← België

Cassatiebeschikking 1994 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.994 Rolnummer: A. 186473/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1994 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 07:31 Fiche Beschikking nr 1.994 van 22 januari 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1994 van 22 januari 2008 in de zaak A. 186.473 In zake :

  1. XXXXX,
  2. XXXXX, die woonplaats kiezen bij advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41, bus 8 tegen: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX en XXXXX, van ex- Joegoslavische nationaliteit, op 27 december 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 4303 van 29 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 16 januari 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een eerste middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van artikel 51/8 van wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). De verzoekende partijen beweren dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij het nemen van de bestreden beslissing een aanvullende, restrictieve voorwaarde heeft toegevoegd aan artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, door te eisen dat de door de verzoekende partijen aangehaalde nieuwe elementen enkel betrekking mogen hebben op haar individuele en persoonlijke situatie en zich niet mogen beperken tot een verwijzing naar de algemene situatie in het land van herkomst. 186.473-1/3 In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van "de juridische kwalificatie van de aangehaalde feiten ten grondslag van de gegronde vrees voor vervolging van de laatste asielaanvraag in de zin van art. 48/3 van de Vreemdelingenwet enerzijds, en ten grondslag van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, anderzijds". In een derde middel wordt de schending aangevoerd van de motiveringsplicht zoals bepaald door artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/64 van de Vreemdelingenwet. Uit de lezing van deze middelen blijkt dat de verzoekende partijen de materiële motiveringsplicht geschonden achten. Wanneer de Raad van State als cassatierechter een jurisdictionele beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Het feit dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met de beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt op zich geen middel uit tot vernietiging van de bestreden beslissing. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. 186.473-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op tweeëntwintig januari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 186.473-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.994 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.