← België

Cassatiebeschikking 2681 - Dienst Vreemdelingenzaken - 06/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.681 Rolnummer: A. 187972/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2681 - Dienst Vreemdelingenzaken - 06/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-05-14 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 08:00 Fiche Beschikking nr 2.681 van 6 mei 2008 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2681 van 6 mei 2008 in de zaak A. 187.972 In zake : XXXXX, die woonplaats kiezenbij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Veemarkt 5 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX en XXXXX, beiden van onbepaalde nationaliteit, op 24 april 2008 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 9108 van 21 maart 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de ontvangst van het administratief dossier op 30 april 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In een enig middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 9, derde lid (oud) en 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, van de artikelen 1, 3, 12 en 25 van het Verdrag betreffende de status van Staatloze en bijlage, ondertekend te New York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij wet van 12 mei 1954 en van artikel 149 van de Grondwet. 187.972-1/3 De verzoekende partijen stellen in een eerste onderdeel dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hadden laten gelden dat de in eerste aanleg door de gemachtigde van de minister genomen beslissing geen gewag heeft gemaakt van het aangetekend schrijven van 17 oktober 2007 en dat die beslissing de in dat schrijven aangevoerde elementen niet in aanmerking heeft genomen, zodat het bestreden arrest niet afdoende is gemotiveerd doordat het dit middel niet heeft beantwoord. Uit de lezing van het bestreden arrest (en meer bepaald de overweging 2.1.2) blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit middel bij zijn oordeelvorming heeft betrokken. De verzoekende partijen leveren geen kritiek op de pertinentie van deze motivering. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen in essentie dat het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van hun erkenning in rechte als staatlozen, terwijl dit nochtans bij aangetekende brief van 4 maart 2008 ter kennis werd gebracht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In het tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat het bestreden arrest geen gewag maakt van de stukken waarbij werd meegedeeld dat zij als staatlozen werden erkend. In het bestreden arrest wordt uitdrukkelijk gesteld dat het feit dat een persoon geen onderdaan is van het land waar hij normaal verblijft of staatloze is niet uitsluit dat deze persoon zich kan wenden tot de Belgische diplomatieke post bevoegd voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland. Dit onderdeel van het bestreden arrest, waarvan de pertinentie opnieuw niet in twijfel wordt getrokken, heeft wel degelijk betrekking op de hypothese waarin de verzoekende partijen als staatlozen werden erkend. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dus dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, 187.972-2/3 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken, op zes mei tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. E. BREWAEYS. 187.972-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.681 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.