id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.304 Rolnummer: A. 186969/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2304 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 11/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-03 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 07:46 Fiche Beschikking nr 2.304 van 11 maart 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2304 van 11 maart 2008 in de zaak A. 186.969 In zake : XXXXX, tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Iraanse nationaliteit, op 8 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5553 van 9 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 19 februari 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) derhalve niet van toepassing zijn op zijn arresten; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat in het bestreden arrest met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus niet wordt gesteld dat de verzoekende partij een "persoonlijk reëel risico" zou moeten bewijzen, zoals zij in het middel voorhoudt; dat het eerste middel in die mate feitelijke grondslag mist en kennelijk ongegrond is; 186.969-1/3 Overwegende dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, niet met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst kan volstaan maar dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; dat de verzoekende partij door zich uitsluitend te steunen op de motieven van haar echtgenoot, wiens aanvraag wegens de ongeloofwaardig- heid ervan werd afgewezen, zelf het bewijs van dergelijk verband met haar persoon onmogelijk maakt; dat in het bestreden arrest aldus op wettige wijze op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de verzoekende partij tot het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus kon worden besloten; dat het eerste middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij met de algemene stelling dat "uit diverse informatiebronnen blijkt dat ook in Iran de veiligheidssituatie alarmerend is" in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak voorstelt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat zij niet uiteenzet op welke andere wijze de artikelen 8 en 14 van het E.V.R.M. zouden zijn geschonden; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel op zeer algemene wijze haar eigen standpunt herhaalt en volledig voorbijgaat aan de concrete motieven van het bestreden arrest; dat zij aldus andermaal een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat zij daarmee geen schending van de artikelen 3 en 14 van het E.V.R.M. aannemelijk kan maken; dat het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur overigens niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest; dat het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 186.969-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op elf maart tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 186.969-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.304 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.