2006 wordt verzoekster met betrekking tot deze feiten door de directeur gehoord in het kader van een tuchtprocedure. Zij verklaart onder meer het volgende : “Het was niet zo zoals vermeld in het rapport aan de directeur. Met het deken heb ik de achterkant van het bed en de kant van de muur afgedekt maar niet de zijkant waar men mij moet kunnen zien liggen. Ik heb geprobeerd om creatief te zijn omdat ik ’s nachts het licht niet kan verdragen. Het was niet de bedoeling het zicht weg te nemen van de beambten om mij te zien. Ik gebruik het deken op deze manier reeds 5 dagen en de vorige beambten hebben daar geen opmerking over gemaakt en nu die ene beambte wel. Ik veronderstel dat de beambten mij wel konden zien liggen. Ik heb zelf gecontroleerd door mijn deken zo over mijn bed te hangen zo men mij wel nog zou kunnen zien en dat leek mij geen enkel probleem. De beambte die hierover een rapport geschreven heeft, heeft lang naar mij staan kijken, ik heb hem teken gegeven en ben dan nadien opgestaan om te vragen wat er aan de hand was. Hij heeft mij duidelijk gezien in mijn bed.” 1.
  7. Dezelfde dag nog beslist de directeur aan verzoekster de tuchtsanctie van de vermaning op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Zij is gemotiveerd als volgt: “Mevrouw Akar mag geen oneigenlijk gebruik maken van een deken. Ze mag zich niet afschermen, dit is haar ook zo gezegd en ze beloofde het niet meer te doen. Indien zij het nachtmasker niet wenst te gebruiken, zal de beambte dit noteren.” 1.
  8. Bij beschikking van 15 november 2006, gewezen in een zaak die mede door de verzoekster aanhangig is gemaakt, beslist de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel “dat de maatregel van de directeur van het penitentiair complex te Brugge waarbij in de cel van verzoekster gedurende de ganse nacht een lamp brandt voorlopig wordt geschorst vanaf de betekening van deze beschikking tot er een uitspraak ten gronde in deze zaak wordt uitgesproken”. IX-5456-3/8 In die beschikking wordt onder meer het volgende overwogen : “De Belgische Staat stelt dat zij (hij) zich heeft geschikt aan de beschikking van 28 augustus
  9. Zij (hij) is van mening dat het voortdurend laten branden van twee lampen van 40 Watt in de cel van eisers niet storend is voor hun nachtrust. Los van alle technische bedenkingen over de intensiteit van het licht en over de noodzakelijkheid om nachtcontrole in de cellen uit te voeren, is het prima facie voor weinig discussie vatbaar, zelfs eerder flagrant, dat het laten branden van het licht in de cel van eisers hun nachtrust op systematische wijze verstoort. Dat het minder storend zou zijn dan het aansteken van het licht om de dertig minuten, is mogelijk, maar neemt niet weg dat hiermee de nachtrust op systematische wijze wordt verstoord. Het ter beschikking stellen van nachtmaskers doet hieraan geen afbreuk. Prima facie maakt de beslissing van de directeur van het PCB om het licht op permanente wijze aan te houden in de cellen van eisers gedurende de ganse nacht een feitelijkheid uit, nu het verbod tot het systematisch verstoren van de nachtrust werd opgelegd bij beschikking in kort geding van 28 augustus
  10. De vordering is derhalve gegrond op dit punt.” Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  11. In haar verzoekschrift laat verzoekster gelden dat zij een belang heeft bij haar beroep, omdat de bestreden beslissing haar individuele rechten raakt en haar in een negatief daglicht plaatst, terwijl zij nog geen enkele tuchtsanctie heeft opgelopen. Zij is van mening dat die beslissing een negatieve weerslag heeft op haar vrijheidsberoving en ook haar kansen op een voorwaardelijke invrijheidstelling beknot, aangezien deze wordt opgenomen in het persoonlijk dossier dat wordt voorgelegd aan de overheden die inspraak hebben in de beslissing tot voorwaardelij- ke invrijheidstelling. 2.
  12. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. Zij voert aan dat verzoekster geenszins concretiseert welke individuele rechten geschonden zouden zijn en dat verzoekster zich tot de kortgedingrechter kan wenden wanneer die rechten zouden zijn geschonden. Voorts stelt de verwerende partij dat verzoekster het louter subjectief gevoel dat zij in een negatief daglicht komt te staan niet met concrete elementen onderbouwt en dat verzoekster geen elementen aanhaalt die erop kunnen wijzen dat haar detentie IX-5456-4/8 ingevolge de tuchtsanctie in negatieve zin is geëvolueerd. Voor zover verzoekster stelt dat haar kansen op voorwaardelijke invrijheidstelling beknot worden, antwoordt de verwerende partij dat dit aspect van de strafuitvoering sinds 1 februari 2007 geregeld wordt door de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, waarbij het gedrag van de veroordeelde tijdens de detentie niet langer expliciet als tegenaanwij- zing wordt vooropgesteld bij het nemen van een beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling, zodat de hiertoe bevoegde instanties met tuchtinbreuken slechts rekening kunnen houden wanneer deze een bewijs vormen van één van de door de wet voorziene tegenaanwijzingen, wat in casu niet het geval is. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat het beroep moet worden afgewezen bij gebrek aan het vereiste belang of nadeel in hoofde van verzoekster. Minstens acht de verwerende partij dit belang niet langer actueel, nu verzoekster ingevolge het arrest van 19 april 2007 van het Hof van Cassatie in haar zaak, voorlopig in vrijheid is gesteld en bijgevolg niet langer een belang kan aanvoeren dat zij gevrijwaard wenst te zien bij de beoordeling van een strafuitvoeringsmodaliteit. 2.
  13. Daargelaten de vraag naar de mogelijke gevolgen van de opgelopen tuchtsanctie voor de detentie en voor de voorwaardelijke invrijheidstel- ling, dient te worden vastgesteld dat verzoekster, zelfs nu zij zich niet langer in detentie zou bevinden, in elk geval over een moreel belang beschikt om de beslissing aan te vechten waarbij middels een tuchtsanctie haar gedrag in de strafinrichting werd afgekeurd. De exceptie kan niet worden aangenomen. Gegrondheid van het beroep 3.
  14. In een derde middel voert verzoekster de schending aan van de motiveringsplicht. Zij stelt geen enkele inbreuk te hebben begaan, vermits het “oneigenlijk” gebruik van haar deken het hoofd moest bieden aan het licht dat continu bleef branden en haar nachtrust verhinderde, waarbij het voor haar onmogelijk was om met een masker te slapen. Zij is van mening dat de houding van de strafinrichting om het licht de ganse nacht te laten branden een ontoelaatbare en niet passende poging was om de beschikkingen van de rechters in kortgeding te omzeilen en dat die houding haar gedrag heeft uitgelokt. Het gedrag van verzoekster IX-5456-5/8 was nimmer een gevaar voor de orde en de veiligheid van de inrichting, maar slechts een poging om de (licht)schade zoveel mogelijk te beperken, op een rustige en verantwoorde manier. Bovendien was een tuchtprocedure volgens haar absoluut niet noodzakelijk en had een simpel verzoek om haar deken te verwijderen volstaan. 3.
  15. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing wel degelijk op afdoende wijze is gemotiveerd. Wat die motivering betreft, stelt de verwerende partij dat deze duidelijk de precieze en concrete gegevens weergeeft op grond waarvan de beslissing werd genomen; dat deze expliciet verwijst naar het gedrag van verzoekster; dat de motivering afdoend is, vermits de gevangenisdirectie rekening houdend met alle elementen van het tuchtdossier de feiten bewezen heeft verklaard en verzoekster die feiten niet heeft betwist en zelfs heeft beloofd zich niet opnieuw af te schermen; dat de straf in verhouding staat tot de ernst van de feiten, gezien verzoeksters gedrag niet de zwaarst mogelijke tuchtinbreuk uitmaakt maar wel een reactie van de gevangenisdirectie noodzaakte; dat deze pertinent is, gezien het redelijk verband tussen het verhinderen van het toezicht en de vermaning; dat deze toelaatbaar is, vermits de gevangenisdirectie met haar noodzakelijke optreden instond voor haar primordiale taak, met name het behoud van de orde en veiligheid binnen de inrichting en dit met maximaal respect voor de rechten van verzoekster en met de bedoeling haar nachtrust ten volle te waarborgen, gelet op de speciaal voorziene nachtlampen en het nachtmasker. Waar volgens verzoekster een tuchtprocedure te dezen niet noodzakelijk was, merkt de verwerende partij op dat de Raad van State geen oordeel kan vellen over de wenselijkheid en opportuniteit hiervan, aangezien dit tot de discretionaire bevoegdheid van de gevangenisdirectie behoort. 3.
  16. In haar memorie van wederantwoord betwist verzoekster dat zij een fout zou hebben toegegeven. Zij stelt dat zij integendeel de gevangenisdirectie verzocht heeft om het deken te bekijken daar dit het zicht helemaal niet belemmer- de, wat gemakkelijk kon worden vastgesteld, maar dat de directie zulks niet noodzakelijk of nuttig achtte. Volgens verzoekster is de motivering dan ook onjuist. 3.
  17. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat uit de samenlezing van de motivering van de bestreden beslissing en de stukken van het administratief dossier duidelijk blijkt dat verzoekster gesanctioneerd werd omdat zij zich middels een deken derwijze afschermde dat het toezicht door het bewakend personeel bemoeilijkt werd. Zij wijst op het rapport aan de directeur, waarin in IX-5456-6/8 duidelijke bewoordingen aan verzoekster ten laste wordt gelegd dat zij zich op die wijze had afgeschermd dat het penitentiair personeel haar niet duidelijk kon zien liggen, en tevens op de hoorzitting, waar de directie die tenlastelegging heeft bevestigd. Volgens de verwerende partij bestond er in hoofde van verzoekster dan ook geen enkele onduidelijkheid omtrent de feiten die haar ten laste werden gelegd en blijkt uit het feit dat zij finaal gesanctioneerd werd dat de directie verzoeksters verklaringen niet heeft weerhouden. 3.
  18. Verzoekster betwist in essentie dat zij een tuchtvergrijp heeft begaan. Zij zou haar deken gebruikt hebben om te verhinderen dat zij door het licht in haar slaap werd gestoord, maar zij ontkent dat het deken het zicht van de beambte bij de nachtcontrole belemmerde. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat verzoekster “oneigenlijk gebruik” zou hebben gemaakt van een deken en dat zij zich niet mag “afschermen”. Verzoekster zou in elk geval niet kunnen worden gestraft voor het feit dat zij heeft geprobeerd met het deken minder hinder te hebben van het licht. Zoals ook blijkt uit de beschikking van 15 november 2006 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel is het laten branden van twee lampen van 40 watt in de cel van verzoekster een feitelijkheid waardoor de nachtrust van verzoekster op systematische wijze wordt verstoord en was zulks in strijd met het verbod tot het systematisch verstoren van de nachtrust dat werd opgelegd bij de beschikking in kortgeding van 28 augustus
  19. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt evenwel duidelijk dat verzoekster tuchtrechtelijk werd gehoord, niet omdat zij met haar deken minder hinder probeerde te hebben van het licht, maar wel omdat zij met haar deken de nachtcontrole belemmerde en dat zij hiervan in kennis werd gesteld. Verzoekster heeft tijdens die hoorzitting verklaard dat zij met het deken de achterkant van het bed en de kant van de muur heeft afgedekt, maar niet de zijkant, zodat het gevangenispersoneel haar moest kunnen zien liggen. Die verklaring is door de directie niet tegengesproken. Aldus heeft verzoekster tijdens de hoorzitting betwist dat het penitentiair personeel haar niet duidelijk kon zien liggen. Bijgevolg heeft de directeur van de strafinrichting de bestreden beslissing niet op afdoende wijze gemotiveerd door louter te stellen dat verzoekster “zich niet (mag) afschermen”. IX-5456-7/8 Bij gebrek aan deugdelijke motivering kan niet worden vastgesteld dat de verzoekster een tuchtrechtelijke inbreuk heeft begaan. Het derde middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. Vernietigd wordt de beslissing van 3 oktober 2006 van de directeur van de Strafinrichting Brugge - Vrouwenafdeling waarbij aan Sükriye Akar de tuchtsanctie van de vermaning wordt opgelegd. Artikel
  21. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 december 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5456-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.