← België

Cassatiebeschikking 1982 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.982 Rolnummer: A. 186421/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1982 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-28 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 07:31 Fiche Beschikking nr 1.982 van 22 januari 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1982 van 22 januari 2008 in de zaak A. 186.421 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Angolese nationaliteit, op 24 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 3723 van 19 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 16 januari 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een enig middel roept de verzoekende partij de schending in van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Uit de uiteenzetting van het middel blijkt ook dat de verzoekende partij de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij opkomt tegen de inhoudelijke motieven van de bestreden beslissing en wil dat de Raad van State de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overdoet. Wanneer de Raad van State als rechter in cassatie een jurisdictionele administratieve 186.421-1/3 beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Artikel 3 van het E.V.R.M. stelt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Deze verdragsbepaling kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden ingeroepen, namelijk wanneer er ernstige en zwaarwichtige gronden zijn dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing. De uiteenzetting van het middel is echter summier en beperkt zich tot loutere beweringen. De verzoekende partij blijft in gebreke te bewijzen dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van deze verdragsbepaling. Bovendien kan deze verdragsbepaling niet dienstig worden aangevoerd tot staving van een beroep tot nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling en het beantwoorden aan de criteria ter verkrijging van het subsidiaire beschermingsstatuut van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 186.421-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op tweeëntwintig januari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 186.421-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.982 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.