← België

Cassatiebeschikking 2716 - Dienst Vreemdelingenzaken - 21/05/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.716 Rolnummer: A. 187815/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 2716 - Dienst Vreemdelingenzaken - 21/05/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 08:04 Fiche Beschikking nr 2.716 van 21 mei 2008 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 2716 van 21 mei 2008 in de zaak A. 187.

  1. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Iraanse nationaliteit, op 11 april 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 8452 van 10 maart 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 22 april 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 9 en 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2, §1 en 4, van het ministerieel besluit van 17 mei 1995 houdende delegatie van bevoegdheid van de minister, inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat de beslissing tot weigering van een aanvraag om machtiging tot verblijf kon worden genomen door een attaché, die behoort tot niveau A, zonder evenwel aan te tonen dat deze ambtenaar behoort tot rang 10, zoals vereist door het ministerieel besluit van 17 mei 1995; 187.815-1/4 Overwegende dat naar luid van artikel 4 van het ministerieel besluit van 17 mei 1995 houdende delegatie van bevoegdheid van de minister, inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, voor de toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, de gemachtigden van de minister de ambtenaren zijn die zijn aangewezen bij artikel 2, § 1, van datzelfde besluit; dat dit luidens deze bepaling de “beambten van de Dienst Vreemdelingenzaken die titularis zijn van een graad die minstens in rang 10 ingedeeld is”, zijn; dat naar luid van de artikelen 22 en 26 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveau’s 1 en 2+, de graad van adjunct-adviseur behoort tot rang 10; Overwegende evenwel, dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 5 september 2002, dat als volgt luidde: “§
  3. De Rijksambtenaren worden benoemd in graden waarvan de hiërarchie vier niveaus omvat namelijk niveau 1, dat het hoger niveau is, en de niveaus B, C en D. Niveau 1 omvat vijf rangen die als volgt genummerd zijn: 10, 13, 15, 16 en
  4. (...)” bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 betreffende de loopbaan van niveau A, werd vervangen door het volgende: “Art. 3 §
  5. De hiërarchische structuur van de federale overheidsdiensten wordt in vier niveaus verdeeld, namelijk niveau A, dat het hoger niveau is, en de niveaus B, C en D. Het niveau wordt bepaald volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven om een betrekking te bekleden. §
  6. Het niveau A bevat vijf klassen, genummerd van A1 tot A5 die de hoogste is. Een klasse groepeert de functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden. De functie wijst het geheel van taken en verantwoordelijkheden aan die een rijksambtenaar op zich dient te nemen. §
  7. Het niveau A is onderverdeeld in vakrichtingen door Ons vastgesteld op voorstel van de minister die de ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft. Onder vakrichting moet worden verstaan een groep van functies die tot een gelijkaardig expertisedomein behoren. Elke vakrichting kan vijf vakklassen bevatten. De eerste vakklasse kan klasse A1 of klasse A2 zijn. Onder vakklasse moet worden verstaan een klasse binnen een vakrichting. §
  8. In niveau A, worden de rijksambtenaren in een vakklasse benoemd. §
  9. In de niveaus B, C en D, worden de rijksambtenaren in graden benoemd. De graad is de titel die de ambtenaar machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen. §
  10. Binnen elk van de niveaus B, C en D, worden de graden “gelijkwaardige graden” genoemd.” 187.815-2/4 Overwegende dat artikel 4 van dit besluit bepaalt dat de ambtenaren benoemd in de klasse A1 of A2 de titel dragen van attaché, en dat artikel 216 de graad van adjunct-adviseur van rechtswege integreert in de graad van attaché; Overwegende dat uit dit alles blijkt dat het huidige niveau A het vroegere niveau 1 heeft vervangen, dat binnen dit niveau A de vroegere rang 10 werd vervangen door de klassen A1 en A2, en dat de ambtenaren binnen deze klassen de titel dragen van attaché; dat aldus rang 10 volledig is overgegaan in de klassen A1 en A2; dat derhalve de bij artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 17 mei 1995 genoemde “beambten van de Dienst Vreemdelingenzaken die titularis zijn van een graad die minstens in rang 10 ingedeeld is”, moeten worden beschouwd als beambten die minstens behoren tot de vakklassen A1 en A2; Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat XXXXX als attaché is tewerkgesteld bij de dienst Vreemdelingenzaken; dat hij als attaché een ambtenaar van ten minste niveau A, klasse A1 is en als dusdanig gemachtigd is om de bestreden beslissing te nemen; dat het eerste middel kennelijk ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 9, derde lid, 39/65 en 62 van de Vreemdelingenwet, en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat aan artikel 9 van de Vreemdelingenwet een uitleg werd gegeven die er niet mee te verenigen valt, doch dat erin wordt geoordeeld dat in casu aan het begrip “uitzonderlijk” dezelfde draagwijdte werd gegeven als “buitengewoon”; dat het tweede middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet derhalve niet van toepassing zijn op zijn beslissingen; dat het tweede middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat het tweede middel er voor het overige toe strekt de appreciatie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen; dat de Raad van 187.815-3/4 State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om zelf in de beoordeling van die feiten te treden; dat het tweede middel ook in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig mei tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 187.815-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.2.716 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.