id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.090 Rolnummer: A. 186311/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2090 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-20 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 07:35 Fiche Beschikking nr 2.090 van 6 februari 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2090 van 6 februari 2008 in de zaak A. 186.311 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. SCHOUTEN, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Afghaanse nationaliteit, op 17 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 3601 van 13 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 9 januari 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich volgens de verzoekende partij bij de beoordeling van de veiligheidssituatie in Afghanistan zou hebben gesteund “op elementen die foutief zijn”, in het bijzonder met betrekking tot het geweld en het aantal slachtoffers; dat de verzoekende partij aldus de feitelijke beoordeling van de zaak aanvecht terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens de verzoekende partij “bijkomend onderzoek” heeft gevoerd door zich op “diverse rapporten 186.311-1/3 die zich niet in het administratief dossier bevinden” te steunen; dat in de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 juli 2007 wordt verwezen naar bepaalde rapporten die zich in het administratief dossier bevinden, onder meer met lijsten van het UNHCR, en dat ook in het bestreden arrest wordt verwezen naar lijsten van het UNHCR; dat, gezien de informatie in het administratief dossier en de standpunten die de partijen daarover voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben ingenomen, niet kan worden gesteld dat het om informatie buiten het rechtsplegingsdossier gaat; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat van een bepaalde lijst een “update van 7 september 2007" in het bestreden arrest wordt vermeld; dat het eerste middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij de motivering van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht met betrekking tot de veiligheidssituatie in Afghanistan, in het bijzonder wat betreft de informatie uit de UNHCR-lijsten en het CEDOCA-rapport; dat, zoals bij de behandeling van het eerste middel al is gesteld, de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden, noch om de materiële motivering te beoordelen; dat het tweede middel kennelijk niet- ontvankelijk is; Overwegende dat de vraag of de lidstaten dienen “te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83" niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar de verzoekende partij verwijst, uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat het recht op hoger beroep, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, geen algemeen rechtsbeginsel is; dat het recht van verdediging als algemeen beginsel wel in elk geding en voor elk gerecht geldt, doch betrekking heeft op een eerlijk verloop van de procedure en geen algemeen recht op hoger beroep inhoudt; dat heel de uiteenzetting van de verzoekende partij wat dat betreft trouwens aan artikel 6, eerste lid, van het E.V.R.M. wordt gekoppeld, terwijl die bepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het derde middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan, BESLUIT: 186.311-2/3 Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zes februari tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 186.311-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.