← België

Arrest 189147 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.147 Rolnummer: A. 184758/XIV-29679 Zaak: Arrest 189147 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 12:00 Fiche Arrest nr 189.147 van 23 december 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.147 van 23 december 2008 in de zaak A. 184.758/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. M. MANESSE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Galerij Naamse Poort 23/2 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 9 augustus 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 664 van 10 juli 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1207 van 28 augustus 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. M. MANESSE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en staatlozen; XIV-29.679-1/5 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 57/11, tweede lid, en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 4, § 1, en § 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen, van de rechten van verdediging en de “duidelijke beoordelingsfout” opwerpt; dat zij de bestreden beslissing citeert en het volgende aanvoert: “Verzoekende partij beweert dat de beschikking die de datum van de rechtszitting voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 4 juli 2007 bepaalt haar nooit betekend werd overeenkomstig de artikelen 4 § Ie en 10, alinea 2 van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 die de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt. Dat het inderdaad zeker is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 12 juni 2007 naar het adres van de gekozen woonplaats van verzoekster, ttz. het kantoor van haar Raadsman, een aangetekend schrijven gericht heeft op naam van Mevrouw XXX, p/a De Heer Serge Manesse, Advocaat, Galerij van de Naamse Poort; Dat de postbode op 17.06.2007 op het kantoor van haar raadsman geweest is, en, omdat deze afwezig was, hem een bericht achtergelaten heeft van een aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging; Dat de volgende dag de raadsman van verzoekster naar het postkantoor is gegaan om ontvangst te bevestigen van dit schrijven; Dat de post als voorwendsel aanvoerde dat op de omslag tegelijk de naam van verzoekster en deze van haar raadsman stond en geweigerd heeft deze brief aan de raadsman te overhandi- gen; Dat na een discussie met de postbeambten, deze beloofd hebben er hun hiërarchisch hoofd, ttz. de verantwoordelijke van hun agentschap van in kennis te stellen en de raadsman over de gevolgen aan dit schrijven voorbehouden in te lichten. Dat na twee dagen zonder reactie van de Post, de raadsman van verzoekster opnieuw naar het postkantoor is gegaan om het gevolg van dit dossier te kennen; Dat de post opnieuw haar standpunt bevestigd heeft en beweerde deze brief niet aan de raadsman van verzoekster te overhandigen zonder haar aanwezigheid; Dat de raadsman contact heeft genomen met verzoekster en haar gevraagd heeft naar zijn kantoor te komen om over te gaan tot het in ontvangst nemen van deze brief, Dat spijtig genoeg de behandelende geneesheer van verzoekster haar verboden heeft zich te verplaatsen tot haar bevalling, omdat zij een risico zwangerschap had; Dat de raadsman van verzoekster telefonisch de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen op 18.06.2007 ingelicht heeft over de problemen die hij had om in het bezit te komen van voornoemde brief en gevraagd heeft hem rechtstreeks een kopie van dit schrijven per fax te laten geworden; Dat de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hem beloofd heeft opnieuw met hem contact te nemen om hem in te lichten over de te volgen procedure; XIV-29.679-2/5 Dat er spijtig genoeg na twee dagen geen enkele reactie van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was en de raadsman van verzoekster heeft per fax een brief naar de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gestuurd om zijn vraag te herhalen; Op dat ogenblik heft de raadsman van verzoekster een fax van de griffie ontvangen om te zeggen dat de Post verplicht was hem de omstreden brief te overhandigen; Dat de raadsman zich naar het desbetreffend postkantoor begaf die hem een aangetekend schrijven overhandigde die van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kwam die enkel een nota met observaties van het CGVS bevatte; Overwegend dat overeenkomstig artikel 4, §Ie van het Koninklijk Besluit van 21 december 2006 die de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt 'Me termijn waarover partijen beschikken begint vanaf de dag van ontvangst van het aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging". Dat in deze context waarin de termen gebruikt worden, de kennisgeving de verzending van de beschikking van de bepaling van de datum van de audiëntie beoogt, terwijl de ontvangst moet begrepen worden vanaf het ogenblik van de werkelijke ontvangst van bedoeld schrijven. Dat bijgevolg verzoekende partij en haar raadsman enkel hebben kennis kunnen nemen van de datum van de audiëntie voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij middel van het arrest uitgesproken door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 11 juli 2007; Dat bijgevolg de raadsman van verzoekster in dit geval alles gedaan heeft om kennis te nemen van het aangetekend schrijven; Dat de raadsman van verzoekster gewaakt heeft over de belangen van verzoekster door alle nodige maatregelen te nemen om te kunnen slagen in de communicatie van dit schrijven zoals de jurisprudentie van de Raad van State in haar arrest nr. 85.428 van 21 februari 2000, A. 5751 X - 2137 het in dergelijke hypothese vereist. Dat de omstandigheden waarin betrokkene of haar raadsman geen kennis hebben kunnen nemen van bedoeld aangetekend schrijven te wijten is aan een overmacht; Dat in dit geval, overeenkomstig de jurisprudentie van de Raad van State, deze overmacht "wel het gevolg is van een feit buiten de goede wil van verzoekende partij en van haar raadsman" (Hublou, n/ 20.495, 8 juli 1980). Dat ten opzichte van de moeite en de stappen, zonder succes ondernomen, zowel bij de verantwoordelijken van het Postkantoor, als bij de Griffie van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, door de raadsman van verzoekster om in het bezit van dit schrijven te komen of ten minste op de hoogte gebracht te worden van de inhoud ervan, men moet besluiten tot overmacht; Dat deze overmacht van dergelijke aard is dat elk voorzichtige en ijverige persoon niets had kunnen doen tegen deze reeks gedwongenheden en men rekening moet houden met : - de weigering van de post zonder grondige reden de brief aan de raadsman van verzoekster te overhandigen, terwijl dikwijls bij hetzelfde postkantoor andere agenten de gewoonte hebben het te doen; - de onmogelijkheid van verzoekster zich tijdens deze periode te verplaatsen; - en bovendien de laattijdige reactie van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen ten opzichte van de verschillende interpellaties van de raadsman van verzoekster. Dat bovendien de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen , hoewel hij op de hoogte was van de moeilijkheden van de raadsman van verzoekster om in het bezit te komen van de post die hij naar het adres van de keuze van de woonplaats van verzoekster had gestuurd, zich vrijwillig onthouden heeft bij de fax die hij als antwoord gestuurd heeft een kopie te voegen of zelfs het voorwerp van dit schrijven nader te bepalen; Dat men in deze omstandigheden moeilijk geldig verzoekster kan verwijten noch verschenen te zijn, noch vertegenwoordigd te zijn geweest, en nog minder een afwezigheid van interesse ten opzichte van het vervolg van de procedure.”;
  3. Overwegende dat de inmiddels opgeheven artikelen 57/11, tweede lid, en 57/22 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de termijn om een beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in te dienen en op de motivering van de XIV-29.679-3/5 beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, terwijl het bestreden arrest door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is uitgesproken; dat artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek op de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde doch niet op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van toepassing is; dat de artikelen 4, § 1, en § 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betrekking hebben op de kennisgeving van de beschikking tot vaststelling van de terechtzitting, waarop het middel uitsluitend betrekking heeft; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat uit stuk 6 van het rechtsplegingsdossier blijkt dat de ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen van 15 juni 2007 op 26 juni 2007 aan de raadsman van de verzoekende partij op haar gekozen woonplaats werd overhandigd; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij over de voordien ondervonden problemen om die brief in ontvangst te kunnen nemen niet dienend is, nu de ontvangst van de kwestieuze brief op 26 juni 2007 de verschijning van de verzoekende partij of de vertegenwoordiging door haar raadsman op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 4 juli 2007 mogelijk maakte; dat, waar de verzoekende partij aanvoert dat de kwestieuze aangetekende zending “enkel een nota met observaties bevatte”, uit het voornoemde stuk 6 blijkt dat de beschikking van 12 juni 2007 waarbij de partijen voor de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 4 juli 2007 werden opgeroepen, wel degelijk deel van die zending uitmaakte; dat de vermelding van de naam van de verzoekende partij en de gekozen woonplaats bij haar raadsman als adres immers enkel op die beschikking voorkomt; dat het middel in die mate feitelijke grondslag mist dan wel ongegrond is; Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. XIV-29.679-4/5 Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.679-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.