id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.620 Rolnummer: A. 187545/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2620 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 22/04/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-14 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 07:56 Fiche Beschikking nr 2.620 van 22 april 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2620 van 22 april 2008 in de zaak A. 187.545 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Elfjulistraat 32 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Jordaanse nationaliteit, op 19 maart 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 7327 van 14 februari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 31 maart 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalt dat de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met redenen zijn omkleed; dat in het bestreden arrest na een korte feitelijke uiteenzetting het middel van de verzoekende partij wordt weergegeven en op omstandig gemotiveerde wijze wordt verworpen; dat daarmee aan de in de voornoemde bepaling vastgelegde motiveringsplicht als vormvereiste is voldaan en dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd dat zij, anders dan de commissaris-generaal 187.545-1/3 voor de vluchtelingen en de staatlozen had aangenomen, wel degelijk wraak vreesde vanwege de stam van haar echtgenote; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van die vrees over volle rechtsmacht beschikt en niet is gebonden door of beperkt tot de door de commissaris-generaal in aanmerking genomen motieven; dat de “faxcopie” van de huwelijksakte deel uitmaakte van het rechtsplegingsdossier en derhalve door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn beoordeling van het middel kon worden betrokken; dat artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet aldus niet is geschonden; dat het slechts om de beoordeling van een kopie en niet van een authentieke akte als dusdanig gaat, zodat de artikelen 1317 en 1319 van het Burgerlijk Wetboek niet zijn geschonden; dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij met het eigen standpunt over de geloofwaardigheid van haar huwelijk en de appreciatie van de als dusdanig niet betwiste afstand van de asielprocedure door haar echtgenote een eigen beoordeling ten gronde van de zaak voorstelt, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat artikel 1334 van het Burgerlijk Wetboek betrekking heeft op het bewijs van verbintenissen en als dusdanig niet van toepassing is; dat het middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 187.545-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op tweeëntwintig april tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 187.545-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.