id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.123 Rolnummer: A. 89830/IX-2247 Zaak: Arrest 189123 - Varia (openbaar ambt) - 23/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-13 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 11:55 Fiche Arrest nr 189.123 van 23 december 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.123 van 23 december 2008 in de zaak A. 89.830/IX-
- In zake : Filip D’HONDT, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE BRABANTER, kantoor houdende te ASSE, Stationsstraat 69 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit en Vervoer, thans de staatssecretaris voor Mobiliteit. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Filip D'HONDT op 25 februari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Minister van Vervoer van 15 juli 1998 waarbij met ingang van 1 januari 1998 de wedde wordt vastgesteld van de agenten der zeevaartpolitie vermeld in de tabel gevoegd als bijlage bij het besluit, in zoverre het besluit zijn wedde vaststelt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 29 januari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-2247-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. FAYT, die loco advocaat J. DE BRABANTER verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat B. VAN HYFTE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- Op het ogenblik van het bestreden besluit is de verzoeker bekleed met de graad van agent der zeevaartpolitie (nieuwe graad, van rang 20). In 1997 is hij geslaagd voor het bevorderingsexamen van de vroegere graad van brigadier der zeevaartpolitie (vroegere rang 22). 2.
- Bij koninklijk besluit van 22 juni 1998 houdende vereenvoudiging van de loopbanen van de ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur wordt de graad van brigadier der zeevaartpolitie afgeschaft. Artikel 22 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur bevat bepalingen in verband met het geldelijk statuut van de agenten der zeevaartpolitie (nieuwe graad). Die bepalingen luiden als volgt: “Art.
- §
- Aan de bijzondere graad van agent der zeevaartpolitie (rang 20) wordt de weddeschaal 20 A verbonden. §
- ... §
- De agent der zeevaartpolitie die slaagt in het examen voor verhoging in weddeschaal, bekomt de weddeschaal 20 E. §§ 4-
- ...” Artikel 90 van het genoemde besluit bevat bijzondere, afwijkende bepalingen, ten gunste van bepaalde laureaten van een examen voor verhoging tot de geschrapte graad van brigadier der zeevaartpolitie (of van de te dezen niet ter zake doende graad van eerste scheepsmeter). Dat artikel luidt als volgt: IX-2247-2/6 “Art.
- De ambtenaar die geslaagd is voor een examen voor verhoging in graad tot de geschrapte graad van brigadier der zeevaartpolitie of eerste scheepsmeter, afgesloten of in uitvoering tussen 1 augustus 1995 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit, wordt, op de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van dit examen, geacht laureaat te zijn van een examen voor verhoging in weddeschaal onderscheidenlijk ingericht in de nieuwe graad van agent der zeevaartpolitie (R20) of scheepsmeter (R20).” Overeenkomstig artikel 94 van voormeld besluit zijn de genoemde artikelen op 1 juli 1998 in werking getreden. 2.
- Bij ministerieel besluit van 15 juli 1998 wordt de wedde van 40 met naam genoemde agenten der zeevaartpolitie, vermeld in de bijlage bij dat besluit, allen laureaat van een examen voor verhoging tot de afgeschafte graad van brigadier der zeevaartpolitie, met ingang van 1 januari 1998 vastgesteld. Voor elk van hen wordt de wedde bepaald op basis van de weddeschaal 20 E, rekening houdend met ieders nuttige anciënniteit. Het voorliggende beroep is gericht tegen dit besluit, in zoverre het de wedde van de verzoeker vaststelt.
- Op 1 april 1999 wordt de verzoeker overgedragen aan de toenmalige rijkswacht.
- De bepalingen van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, die betrekking hebben op de graden van de niveaus 4, 3, 2, en 2+, zijn opgeheven bij artikel 44 van het koninklijk besluit van 2 april 2004 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Voor de bijzondere graden van de vier genoemde niveaus is de opheffing gebeurd met ingang van 1 december 2003 (artikel 44, 5/). De nog overblijvende bepalingen van het genoemde koninklijk besluit van 22 juni 1998 zijn vervolgens opgeheven, met ingang van 1 december 2004, bij artikel 10 van het koninklijk besluit van 11 oktober 2006 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van de ambtenaren van niveau A bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. IX-2247-3/6 Ontvankelijkheid van het beroep 5.
- Ter terechtzitting werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat een vernietiging de verzoeker thans geen voordeel meer kan bijbrengen omwille van de latere keuzes die hij heeft gemaakt met betrekking tot zijn loopbaan en carrière. 5.
- Wat betreft het belang van de verzoeker, moet naast de overheveling van de verzoeker naar de rijkswacht ook gewezen worden op de opheffing van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, dat de rechtsgrond vormt voor het bestreden besluit. Beide ontwikkelingen, die zich hebben voorgedaan sinds het indienen van het beroep, doen de vraag rijzen of de verzoeker nog wel een actueel belang heeft. Op de brieven van de staatsraad-verslaggever van 4 juli 2008 en 15 september 2008, waarin gevraagd werd of er nieuwe ontwikkelingen waren in de zaak en of de verzoeker nog belang stelde in een gewone afhandeling van de zaak, heeft de verzoeker niet gereageerd. Ter terechtzitting verwijst de verzoeker louter naar de procedurestukken, zonder nadere toelichting bij zijn belang te verschaffen. Daargelaten de vraag of de verzoeker nog wel doet blijken van de vereiste belangstelling voor zijn beroep, zet hij in elk geval niet uiteen waarin zijn actueel belang nog bestaat. Gelet op de genoemde ontwikkelingen, moet dan ook worden besloten dat hij geen actueel belang meer heeft bij zijn beroep. De exceptie is gegrond. 6.
- In haar memorie van antwoord heeft de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen, afgeleid uit de laattijdigheid van het beroep. Zij voert aan dat bij de kennisgeving van het bestreden besluit aan de verzoeker weliswaar geen melding is gemaakt van de mogelijkheid om daartegen beroep in te stellen, maar dat dit niet belet dat de verzoeker binnen een redelijke termijn zijn beroep moest instellen, wat te dezen niet is gebeurd. IX-2247-4/6 Ter terechtzitting werpt zij nog een andere exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het feit dat het bestreden besluit geen voor vernietiging vatbare handeling is. In dit verband wijst zij erop dat de verzoeker het koninklijk besluit van 22 juni 1998 tot vaststelling van de geldelijke bepalingen toepasselijk op de bijzondere graden van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur had moeten aanvechten in plaats van het ministerieel besluit van 15 juli
- Zij meent dat het ministerieel besluit van 15 juli 1998 een loutere toepassing op de verzoeker is van de bij het koninklijk besluit van 22 juni 1998 vastgestelde bezoldigingsregeling, en dat het bestreden besluit derhalve van louter declaratieve aard is. 6.
- Gelet op de conclusie in verband met de exceptie afgeleid uit het ontbreken van een actueel belang, is het niet nodig nog in te gaan op de andere excepties. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker . IX-2247-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 december 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2247-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.