← België

Cassatiebeschikking 2256 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 05/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.256 Rolnummer: A. 187052/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2256 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 05/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-12 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 07:44 Fiche Beschikking nr 2.256 van 5 maart 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2256 van 5 maart 2008 in de zaak A. 187.052 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waversesteenweg 214 tegen: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Afghaanse nationaliteit, op 14 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 6521 van 29 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 28 februari 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De verzoekende partij voert in hetgeen zij noemt "eerste middel, eerste tak" de schending aan van de artikelen 48/3 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, 2 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en van de materiële motiveringsplicht. Artikel 1, A,

(2)van de Vluchtelingenconventie heeft geen rechtstreekse werking. Voor het overige oefent de verzoekende partij kritiek uit op de feitelijke beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die volgens de verzoekende partij een "denkfout" begaat. Het komt niet aan de Raad van State toe het oordeel van de 187.052-1/3 feitenrechter over de grond van de zaak over te doen. Luidens art. 14, §2, R.v.St.-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in geval van cassatieberoep "niet in de beoordeling van de zaak zelf". In een "tweede tak" voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 51/8, 52, § 1, 21 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de artikelen 3, 6, 9 en 13 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet en van "het principe van een goede administratie met hoorrecht en confrontatieplicht". Ook zou de bestreden beslissing volgens de verzoekende partij zijn aangetast door een manifeste appreciatiefout. Opnieuw wil de verzoekende partij de beoordeling van de feitelijke gegevens van de zaak door de Raad van State laten overdoen. Die discussie raakt de grond van de zaak en de beoordeling daarvan behoort niet tot de taak van de cassatierechter. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 187.052-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op vijf maart tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 187.052-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.