← België

Arrest 189127 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.127 Rolnummer: A. 189484/XII-5612 Zaak: Arrest 189127 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 11:57 Fiche Arrest nr 189.127 van 23 december 2008 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.127 van 23 december 2008 in de zaak A. 189.484/XII-

  1. In zake : Paul OLIESLAGERS, die woonplaats kiest bij advocaat K. Stappers, kantoor houdende te Antwerpen, Vlaamse Kaai 54-57 tegen : de WEST-VLAAMSE ENERGIE- EN TELEDISTRIBUTIEMAATSCHAPPIJ (WVEM), die woonplaats kiest bij advocaten X. D’Hulst en M. Deweirdt, kantoor houdende te Kortrijk, Doorniksewijk
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul Olieslagers op 29 augustus 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : ”De beslissing van ongekende datum waarnaar verwezen wordt in een schrijven van 23 april 2008 vanwege Paul De Fauw, directeur-generaal van WVEM aan Paul Olieslagers en waarin het Uitvoerend Comité beslist zou hebben dat er geen reden is tot herziening van de beoordeling van de heer Paul Olieslagers”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 december 2008; XII-5612-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Boullart, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Deweirdt, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  3. Verzoeker is bij verwerende partij tewerkgesteld te Vosselaar, als projectleider voor de Kempen. Hij wordt op 24 januari 2008 negatief beoordeeld voor het functioneringsjaar
  4. Na beroep hiertegen, beslist het uitvoerend comité op 21 april 2008 dat er geen reden is om de evaluatie te herzien. Naar aanleiding van deze “zeer negatieve beoordeling” moet verzoeker op 23 juni 2008 voor de raad van bestuur verschijnen, met het oog op het eventueel opleggen van een tuchtstraf. Dezelfde dag nog legt de raad van bestuur hem de tuchtsanctie op van de achteruitstelling in rang met weddevermindering van LB2 naar LB4, voor twaalf maanden. Blijkens een e-mail van 3 juli 2008 wordt verzoeker in de toekomst ingeschakeld in de GIS-afdeling van Hoboken, nadat hij een opleiding van een maand te Hasselt heeft gevolgd. De ontvankelijkheid
  5. Volgens de nota is de vordering onontvankelijk. XII-5612-2/5 Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid dringen zich alleen op indien voldaan mocht zijn aan de grondvoorwaarden voor een schorsing, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is. De grondvoorwaarden voor de schorsing
  6. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden beslist onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  7. Wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, voert verzoeker in de eerste plaats aan dat de bestreden beslissing hem als totaal incompetent doet voorkomen, een werkelijke blamage betekent en zijn geloofwaardigheid ondermijnt. Voorts betoogt verzoeker dat zij de grondslag uitmaakt van de tuchtsanctie van 23 juni 2008, die een grove belediging en een morele kaakslaag vormt, die zijn netto-wedde met bijna 14 % of i 300 vermindert, en waardoor hij plots in een ondergeschikte positie geplaatst wordt ten opzichte van bepaalde collega’s van wie hij al jaren de meerdere is.
  8. Verwerende partij antwoordt daarop in de nota dat verzoeker niet omschrijft hoe het nadeel van het ondermijnen van zijn geloofwaardigheid zich kan uiten, dat het “een louter hypothetische bewering” betreft, en dat voor het overige het nadeel betrekking heeft op de tuchtmaatregel “die een afzonderlijke autonome beslissing is”.
  9. Het is niet de eerste keer dat verzoeker ongunstig geëvalueerd wordt. Dat was ook al het geval in
  10. Toen is verzoeker niet in rechte opgekomen tegen de ongunstige beoordeling, al had zij een uitstel van bevordering tot gevolg. Het draagt ertoe bij om de morele impact van de nieuwe ongunstige beoordeling op verzoeker, enigszins te doen relativeren. Voorts wordt vastgesteld dat de negatieve beoordeling intussen is gevolgd door een tuchtstraf die precies vanwege deze negatieve beoordeling werd opgelegd. In die particuliere omstandigheden lijkt het negatief effect van de bestreden beoordeling goeddeels geabsorbeerd te zijn door en overgegaan naar de tuchtstraf, XII-5612-3/5 zodat een schorsing van (alleen) de ongunstige evaluatie hoe dan ook niet zou vermogen het besproken morele nadeel te doen ophouden. Terecht wijst verwerende partij erop dat het feit dat verzoeker minder verdient, een gevolg van de tuchtmaatregel is en niet van de bestreden beslissing. Dat geldt, in voorkomend geval, ook het beweerde nadeel dat verzoeker ondergeschikt zou zijn geworden aan collega’s wier meerdere hij was.
  11. In zoverre ten slotte verzoeker, onder randnr. 47 van het verzoekschrift, ter bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel de onwettigheid doet gelden waarvan hij het slachtoffer beweert te zijn, verwart hij de schorsingsvoorwaarde van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met de voorwaarde van een ernstig middel.
  12. Verzoeker toont niet genoegzaam aan dat hij ten gevolge van de bestreden beslissingen een nadeel ondervindt dat zowel ernstig als moeilijk herstelbaar is, en waarvoor de gevorderde schorsing hem kan vrijwaren. De tweede van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing is niet vervuld. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  14. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-5612-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5612-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.