← België

Arrest 189118 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.118 Rolnummer: A. 152764/IX-4563 Zaak: Arrest 189118 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-13 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 11:53 Fiche Arrest nr 189.118 van 23 december 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.118 van 23 december 2008 in de zaak A. 152.764/IX-4563 In zake : Rudy MILLECAM, die woonplaats kiest bij het Vrij syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA), gevestigd te BRUSSEL, Lang Levenstraat 27-29 tegen : NV DE POST, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN OLMEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 221 tussenkomende partijen : 1. Marc VAN LOO, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE BRABANTER, kantoor houdende te ASSE, Stationsstraat 69 2. Paul MELLAERTS, wonende te GIERLE, Vennestraat 69. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy MILLECAM op 14 juni 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “A. De beslissingen van één of meer voor verzoeker onbekend organen van DE POST waarbij de mandaatfunctie van

(1)Mail Collect & Distribution Field Coordination Manager,
(2)HR & O Industrial Relations Payroll & Procedures Manager en
(3)Retail-POS HR Account Retail Distribution Manager werden toegewezen respectievelijk aan
(1)MELLAERTS P.H.C.,
(2)VAN LOO M.A.L. en aan
(3)MOLON C.L.A. (...), IX-4563-1/6 B. de expliciete dan wel impliciete weigering om de titels en verdiensten van verzoeker met het oog op de toewijzing van de in A. vermelde mandaatfunc- ties op een objectieve wijze te onderzoeken (...), C. de expliciete dan wel impliciete weigering om de in A. vermelde mandaatfuncties toe te wijzen aan verzoeker (...)”; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van respectievelijk 30 juli 2004 en 4 augustus 2004; Gelet op de beschikking van 18 augustus 2004 die de tussenkom- sten van Marc Van Loo en Paul Mellaerts toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 22 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. LEROY, die loco advocaat C. VAN OLMEN, verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat K. BOSMANS, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; IX-4563-2/6 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  1. Met een lijst van 20 april 2004 wordt de toewijzing van verschillende mandaten aan het personeel van De Post meegedeeld, zoals onder meer de toekenning van het mandaat van Field Coordination Manager bij de dienst Mail Collect & Distribution aan de heer P. Mellaerts, de toekenning van het mandaat van Payroll & Procedures Manager bij de dienst HR & Organisation aan de heer M. Van Loo en de toekenning van het mandaat van HR Account Retail Distribution Manager bij de dienst Retail - POS aan de heer C. Molon. 1.
  2. Alle personeelsleden die beantwoorden aan de vooropgestelde profielvereisten, vermeld in de functieprofielen mochten binnen de twintig dagen na datum van publicatie solliciteren. 1.
  3. Volgens verzoeker zijn deze mandaten niet vooraf beschreven, is er geen profiel van de kandidaten bepaald en werden de vacatures niet vooraf aan hem meegedeeld, zodat hij in de onmogelijkheid verkeerde om zich voor die functies kandidaat te stellen. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  4. De verwerende partij werpt als exceptie op dat het beroep zonder voorwerp is geworden, vermits voormelde mandaten door een lijst van 13 augustus 2004 opnieuw vacant werden verklaard, nu met een functiebeschrijving en met een profiel, zodat alle personeelsleden die aan het gestelde profiel beantwoordden, zich opnieuw kandidaat konden stellen. 2.
  5. Verzoeker betwist dat het beroep zonder voorwerp zou zijn, vermits hij niet enkel om de vernietiging van de aanwijzingen heeft verzocht, maar ook om de vernietiging van impliciete weigeringsbeslissingen. De nietigverklaring van een impliciete weigering tot benoeming, besloten in de uitdrukkelijke benoeming van een andere kandidaat en tot stand gekomen in het kader van een IX-4563-3/6 discretionaire aangelegenheid, kan volgens verzoeker immers op ontvankelijke wijze worden gevorderd, indien men het middel aanvoert van de dwaling in rechte en/of in feite bij de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten. Na een omstandige uiteenzetting in zijn laatste memorie komt verzoeker tot de conclusie dat dergelijke impliciete weigering tot benoeming ontvankelijk moet worden verklaard, los van de vraag of als middel wordt aangevoerd, hetzij de miskenning van de rechtsplicht van de overheid om de verzoeker te benoemen, hetzij de dwaling in rechte en/of in feite bij de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten. 2.
  6. De vordering gericht tegen de expliciete dan wel impliciete weigering om de drie betrokken mandaatfuncties aan verzoeker toe te kennen zou slechts ontvankelijk zijn indien die toewijzing het voorwerp is van een gebonden bevoegdheid in hoofde van de verwerende partij. Te dezen blijkt echter geenszins dat op de verwerende partij de rechtsplicht rust om die mandaten aan verzoeker toe te wijzen. Evenmin wordt dit door verzoeker aangevoerd. In zijn verzoekschrift en laatste memorie laat hij integendeel uitschijnen dat het gaat om een discretionaire bevoegdheid. Bijgevolg is de vordering gericht tegen de weigering om de drie betrokken mandaten toe te kennen aan verzoeker niet ontvankelijk. 2.
  7. De verwerende partij preciseert dat de mandaten waarvan verzoeker de toekenning bestrijdt, opnieuw vacant werden verklaard met de gele lijst 3.2.
  8. /20 van 13 augustus 2004, wat door verzoeker niet wordt betwist. Er valt dan ook niet in te zien welk belang verzoeker nog kan doen gelden bij de nietigverklaring van de bestreden toewijzingsbeslissingen, die hetzij opgeheven, hetzij ingetrokken zijn. Verzoeker beoogt immers zelf voor de betrokken mandaten te worden aangewezen en daartoe is de vernietiging van de bestreden toewijzingen niet langer vereist, nu ingevolge de nieuwe vacantverklaring van 13 augustus 2004 verzoeker de kans kreeg om zich voor die mandaten kandidaat te stellen. Verzoeker kan evenmin een actueel belang doen gelden bij de vernietiging van de expliciete dan wel impliciete weigering om, met het oog op de toewijzing van de betrokken mandaatfuncties, zijn titels en verdiensten op een objectieve wijze te laten onderzoeken, aangezien die weigering, daargelaten de vraag of zij als een voor vernietiging vatbare beslissing kan worden beschouwd, IX-4563-4/6 betrekking heeft op een procedure die geen belang meer heeft voor de toekenning van de betrokken mandaten. Op 13 augustus 2004 is immers een nieuwe toewij- zingsprocedure opgestart waarin verzoeker, voor zover hij zijn kandidatuur gesteld zou hebben, -wat niet blijkt uit het administratief dossier-, de kans kreeg zijn titels en verdiensten vergeleken te zien met die van de andere kandidaten. Bijgevolg is de exceptie gegrond. Kosten van het beroep
  9. In zijn laatste memorie stelt verzoeker terecht dat de kosten ten laste zijn van de verwerende partij, vermits het teloorgaan van zijn belang uitsluitend te wijten is aan het toedoen van de verwerende partij en meer bepaald aan de nieuwe vacantverklaring van de door hem geambieerde mandaten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. IX-4563-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 december 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4563-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.