id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.183 Rolnummer: A. 182618/XIV-29275 Zaak: Arrest 189183 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 23/12/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-16 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 12:01 Fiche Arrest nr 189.183 van 23 december 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 189.183 van 23 december 2008 in de zaak A. 182.618/XIV-29.275 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 19 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 9 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 579 van 15 mei 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat F. JACOBS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-29.275-1/8 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schendig van art. 2 par. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikel 57/22 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling, artikel 149 G.W.; Schending van artikel 39/73 §1 en §2 en artikel 39/74 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling zoals gewijzigd door de wet van 15.09.2006 en inwerking getreden op 01.12.06 Schending van artikel 39/69 §1, 4/ van de wet van 15.12.1980 zoals gewijzigd door de wet van 15.09.2006 en inwerking getreden op 01.12.06 en artikel 235 §3 van de wet van 15.09.2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Schending van het algemene beginsel dat noch de administratie noch een rechtsmacht noch een rechtscollege het wettig vertrouwen van de belanghebbenden mag misleiden; Schending van artikel 39/65 en 48/4, 49/3 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling en van artikel 3 van de Conventie van de Mensenrechten Schending van de principes van behoorlijk bestuur, principes van machtsoverschrijding en de schending van de algemene principes van het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het proces, Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging te nemen. Dat deze principes ook de VBCV een voorzichtigheid en -zorgvuldigheidsplicht opleggen bij de behandeling van dossiers die aan hun beoordeling worden voorgelegd; De beslissing van de Vaste-Beroepscommissie getuigt van een uitzonderlijke achteloosheid waarmee hij het dossier van verzoekende partij heeft behandeld, De bestreden beslissing is bijgevolg strijdig met het principe van behoorlijk bestuur en schendt tevens het recht op een eerlijke behandeling van de zaak; De getroffen beslissing luidt inderdaad als volgt : Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 19 juli 2006 heeft ingediend om de hervorming te vorderen van de beslissing tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 juli 2006, aan de verzoekende partij verzonden op 7 juli
- Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding ingediend op 10 januari
- Gezien de nota van de verwerende partij ingediend op 26 januari
- Gelet op de beschikking van 1 februari 2007 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 februari
- Gehoord het verslag van gemachtigde bijzitter A. Van lsacker. Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Jacobs, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché XXX, die verschijnt voor de verwerende partij. XIV-29.275-2/8 Gelet op artikel 51/4 van de wet van 15 december 1 980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Artikel 39/69, § 1, 2e lid, 4e van de wet van 15 december 1980 ingevoegd door artikel 167 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen 15 september 2006 bepaalt dat het verzoekschrift op straffe van nietigheid een uiteenzetting van feiten en middelen moet bevatten die ter ondersteuning van het beroep worden ingeroepen. Artikel 235, §3, 2e lid van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt dat het verzoekschrift tot voortzetting bevattende een aanvulling van het initiële verzoekschrift op straffe van onontvankelijkheid dient te beantwoorden aan de vereisten bepaald in artikel 39/69, § 1, van de wet van 15 december 1980 met uitzondering van het vereiste bepaald in artikel 39/69, § 1, 28 lid, 4e. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 5 september 2006 blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever was dat de procedure voor de Raad voor Vreemdelingen betwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die welke geldt voor de Raad van State. Dienvolgens kan voor de interpretatie van de verschillende begrippen en rechtsfiguren worden teruggegrepen naar die welke thans bij de van de Raad van State wordt aangewend (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, nr. 51 2479/001, p. 116-117). Vaste rechtspraak bij de Raad van State stelt dat de uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die zou geschonden zijn als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden (R.v.St. nr. 163.900, 20 oktober 2006, R.v.St. nr. 166.392, 8 januari 2007); Het verzoekschrift in casu beperkt zich tot een aantal feitelijke vaststellingen, een verwijzing naar de algemene situatie, en geciteerde rechtspraak van de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen. Het verzoekschrift geeft niet aan welke rechtsregels in deze werden geschonden en beantwoordt derhalve niet aan de vereiste van artikel 39/69, § 1, 2e lid, 4e . De vordering is onontvankelijk. BESLUIT: Enig artikel. Het beroep wordt verworpen. De oproepingsbrief dd. 01.02.07 aan verzoekster verstuurd en die de beschikking inhoudt die haar oproept om te verschijnen luidt als volgt: ...’BESCHIKKING De gemachtigde bijzitter van de 2de Nederlandse Kamer, Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, inzonderheid op titel 1 bis; Gelet op de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, inzonderhèid op artikel 235, Roept de partijen op te verschijnen op 15 februari 2007 om 10 uur
- Het dossier kan geraadpleegd worden op de Vaste Beroepscommissie elke werkdag tussen 9 en 16 uur en dit tot op de dag vóór de zitting. Gedaan te Brussel op 1 februari 2007 De gemachtigde bijzitter, A. Van Isacker’ Met toepassing van- artikel 39/75, laatste lid, van de Voormelde wet van 15 december 1980, deel ik u mee dat het administratief dossier is ingediend. Als bijlage zend ik u de volgende processtukken over: - nota met opmerkingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen Ik vestig uw aandacht op artikel 39/59, §2, van dezelfde wet dat luidt als volgt: ‘Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep’ ‘
- Schending van artikel 39/73 §1 en §2 en artikel 39/74 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling zoals gewijzigd door de wet van 15.09.2006 en inwerking getreden op 01.12.06 XIV-29.275-3/8 Artikel 3 9/73 waarvan sprake stelt dat Art. 39/
- §
- Onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift onderzoekt de aangewezen kamervoorzitter of rechter bij voorrang de beroepen waarvan het beroep doelloos, kennelijk onontvankelijk, of waarvan afstand wordt gedaan of die dienen van de rol te worden afgevoerd. De kamervoorzitter of de aangewezen rechter roept de verzoekende partij, de verwerende partij en in voorkomend geval de vreemdeling die bij de beslechting van de zaak een belang heeft indien het een beroep betreft dat is ingediend door de Minister of zin gemachtigde, op om op korte termijn voor hem te verschijnen. In de beschikking wordt melding gemaakt van deze bepaling en wordt bondig de grond weergegeven. Het verzoek tot tussenkomst vanwege de belanghebbende vreemdeling kan worden ingediend op de terechtzitting. §
- Ter terechtzitting zet de kamervoorzitter of de rechter in zijn beknopt verslag uiteen om welke reden de afstand van het geding kan worden uitgesproken, de Raad kennelijk niet bevoegd is of het beroep zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk is. Na de partijen te hebben gehoord in hun replieken die beperkt zijn tot de in de § 1, tweede lid aangehaalde reden, doet de kamervoorzitter of de rechter onverwijld uitspraak. Besluit hij niet tot de afstand of de verwerping van het beroep om de reden aangehaald in het tweede lid, dan wordt de procedure overeenkomstig de navolgende artikelen voortgezet.’. Artikel 39/74 waarvan sprake stelt dat: ‘Art 39/
- Indien artikel 39/73 niet wordt toegepast, dan bepaalt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter bij beschikking de dag en het uur van de terechtzitting waarop het beroep worden behandeld.’. • Dat in casu dient te worden vastgesteld dat de beschikking dd. 1.02.07 die aan verzoekende partij is toegestuurd, nergens melding maakt van artikel 39/73 en de grond van onontvankelijkheid , zelfs bondig, niet weergeeft; • Dat de beschikking die verzoekende partij oproept, integendeel getroffen werd conform artikel 39/
- hetgeen inhoudt dat van artikel 39/73 geen toepassing werd gemaakt; Dat dit bijgevolg op neer komt dat het beroep niet ‘onontvankelijk’ was beschouwd geweest en dat de zaak normaal diende te worden behandeld; Dat dit trouwens ook bevestiging krijgt door de vermelding op de oproepingsbrief dd. 01.02.07 van artikel 39/75; Dat bovendien dient te worden opgemerkt dat in casu, het CGVS in de medegedeelde nota niet tot de onontvankelijkheid van het beroep concludeert maar zich ertoe beperkt de vordering ‘ongegrond’ te verklaren; Dat de getroffen beslissing van de VBCV duidelijk strijdig is met de aangevoerde bepalingen en deze duidelijk schendt; Dat voor zover de VBCV, na verzoekende partij te hebben opgeroepen conform artikel 39/74, nog de onontvankelijkheid van het beroep ter zitting kon aanvoeren, (quod non, maar hetgeen prima facie toch uitgesloten blijkt gelet op de uitdrukkelijke formulering van artikel 39/74) dan nog dient te worden vastgesteld dat de VBCV in gebreke blijft een uitleg te verschaffen nopens de reden waarom de onontvankelijkheid van het beroep niet meteen was opgemerkt geweest en om welke reden en op basis van welke rechtsbepaling dit nog kon worden ingeroepen; Dat hierdoor de VBCV hierdoor niet alleen de aangehaalde bepalingen schendt, maar ook de rechten van de verdediging totaal verwaarloost en het wettige vertrouwen van de verzoekende partij misleidt;
- Schending van artikel 39/69 § 1, 4/ van de wet van 15.12.1980 zoals gewijzigd door de wet van 15.09.2006 en inwerking getreden op 0
- 12.06 en artikel 235 §3 van de wet van 15.09.2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Art. 39/69, ingevoegd bij W 2006-09-15/71, art. 167; Inwerkingtreding: 01/12/2006 stelt het volgende : §
- Het verzoekschrift wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 39/
- Het verzoekschrift moet op straffe van nietigheid : (...) XIV-29.275-4/8 4/ een uiteenzetting van de feiten en de middelen bevatten die ter ondersteuning van het beroep worden ingeroepen en tevens, wanneer nieuwe gegevens als bepaald in artikel 39/76, § 1, vierde lid worden aangebracht, dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195 1, of dat hij een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, de redenen waarom deze niet op het gepaste ogenblik aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen konden meegedeeld worden; article 235 § 3 van de Wet van 15 .
- 2005 tot hervorming van de Raad van State en oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt echter het volgende : §
- In de zaken bedoeld in § 1, vraagt de eerste voorzitter of het door hem aangewezen lid aan de verzoekende partij het geding voort te zetten en het aanhangige verzoekschrift te vervolledigen derwijze dat het voldoet aan de procedurele voorschriften die gelden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het verzoekschrift tot voortzetting bevattende een aanvulling van het initiële verzoekschrift dient op straffe van onontvankelijkheid te beantwoorden aan de vereisten bepaald in artikel 39/69, § 1, van de wet van 15 december
- In afwijking van artikel
- §
- tweede lid, 4/, van de wet van 15 december 1980 is de aldaar gestelde vereiste niet op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven. De VBCV maakt in casu een eigen interpretatie van de Wet, die echter ‘contra legem’ blijkt. De beslissing stelt inderdaad dat het beroep onontvankelijk zou zijn omdat de middelen niet overeenstemmen met de ‘middelen’ zoals die door de Rechtspraak van de Raad van State zijn vastgezet. Terwijl de wet heel precies en uitdrukkelijk voorziet dat de melding van de uiteenzetting van de feiten en middelen niet op straffe van onontvankelijkheid waren voorschreven voor de beroepen die nog voor de VBCV aanhangig waren Deze eigen interpretatie die echter ‘contra legem’ is , steunt blijkbaar op een uittreksel van het memorie van toelichting : ‘Het is de uitdrukkelijke wil van de Regering dat de procedure die geldt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die welke geldt voor de Raad van State. Dit strekt niet alleen tot voordeel van de rechtspractici - de procedure die geldt voor de Raad van State geldt als een vorm van gemeenrechtelijke procedure - maar heeft bovendien tot voordeel dat voor de interpretatie van de verschillende begrippen en rechtsfiguren kan worden teruggegrepen naar die van de Raad van State - die overigens de cassatierechter is van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.’ (Memorie van toelichting, DOC 51 2479/001, p 116 http://Www.lachambre.be/FLWB/pdf/51/2479/51K2479001.pdf) Het gaat hier echter maar om een algemene bevinding of wens, die alleszins geen wet kan vervangen of aanvullen ; Dat mbt tot de overgangsmaatregelen voor de beroepen die nog voor de VBCV aanhangig waren heeft de regering het volgende voorgelegd : ( artikel é van het wetsontwerp dat tot artikel 235 van de Wet dd. du 15.09.2006 heeft geleid) : 3/ de beroepen die aanhangig zijn bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen van rechtswege overgaan naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit maakt het voorwerp uit van artikel é. De zaken die in beraad zijn genomen worden logischerwijze verder afgedaan onder de oude procedure door de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen. De overige zaken zijn evenwel nog niet aangepast aan de bevoegdheden van en de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Daarom moeten deze beroepen geheroriënteerd worden naar deze nieuwe bevoegdheden en procedurevoorschriften. Er wordt daarom bepaald dat de eerste voorzitter of de voorzitter elk wat zijn bevoegdheden betreft, aan de verzoekende partij vraagt of zij de zaak wil voortzetten en het verzoekschrift te vervolledi- gen. Dit verzoekschrift tot voortzetting bevattende een aanvulling van het initiële verzoek- schrift dient op straffe van niet-ontvankelijkheid te beantwoorden aan de vereisten die gelden voor een verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uitzondering hierop betreft de verplichting om in het verzoekschrift uiteen te zetten waarom de nieuwe gegevens - indien die worden aangevoerd - niet eerder aan de Commissaris-generaal voor de vluchteling- XIV-29.275-5/8 en en de staatlozen konden meegedeeld worden. Deze uitzondering is logisch: onder de ‘oude’ regeling bestond deze verplichting niet voor de Vaste Beroepscommissie op straffe van nietigheid. Het zou niet billijk zijn nu met ‘terugkerende’ kracht op straffe van nietigheid, van de verzoeker te eisen dat bij uiteenzet waarom hij nieuwe gegevens - die bij wel op straffe van ontvankelijkheid in het verzoekschrift dient uiteen te zetten - niet eerder kon meedelen. De termijn waarbinnen dit verzoekschrift dient te worden ingediend in dertig dagen. (Memorie van toelichting, p 156-157)’ Dat van zodra de vermelding van de geschonden rechtsregels niet op straffe van onontvankelijkheid of nietigheid voor de VBCV was voorgeschreven, dezelfde redenering analogisch dient te worden gevolgd, Dat artikel 4 van het KB dd. 19.05.93 dit reeds voorzag: ‘
- Het verzoekschrift ingediend door de vreemdeling of zijn advocaat bevat: l/ de naam, voornamen, nationaliteit, geboorteplaats en -datum van de vreemdeling evenals de door hem gekozen woonplaats; 2/ in voorkomend geval, de naam, voornaam en het kantooradres van de advocaat; 3/ ... 4/ de referte of een kopie van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die het voorwerp uitmaakt van het beroep bedoeld bij artikel 57/11, paragraaf 1, eerste lid, van de wet; 5/ een uiteenzetting van de feiten en middelen.’ Dat luidens de hiernavolgende beslissingen van de VBCV de inhoud van de uiteenzetting van de feiten en middelen zich beperkte tot de uiteenzetting van de feiten en grieven tegen de beslissing van het CGVS ; Artikel 4, eerste lid,5/, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten; dat uit de gewone lezing van het beroepsverzoekschrift minstens een duidelijke en voldoende nauwkeurige grief tegen de beslissing van de Commissaris-generaal moet blijken( R.v.St;, 27 april 1999, nr.79.925, S.G./Belgische Staat); dat dit in casu niet het geval is; dat appellant zich enkel beperkt tot het verklaren dat hij niet akkoord is met de bestreden beslissing;’ ( 00-1976/0N928 Beslissingsdatum: 18/01/2001 ‘Overwegende dat luidens artikel 4, eerste lid, 5/ van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en middelen dient te bevatten; dat de uiteenzetting van de middelen weliswaar summier mag zijn. maar dat loutere stereotiepe beweringen, zoals vermeld in de voorliggend verzoekschriften, niet als de bedoelde uiteenzetting kunnen-worden beschouwd; dat deze verzoekschriften derhalve niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoen;’ (nr. 06-3355/W12107 Beslissingsdatum: 11/12/2006) ‘Overwegende dat luidens artikel 4, eerste lid 5/, van het Koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten; dat uit de gewone lezing van het beroepsverzoekschrift minstens één duidelijke en voldoende nauwkeurige grief tegen de beslissing van de commissaris-generaal moet blijken (R.v.St, 27 april 1999, nr 79.925, S.G./Belgische Staat); dat dit in casu niet het geval is’ Dat immers de loutere bewering dat hij niet akkoord gaat met de beslissing, niet als de bedoelde uiteenzetting kan worden beschouwd; dat het voorliggende verzoekschrift derhalve niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoet, Dat, indien dit substantieel voorschrift wordt miskend, het beroep als onontvankelijk moet worden afgewezen (R.v.St.,23 april 1992, Vliegen. nr.39.223);’ nr. 05-1774/W11372 Beslissingsdatum: 14/03/2006 On peut déduire de cette décision, que si les griefs contre le CGRA apparaissent clairement à la lecture de la décision,, même en l'absence de mention des dispositions légales violées, il y a bien un expose des moyens au sens de la loi. Overwegende dat luidens artikel 4, eerste lid 5/ van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en middelen dient te bevatten; XIV-29.275-6/8 dat appellante in haar beroepsverzoekschrift tegen de uitvoering gemotiveerde beslissing van de commissaris-generaal enkel stelt te willen reageren op de weigeringsbeslissing van de commissaris-generaal er aan toevoegend dat zij vijf jaar op haar dossier steeds een positieve beoordeling heeft gekregen en opeens niet meer; dat de uiteenzetting van de feiten en middelen weliswaar summier mag zijn, maar dat loutere stereotiepe beweringen, zoals vermeld in het voorliggend verzoekschrift, niet als de bedoelde uiteenzetting kunnen worden beschouwd; dat het verzoekschrift derhalve niet aan cie voormelde substantiële vereiste voldoet, nr. 03-0693/0N1098 Beslissingsdatum: 20/05/2003 Dat tot slot dient bijkomend nog te worden opgemerkt dat het formulier dat thans door de VBCV aan de kandidaten wordt toegestuurd om hen te helpen hun verzoekschrift tot verderzetting aan te passen uitdrukkelijk stelt dat enkel de vakken 1 tot 111 op straffe van onontvankelijkheid dienen te worden ingevuld, daar waar precies het vak IV, betrekking heeft tot het feitenrelaas en de ‘middelen’; Dat de getroffen beslissing bijgevolg de aangehaalde middelen schendt.”; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het middel integraal herneemt; 1.
- Overwegende dat artikel 235, § 3, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt dat het verzoekschrift tot voortzetting bevattende een aanvulling van het initiële verzoekschrift, op straffe van onontvankelijkheid dient te beantwoorden aan de vereisten van artikel 39/69, §1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), doch dat, in afwijking van artikel 39/69, §1, 4/, van de vreemdelingenwet, de aldaar gestelde vereiste niet op straffe van onontvankelijkheid is voorgeschreven; dat, ook al vereist het voornoemde artikel 235, § 3, niet dat het verzoek tot voortzetting steeds een uiteenzetting van feiten en middelen bevat, het wel de mogelijkheid biedt, indien nodig, het inleidende verzoekschrift zodanig aan te vullen dat het voldoet aan het vereiste gesteld in artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4/, van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij niet betwist dat noch het inleidende verzoekschrift, noch het verzoek tot voortzetting een uiteenzetting van feiten en middelen bevat, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen kon besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep; Overwegende dat het verzoek tot voortzetting door de verzoekende partij tijdig en ontvankelijk werd ingediend, zodat het geding overeenkomstig het bepaalde in artikel 39/75 van de Vreemdelingenwet kon worden verdergezet; dat de verderzetting van de procedure niet impliceert dat daardoor het verzoekschrift ontvankelijk is, nu in casu de verzoekende partij ook in het verzoek tot voortzetting had nagelaten de feiten en middelen uiteen te zetten; dat het middel in die mate ongegrond is; XIV-29.275-7/8 Overwegende dat de verzoekende partij voor het overige de schending van talloze andere bepalingen opwerpt, die hetzij niet van toepassing zijn, nu de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is dat jurisdictionele beslissingen uitspreekt, hetzij niet voorzien zijn van een toelichting over de wijze waarop deze bepalingen zouden zijn geschonden; dat het middel in die mate kennelijk niet- ontvankelijk is; Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.275-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div