← België

Arrest 189174 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/12/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.174 Rolnummer: A. 184576/XIV-29618 Zaak: Arrest 189174 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-12 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 12:01 Fiche Arrest nr 189.174 van 23 december 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.174 van 23 december 2008 in de zaak A. 184.576/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 27 juli 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 486 van 28 juni 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1153 van 14 augustus 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-29.618-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat X. BAERT, die loco advocaat P. ROBERT verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E.HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Tweede middel afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging van partijen : Doordat, De verzoekende partij ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een conclusie heeft neergelegd (stuk 3) samen met de stukken waarvan de inventaris werd opgegeven in fine van de conclusie, Terwijl, Het besteden arrest niet alleen geen enkele rekening houdt bij de motivering met de inhoud van deze conclusie, maar zelfs geen melding maakt van het overleggen van de conclusie en de stukken en evenmin aanduidt waarom er met deze conclusie en met deze stukken reen rekening diende gehouden te worden. Dat de Grondwet uitdrukkelijk voorziet dat de rechterlijke beslissingen dienen gemotiveerd te worden en dat bijgevolg ieder vonnis of arrest een adequaat antwoord dient te bevatten op de argumenten, die in een conclusie worden uiteengezet, hetgeen in casu niet in het minst is gebeurd; Dat minstens mag verwacht worden dat in het arrest wordt aangeduid op welke rechtsgrond de Raad zich steunde om met de neergelegde conclusie en met de neergelegde stukken, geen rekening te houden; De rechten van de verdediging, werden aldus op fundamentele wijze geschonden.”;
  3. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In het tweede middel roept verzoeker de schending in van artikel 149 van de grondwet, artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging. Verweerder antwoordt dat de voornoemde wet van 29 juli 1991 niet van toepassing zijn op de beslissingen van de RvV, dat als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt (06-13348, Syrië, R.v.St. nr. 1005 van 26 juli 2007). Verzoeker stelt dat hij tijdens de zitting een conclusie heeft neergelegd en hier geen rekening werd gehouden. Verweerder antwoordt dat uit het proces-verbaal van de zitting wel degelijk blijkt dat verzoeker stukken voorlegde ter zitting. Artikel 39/76, §1, van de Vreemdelingenwet de XIV-29.618-2/5 voorwaarden bepaalt waaronder nieuwe elementen kunnen worden aangebracht en waaronder een replieknota kan worden ingediend; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij aan deze procedurele voorwaarden voldeed noch dat deze bepaling zou zijn miskend (05-17195B, Nepal, R.v.St. nr. 1073 van 7 augustus q2007). Het tweede middel is ongegrond.”;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Zelfs al zou de wet van 29 juli 1991 niet van toepassing zijn op de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dan nog blijft de regel gelden dat de Arresten dienen gemotiveerd te worden zowel in rechte als in feite en dat deze motivering afdoende dient te zijn. Indien uit het zittingsblad blikt dat de verzoekende partij een conclusie heeft neergelegd en stukken, dan is zulks een bevestiging van wet de verzoekende partij schreef in zijn inleidend verzoekschrift. Artikel 39/76, §1, doet in casu niet ter zake: de vraag die zich in deze stelt is waarom de Raad in zijn Arrest geen melding maakt van deze conclusie en de neergelegde stukken, evenmin aanduidt waarom er geen melding van wordt gemaakt en tenslotte waarom er met deze conclusie en deze stukken geen rekening werd gehouden.”;
  5. Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet stelt dat “elk vonnis (...) met redenen (is) omkleed”; dat artikel 39/76, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), luidt als volgt: “De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen. De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt slechts de nieuwe gegevens als [aan de twee volgende voorwaarden] is voldaan: 1/ deze nieuwe gegevens zijn opgenomen in het oorspronkelijk verzoekschrift of, indien met toepassing van [artikel 39/72, § 2], een verzoek tot tussenkomst wordt ingediend, in het verzoekschrift tot tussenkomst; 2/ de verzoeker of de tussenkomende partij in het geval bedoeld in artikel 39/72, § 2, moet aantonen dat hij deze gegevens niet vroeger heeft kunnen inroepen in de administratieve procedure. In afwijking van het tweede lid en desgevallend van artikel 39/60, tweede lid, kan de Raad met het oog op een goede rechtsbedeling, beslissen om elk nieuw gegeven in aanmerking te nemen dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, met inbegrip van hun verklaringen ter terechtzitting, onder de cumulatieve voorwaarden dat: 1/ deze gegevens steun vinden in het rechtsplegingsdossier; 2/ ze van die aard zijn dat ze op een zekere wijze het gegrond of ongegrond karakter van het beroep kunnen aantonen; 3/ de partij aannemelijk maakt dat zij deze nieuwe gegevens niet eerder in de procedure kon meedelen. (...)”; XIV-29.618-3/5 Overwegende dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 het volgende overweegt: (...) Hoewel de bewoordingen van het derde lid van artikel 39/76, § 1, van de wet van 15 december 1980 (...) en met name het gebruik van het werkwoord ‘kan’, het mogelijk lijken te maken dat de Raad beslist om geen rekening te houden met nieuwe gegevens, zelfs wanneer de drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld, moet die bepaling, teneinde in overeenstemming te zijn met de wil van de wetgever om aan de Raad een bevoegdheid met volle rechtsmacht ter zake toe te kennen, in die zin worden gelezen dat zij de Raad ertoe verplicht elk nieuw gegeven te onderzoeken dat de verzoeker voorlegt en dat van dien aard is dat het op zekere wijze het gegronde karakter van het beroep kan aantonen, en daarmee rekening te houden. (...)”; Overwegende dat uit het proces-verbaal van de zitting van 19 juni 2007 blijkt dat de verzoekende partij ter terechtzitting stukken heeft neergelegd; dat deze stukken evenwel niet worden vermeld in het arrest; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, nu hij verplicht is elk nieuw gegeven te onderzoeken, zijn weigering om een dergelijk gegeven in aanmerking te nemen, dient te motiveren in het arrest; dat in casu uit het bestreden arrest niet blijkt of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet heeft toegepast overeenkomstig de in het arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 van het Grondwettelijk Hof gegeven interpretatie; dat artikel 149 van de Grondwet werd geschonden; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd wordt het arrest nr. 486 van 28 juni 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  7. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest. XIV-29.618-4/5 Artikel
  8. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwin- tig december tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.618-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.174 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.