← België

Cassatiebeschikking 1995 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/01/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.995 Rolnummer: A. 186394/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 1995 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/01/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-01-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:31 Fiche Beschikking nr 1.995 van 22 januari 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 1995 van 22 januari 2008 in de zaak A. 186.394 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. DECRAMER, kantoor houdende te 8940 WERVIK, Nieuwstraat 23 tegen: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Afghaanse nationaliteit, op 21 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 3906 van 22 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 16 januari 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). De bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zijn niet van toepassing op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die een administratief rechtscollege is. De formele motiveringsplicht heeft voorts tot doel de procespartij in kennis te stellen van de redenen waarom het administratief rechtscollege de beslissing heeft 186.394-1/3 genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. De toetsing van de formele motivering houdt in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven. Uit de lezing van het middel blijkt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht. Wanneer de Raad van State als cassatierechter een jurisdictionele beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt op zich geen middel uit tot vernietiging van de bestreden beslissing. In een tweede middel wordt de schending ingeroepen van artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955. Artikel 3 van het E.V.R.M. stelt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Deze verdragsbepaling kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden ingeroepen, namelijk wanneer er ernstige en zwaarwichtige gronden zijn dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing. De verzoekende partij verwijst daarvoor in hoofdzaak naar de situatie in het land van herkomst en naar haar psychologische toestand. De bestreden beslissing doet uitsluitend uitspraak over de hoedanigheid van vluchteling en het beantwoorden aan de criteria ter verkrijging van het subsidiaire beschermingsstatuut van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. De geschonden genoemde verdragsbepaling kan te dezen niet dienstig worden aangevoerd. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, 186.394-2/3 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op tweeëntwintig januari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 186.394-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.995 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.