id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.578 Rolnummer: A. 187280/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2578 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 15/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-21 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:55 Fiche Beschikking nr 2.578 van 15 april 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2578 van 15 april 2008 in de zaak A. 187.280 In zake : XXXXX die woonplaats kiest bij advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Afghaanse nationaliteit, op 28 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 6524 van 29 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 10 maart 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de UNHCR-lijst wat de betreft de veiligheidssituatie in Afghanistan betwist; dat de verzoekende partij aldus de feitelijke beoordeling van de zaak aanvecht terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat in het bestreden arrest concreet wordt gemotiveerd waarom de lijsten van het UNHCR als een objectieve leidraad bij de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus worden beschouwd, met verwijzing naar het feit dat de verzoekende partij uit de stad Kabul afkomstig is; dat daarmee aan de in artikel 39/65 van 187.280-1/3 de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) vastgelegde motiveringsplicht als vormvereiste is voldaan; dat het eerste middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de vraag of de lidstaten dienen "te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83" niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de Vreemdelingenwet precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar de verzoekende partij verwijst, uitdrukkelijk stelt dat "het Handvest geen bindend rechtsinstrument is"; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden "nieuwe gegevens" ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris-generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij wat betreft artikel 6, eerste lid, van het E.V.R.M. niet dienend is omdat die verdragsbepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan; Overwegende dat noch uit het administratief dossier noch uit de stukken van de verzoekende partij blijkt dat de verzoekende partij na de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 16 januari 2008 een heropening der debatten zou hebben gevraagd; dat de raadsman van de verzoekende partij op 16 januari 2008, na de terechtzitting waarop de zaak werd behandeld, wel een brief naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft gestuurd waarin wordt bevestigd dat de verzoekende partij 187.280-2/3 "wel degelijk nog in België verblijft", doch dat daarin geen verzoek tot heropening der debatten voorkomt; dat het tweede middel in die mate feitelijke grondslag mist en kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op vijftien april tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 187.280-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.578 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.