← België

Cassatiebeschikking 2543 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 10/04/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.543 Rolnummer: A. 187690/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2543 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 10/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:54 Fiche Beschikking nr 2.543 van 10 april 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2543 van 10 april 2008 in de zaak A. 187.690 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Syrische nationaliteit, op 31 maart 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 8001 van 27 februari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 7 april 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 39/2 en 48, §§ 1 en 5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, A, 2 van het verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 (Conventie van Genève). De verzoekende partij tracht aan te tonen dat zij in haar land van herkomst wel degelijk gevaar liep om te worden vervolgd in de zin van de Conventie van Genève en dat zij bijgevolg als politiek vluchteling moest worden erkend. Artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève heeft geen rechtstreekse werking. 187.690-1/3 Wat de schending van artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet betreft toont de verzoekende partij niet in concreto aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen aanvullende onderzoeksmaatregelen had moeten bevelen. De redenen die het bestreden arrest heeft gehanteerd om het beroep ongegrond te verklaren werden geput uit de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en uit het dossier. Uit de verdere uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij opkomt tegen de inhoudelijke motieven van de bestreden beslissing en wil dat de Raad van State de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overdoet. Wanneer de Raad van State als rechter in cassatie een jurisdictionele administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 en van artikel 48/4, § 2 van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij oefent kritiek uit op dat onderdeel van het bestreden arrest dat haar de subsidiaire bescherming weigert. Ook dit middel zou de Raad van State verplichten om kennis te nemen van de feitelijke toedracht van de zaak, wat uiteraard de taak niet is van de cassatierechter. Luidens art. 14, §2, R.v.St.-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in geval van cassatieberoep "niet in de beoordeling van de zaak zelf". Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, 187.690-2/3 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op tien april tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 187.690-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.543 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.