id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.978 Rolnummer: A. 186502/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1978 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-29 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 07:31 Fiche Beschikking nr 1.978 van 22 januari 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1978 van 22 januari 2008 in de zaak A. 186.502 In zake : XXXXX, tegen: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Syrische nationaliteit, op 28 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 4506 van 4 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 16 januari 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de artikelen 57/6 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een administratief rechtscollege en geen orgaan van het actief bestuur waarop de voorschriften van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet van toepassing zijn. Voor het overige is de bestreden beslissing formeel met redenen omkleed. In een tweede middel roept de verzoekende partij machtsafwending in en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zoals uit de benaming alleen reeds blijkt, zijn de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op de Raad 186.502-1/3 voor Vreemdelingenbetwistingen die een administratief rechtscollege is. Verder wordt niet uiteengezet waarin de beweerde machtsafwending te dezen concreet zou bestaan. In een derde middel wordt de schending ingeroepen van het recht van verdediging. Volgens de verzoekende partij heeft zij niet de kans gekregen om zich te verdedigen “op het standpunt van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat [haar] visie totaal opzij schoof”. Het loutere feit dat de rechter de stelling van een partij niet onderschrijft houdt niet in dat het recht van verdediging werd geschonden. In een vierde middel wordt de schending ingeroepen van artikel 1 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953. Deze verdragsbepaling heeft echter geen rechtstreekse werking. In een vijfde middel wordt de schending ingeroepen van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. In dit middel wordt echter niet deugdelijk omschreven waarom en hoe de bestreden beslissing deze wetsbepaling zou hebben geschonden. In een zesde middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. Het middel zet echter niet concreet uiteen hoe deze verdragsbepalingen door de aangevochten beslissing zouden zijn geschonden. In een zevende middel roept de verzoekende partij de schending in van “art. 1 van het Verdrag tegen Foltering en andere vrede (sic), onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing aangenomen te New York op 10.12.1984”. De uiteenzetting van dit middel beperkt zich tot vage en algemene beweringen. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, 186.502-2/3 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op tweeëntwintig januari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 186.502-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.978 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.