← België

Cassatiebeschikking 2110 - Dienst Vreemdelingenzaken - 11/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.110 Rolnummer: A. 186850/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2110 - Dienst Vreemdelingenzaken - 11/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-20 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 07:36 Fiche Beschikking nr 2.110 van 11 februari 2008 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2110 van 11 februari 2008 in de zaak A. 186.850 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 641 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Tunesische nationaliteit, op 28 januari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5338 van 20 december 1970 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 7 februari 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het recht op een menswaardig bestaan. Zoals uit de benaming alleen reeds blijkt, zijn de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die een administratief rechtscollege is. 186.850-1/3 De grief, geput uit de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. komt er op neer dat de bestreden beslissing geen rekening zou hebben gehouden met het feit dat de verzoekende partij reeds gedurende meerdere jaren in België heeft verbleven en zich in de Belgische samenleving heeft geïntegreerd. Dit aspect werd in de bestreden beslissing onderzocht en verworpen. Die discussie raakt de grond van de zaak en de beoordeling daarvan behoort niet tot de taak van de cassatierechter. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens de verzoekende partij zou er te dezen ook sprake zijn van een manifeste beoordelingsfout. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een administratief rechtscollege. Bijgevolg is de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing op zijn beslissingen. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt voorts dat de verzoekende partij opkomt tegen de inhoudelijke motieven van de bestreden beslissing en wil dat de Raad van State de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overdoet. Wanneer de Raad van State als rechter in cassatie een jurisdictionele administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 186.850-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op elf februari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 186.850-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.